Aanvaard niet het verlies maar de terugtocht

Hagar Peeters: Loper van licht De Bezige Bij, 42 blz. € 15,– **

Dichters slaan nieuwe wegen in, dat is onvermijdelijk. Je moet als dichter tenslotte ook verder in het leven. Maar soms verlangt de lezer heimelijk naar stilstand in een oeuvre. Bij Hagar Peeters bijvoorbeeld. Had ze niet altijd die onbevangen, lustig rijmende en scherpziende dichter van een paar jaar geleden kunnen blijven? De dichter die, in Koffers zeelucht bijvoorbeeld, een gedicht rustig begon met de woorden ‘Godbetert die vader van mij’. Die zo schreef dat ‘lichtheid’ weer een compliment bleek te zijn. Peeters kon over de liefde schrijven alsof ze de eerste was die het onderwerp aansneed.

Die frisheid is er een beetje af. In Peeters’ nieuwste bundel, Loper van licht, hebben de verzen meer gewicht gekregen. Liefde maakt plaats voor overspel en uitsluiting, en lichte ironie voor prekerigheid: ‘Aanvaard niet het verlies/ maar de terugtocht die er op volgt’. Ook het terloopse engagement is expliciet geworden: ‘de uitgewezene’ keert in verschillende gedichten terug, zoals in een mooi absurd vers over het huis van de uitgewezene ‘met deuren/ die naar beide kanten open en dicht gaan/ zodat aankomst en vertrek/ in één vloeiende beweging worden voltrokken’. Dat ‘Hagar’ een oudtestamentische slavin was die de woestijn werd ingejaagd met de zoon die Abraham bij haar verwekte, komt dan goed uit: ‘Hagar is mijn naam/ die voor vluchteling of vreemdeling staat/ al is het nooit zeker hoe ik heet’, zo begint een gedicht.

Dat zal goed werken bij een voordracht door de dichtende Hagar zelf: de identiteit van de voordragende dichter, van de bijbelse slavin én van de moderne vluchteling gaan immers prettig door elkaar lopen.

Verder lijkt Peeters zich juist minder dan voorheen op een luisterend publiek te richten. In ieder geval maakt ze het dat publiek niet gemakkelijk – de binnenrijmen en klankspelletjes maken plaats voor ingewikkelde enjambementen en bijbelverwijzingen. En de bundel besluit met een lange ‘Jeremiade voor het avondland’, waarin het stervende Europa wordt bezongen, geheel in termen van het roestende ijzer waaruit het is opgebouwd. Alles bestaat uit roest, van de springveren in de matrassen tot aan de wagentjes in de gesloten kolenmijnen. Het idee is goed, maar niet sterk genoeg om de vijf pagina’s te torsen die het gedicht lang is. Bovendien wil Peeters zo veel grote dingen zeggen dat ze vergeten lijkt te zijn waar ze goed in was: het heldere beeld, de bizarre gedachtesprong, de rake observatie. In plaats daarvan sluit ze zich aan bij de ‘machtige vaders’: Baudelaire, Whitman, Campos. Deze negentiende-eeuwse dichters moeten voor haar werelddelen ontsluiten en haar toelaten tot de ‘kroondomeinen’.

Nu heeft wat hubris geen enkele dichter kwaad gedaan, maar wellicht zou Peeters, als ze dan toch hemelen gaat bestormen, beter kunnen aankloppen bij het soort voorvaderen in wier traditie haar talenten liggen: Remco Campert bijvoorbeeld. Dat Peeters groot moest worden stond vast, maar iets minder groot dan dit was ook goed geweest.

Yra van Dijk