Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Wel een crisis, maar nu geen oorlogstrauma

Ook de financiële crisis van 1929-1931 begon in de VS, om vervolgens over te slaan naar Europa. Maar anders dan toen werken landen nu wel samen, schrijft Jan Luiten van Zanden.

Wel een crisis, maar nu geen oorlogstrauma ING Illustratie Ruben L. Oppenheimer kredietcrisis
Wel een crisis, maar nu geen oorlogstrauma ING Illustratie Ruben L. Oppenheimer kredietcrisis Oppenheimer, Ruben L.

Het is onvermijdelijk dat de kredietcrisis vergeleken wordt met voorgaande crisisperioden. Het enige echte vergelijkingsmateriaal dat we eigenlijk hebben, is de crisis van 1929-1931. Ook toen was er sprake van een sterke toename van het wantrouwen in het bankwezen en in het financiële systeem in het algemeen, wat leidde tot een run op banken en spectaculaire bankfaillissementen die het hele systeem verder ondermijnden.

Ook toen begonnen de problemen in de Verenigde Staten, met de oktoberkrach op Wall Street, en sloegen die problemen al snel over naar Europa, waar vooral Duitsland en Oostenrijk zwaar werden getroffen. En ook toen was de positie van de Nederlandse economie aanvankelijk sterk: er was hier geen financiële paniek, misschien omdat we in het begin van de jaren twintig al een bankcrisis gehad hadden. De reële economie ontwikkelde zich zelfs tamelijk gunstig in 1929-1930. En ik zou bijna schrijven, ook toen schaarde het volk zich achter een sterke man – Hendrikus Colijn – maar dat zou niet aardig zijn voor Wouter Bos.

Wat ging er vervolgens fout?

De cruciale ontwikkelingen die van een ‘gewone’ crisis op Wall Street een langdurige depressie maakten, deden zich in 1930 en vooral in 1931 voor. In de Verenigde Staten werd veel gespeculeerd met geleend geld, en de krach op Wall Street betekende dat beleggers en handelaren al heel snel in de problemen raakten. Het epicentrum van de neerwaartse beweging ligt nu eerder op de huizenmarkt dan op de aandelenmarkt.

Door de problemen van handelaren en beleggers raakten in de loop van 1930 en 1931 ook steeds meer Amerikaanse banken in betalingsproblemen, en de Federal Reserve Bank deed niet veel om hen te hulp te schieten. Dit bracht op den duur een verdere neerwaartse beweging op de beurs op gang. Bovendien trokken Amerikaanse beleggers massaal hun geld terug uit de rest van de wereldeconomie – vooral Duitsland was daar sterk afhankelijk van geworden. Dit leidde in de zomer van 1931 tot het fameuze faillissement van de Credit Anstalt, de grootste Oostenrijkse bank, direct gevolgd door een golf faillissementen in Duitