Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Oorlog

Waarom we niet willen dat ze met onze kransen voetballen

De obsessie met nationale geschiedenis is een uiting van angst dat je eigen geschiedenis weinig betekent in de ogen van anderen, meent Bas Heijne.

Illustraties Milo
Illustraties Milo Milo

In Belfast krijgen toeristen tegenwoordig rondleidingen in de wijken waar men elkaar tientallen jaren lang naar het leven stond. De gidsen zijn stuk voor stuk veroordeelde terroristen; ze kregen gratie toen in 1998 het Goede Vrijdag Akkoord werd gesloten.

In het katholieke deel werd ik vorige week rondgeleid door een vriendelijke, jong ogende man van begin veertig, die zestien jaar gevangen had gezeten, onder meer vanwege wat hij eufemistisch economic bombings noemde. Hij sprak er opvallend onaangedaan over. Hij was blij dat er vrede was. Het verhaal dat hij ging vertellen, zei hij, was gekleurd; aan de andere kant van de hoge muur die dit deel van stad nog steeds in tweeën spleet, zouden we ongetwijfeld een ander perspectief op de gebeurtenissen te horen krijgen. Was je het niet met hem eens, dan mocht je hem gerust tegenspreken. Door de jaren in de gevangenis kon hij tegen een stootje.

We liepen door zijn wijk. Hij toonde ons een garden of rememberance, een klein plantsoen dat door buurtbewoners was ingericht als een gedenkplaats voor dode IRA-strijders. De namen van de gevallenen stonden in grote plakken zwart marmer gebeiteld, de jaartallen van hun dood liepen van begin twintigste eeuw tot in de jaren negentig. Terwijl hij ons over deze doden vertelde, gebeurde er iets met de gids. Hij kende de familie van deze dode jongens. Hij sprak over de IRA-strijders, of volunteers zoals ze genoemd worden, als verloren familieleden, onschuldige slachtoffers in een oorlog die zij niet gewild hadden. Er was helemaal geen sektarische strijd geweest tussen katholieken en protestanten, dat was propaganda; het waren de Engelsen die de twee gemeenschappen tegen elkaar hadden opgehitst.

Hij nam ons mee naar een reeks van befaamde muurschilderingen; daarop werden in felle kleuren nog meer martelaren herdacht. Een van de schilderingen was gewijd aan de strijd van de Palestijnen, waarmee de katholieke Ieren zich sterk vereenzelvigden. Op een volgende muurschildering stond een reuachtig portret van Bobby Sands, de IRA-strijder die in 1981 bezweek door een hongerstaking in de Maze-gevangenis. Het gezicht van Sands had onmiskenbaar de trekken van een heilige. Zijn hoofd werd omringd door gezwollen teksten, verbroken ketenen en een vredesduif. De gids vertelde dat het de dood van Sands was die hem had doen besluiten zich als vrijwilliger bij de IRA aan te melden. Met een verstikte stem verhaalde hij hoe de bewoners woedend en radeloos hun huizen waren uitgekomen en wraak gezworen hadden.

De neutrale, bijna onthechte toon waarmee mijn gids zijn rondleiding was begonnen, had plaatsgemaakt voor nauwelijks onderdrukte woede en verdriet. Bij weer een gedenkplaats voor een slachtpartij, waarbij twintig jaar daarvoor de huizen van onschuldige burgers in brand waren gestoken, verloor hij zich in gruwelijke details. Hij vertelde het of het gisteren was gebeurd. We stonden nu bij de grote muur die hem van de protestantse wijk scheidde; bij de huizen die aan deze straat lagen, waren ijzeren constructies over de achtertuin aangebracht, om aanslagen van over de muur af te weren. Het geheel maakte een belegerde indruk. Dit leek niet erg op vrede en ontspanning.

Aangezien de IRA-man had gezegd dat ik alles mocht vragen, opperde ik dat dit eindeloos herdenken, dit zwelgen in grieven en slachtofferschap, die onophoudelijke vereenzelviging met een bloederig verleden, wellicht een werkelijke verzoening in de weg stond. Hoe kon hij zich ooit normaal met de overkant verhouden, of met de Engelsen, wanneer hij zichzelf zo wanhopig aan zijn eigen gewelddadige geschiedenis vastklonk? Het bleek de verkeerde vraag. Zijn verzoek om kritiek betekende alleen dat je wat hem betrof partij mocht kiezen in het conflict, voor de protestantse Ieren aan de andere kant van de hoge muur, of desnoods voor de Engelsen. Maar het was niet de bedoeling dat je zijn houding tegenover het verleden in twijfel trok, je moest niet proberen hem los te weken van zijn geschiedenis. Hij gaf een ontwijkend antwoord over gerechtigheid en even later gaf hij ons bij een grote ijzeren poort in de muur over aan de andere kant, waar ons opnieuw een verzetsheld wachtte, een bleke, ongezond ogende man, die elf jaar gevangen had gezeten en ons trakteerde op hetzelfde tragische en woedende verhaal, maar dan met de katholieken als de incarnatie van het kwaad. Tijdens de overdracht keken de twee gidsen elkaar niet een keer aan.

Het was een naargeestige excursie. Terug in mijn hotelkamer kostte het me moeite los te komen van de wrok van beide mannen. Ik vroeg me af waarom mijn opmerking verkeerd was gevallen. Dat riep meteen een nieuwe vraag op: voor wie waren die rondleidingen door het nog steeds verscheurde Belfast eigenlijk bestemd? Ongetwijfeld werd het gezien als een welkome bron van inkomsten, maar in de houding van de gidsen bespeurde ik nog iets anders. Ze wilden getuigen. Nu het vrede was, dreigde de strijd uit het verleden vergeten te worden, en de offers van de gevallen strijders zouden hun betekenis kunnen verliezen. Het verleden moest levend worden gehouden. De inzet van hun strijd mocht wel bekritiseerd worden, maar niet gerelativeerd.

Dat moest de reden zijn dat buitenstaanders verwelkomd werden, dat was de reden dat ze werden aangemoedigd de gedenktuinen en -stenen te bezichtigen en de verschrikkingen uit het verleden tot zich te nemen. De geschiedenis moest gelegitimeerd worden. Want die geschiedenis, die samenviel met hun zelfbeeld, hun identiteit, stond tegenwoordig van twee kanten onder druk. Ten eerste was er de tijd, de erfvijand van de herinnering. Wat voorbij is, dreigt vergeten te worden, dat besef is zo oud als de geschiedschrijving zelf. Maar aan die aloude dreiging was nog een tweede toegevoegd: ruimte. De gids aan de katholieke kant had blij opgemerkt dat hij de week daarvoor zelfs een groepje Japanners voor een van de muurschilderingen had aangetroffen. Hij was er blij verrast door geweest, maar het moet hem ook te denken gegeven hebben. Hoeveel betekenis zou zijn verhaal hebben voor iemand van de andere kant van de wereld? Hoeveel indruk zou zijn eindeloze sage van oog om oog, tand om tand, wraak en wederwraak op een neutrale buitenstaander maken? Al die vetes en grieven, die familiegeschiedenissen en getuigenissen, wat betekende het allemaal in een wereldwijde context? De aanwezigheid van Japanse toeristen in Belfast moet de gids onwillekeurig geconfronteerd hebben met de gewaarwording dat zijn geschiedenis maar een van de vele is, dat de allesoverheersende obsessie van het Noord-Ierse sektarisme er van buitenaf gezien absurd en zinloos uit zou kunnen zien. Hij kreeg dagelijks de kans zijn verhaal te vertellen, dat was waar, maar met iedere nieuwe groep moest het nijpende besef zich aan hem opdringen dat zijn held Bobby Sands in de ogen van anderen een wellicht minder veelzeggende figuur was dan in de zijne. Misschien probeerde hij met zijn verhalen de schaamte over zijn misdaden op afstand te houden.

Die twee krachten, tijd en ruimte, drukken tegenwoordig op iedere geschiedenis, waar ter wereld dan ook. Nederland is geen Noord-Ierland, maar in de nieuwe obsessie met onze nationale geschiedenis voel je dezelfde angst – de angst om je zelf kwijt te raken door te vergeten, en de angst dat je geschiedenis van weinig of geen betekenis zal blijken te zijn in de ogen van anderen. Vandaar het eindeloos herhaalde schrikbeeld van de Marokkaanse jongetjes die een paar jaar geleden na de Dodenherdenking voetbalden met rouwkransen. Daar werd onze geschiedenis op twee manieren geweld aangedaan: ons herdenken werd bespot door jongeren die er blijk van gaven dat ze zich op geen enkele manier deelgenoot van die geschiedenis voelden. Dat was niet zomaar een betreurenswaardig incident. Het was onze nachtmerrie.

In onze nieuwe toewijding aan de geschiedenis van Nederland zie je dan ook steeds dezelfde bewegingen: we kunnen alleen weten wie we zijn, als we ook weten wie we waren – en nieuwkomers moeten koste wat het kost bij onze geschiedenis betrokken worden. Net als bij de toeristen in Belfast gaat het er niet alleen om hen deelgenoot te maken van ons verhaal, ze moeten ons verhaal ook legitimeren, bevestigen.

Vandaar dat die behoefte zich op twee tegenstrijdige manieren uit, die samen alles zeggen over onze tijdgeest. Aan de ene kant wordt in het bestaande verhaal ruimte gemaakt voor het verhaal van anderen, wat er meestal op neerkomt dat de geschiedenis van minderheden wordt ingepast in het verhaal – of dat bijdragen van minderheden aan het verleden een extra accent krijgen, zodat jonge Marokkanen zich ook onderdeel van de geschiedenis kunnen voelen zodra ze weten dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog ook enkele Marokkaanse soldaten in Zeeland zijn gesneuveld. Aan de andere kant is er de neiging om identificatie af te dwingen, zoals in het geval van het VVD-Kamerlid dat een jaar geleden voorstelde Michiel de Ruyter opnieuw tot nationaal boegbeeld te benoemen. Vooral op zwarte scholen was het goed een zeeheld als rolmodel aan te bevelen.

Beide impulsen zijn krampachtig, en niet geloofwaardig, omdat ze uit angst voortkomen. De kans dat migranten zich blijvend met de Nederlandse geschiedenis zullen identificeren wanneer die speciaal voor hen wordt gepimpt, lijkt me klein. Bovendien zijn mensen heel goed in staat zich enkel uit interesse te verdiepen in een geschiedenis waar ze nog maar kort deel van uitmaken. De andere impuls, de drang om volledige identificatie af te dwingen van nieuwkomers met de vaderlandse geschiedenis, is ook zeker tot mislukken gedoemd, aangezien het vooral gebeurt uit een drang tot zelfbevestiging. Ook dat zag je bij de gids in Belfast: de behoefte om je eigen geschiedenis gelegitimeerd te zien door de nieuwkomer. Doet hij dat niet, dan is de blik van die buitenstaander onverdraaglijk.

De nieuwe belangstelling voor geschiedenis heeft hier de afgelopen jaren veel discussie losgemaakt, aangezien het woord ‘nationaal’ decennialang is gezien als een opstapje naar nationalistisch. Het is onmiskenbaar dat die hernieuwde belangstelling niet belangeloos is; ze komt vooral voort uit de angst voor verlies van identiteit die globalisering en immigratie met zich meebrengen. Voeg daar ook nog de mondiale massacultuur aan toe, die geen enkel besef van tijd en plaats meer lijkt te erkennen, en de dreiging is compleet. We zoeken onze geschiedenis niet op uit nieuwsgierigheid, we willen ons aan haar vastklampen. Net als de gids in Belfast zijn we bang voor zelfverlies, bang dat anderen – en tegenwoordig zijn die anderen dus ook landgenoten – ons niet herkennen en dus erkennen.

Nu de hamvraag: is het kwalijk om je vast te klampen aan je geschiedenis? Ongevaarlijk is het niet – kijk maar naar Belfast, waar weliswaar vrede heerst, maar waar de wonden nog lang niet geheeld zijn, sterker nog, waar men de wonden ogenschijnlijk steeds weer openkrabt om het directe contact met het verleden niet te verliezen. Maar de behoefte aan identiteit, weten wie je bent, kent ook mildere verschijningsvormen. Ze wordt pas gewelddadig wanneer men het gevoel krijgt dat de ander jouw identiteit bedreigt en zelfs weg wil vagen. Zodra er ruimte gemaakt wordt voor eigenheid, wanneer je toestemming krijgt om jouw specifieke geschiedenis te koesteren, neemt de tolerantie voor de geschiedenis van anderen meestal toe.

Misschien had ik mijn Ierse gids niet goed begrepen: hij leek oprecht blij dat er vrede was. Hij was alleen bang dat hij zijn geschiedenis zou moeten inleveren, dat de zaak en de prijs die hij ervoor had betaald, vergeten of miskend zou worden. Ik kreeg de indruk dat hij zijn erfvijanden, de protestanten aan de andere kant van de muur en de Engelsen aan de overkant van de zee, hun eigen geschiedenis gunde – zolang hij de zijne maar mocht behouden. Hij besefte misschien ook wel dat hij zijn vijanden nu meer nodig had dan ooit. Zij bewaarden immers herinneringen aan dezelfde geschiedenis als hij, zij deelden het verleden in een wereld die zich er niet zo veel meer aan gelegen liet liggen.

Wanneer je bevestiging van jouw identiteit, en dus jouw geschiedenis, vraagt aan buitenstaanders, zul je hun de eigen geschiedenis moeten gunnen. Wie het recht op geschiedenis opeist, moet datzelfde recht bij een ander ook erkennen. Met mijn Ierse gids kan het twee kanten opgaan – wanneer hij weer opgesloten raakt in zijn geschiedenis, breekt opnieuw de hel los. Maar zolang hem zijn geschiedenis gegund wordt door bussen vol Japanners en mensen zoals ik, helpt die hem overeind te blijven in een complexe, geglobaliseerde wereld. Anders gezegd, zolang je hem toestaat zijn doden te koesteren, zullen er geen nieuwe vallen.

Zo is het ook met ons: laat ons onze geschiedenis koesteren, zonder ons erin te verliezen.

Dat laatste is ook niet meer mogelijk in een wereld van massacommunicatie. Juist op het moment dat we er ons volledig mee gaan vereenzelvigen, komt er een bus vol Japanners voorbij, die ons eraan herinnert dat Michiel de Ruyter in Tokio en Kyoto een minder belangrijke figuur is dan wij zouden willen.

Bas Heijne is redacteur en columnist van NRC Handelsblad. Dit is de verkorte versie van de Anno NU Lezing die Heijne zaterdag hield tijdens de Nacht van de Geschiedenis in Amsterdam.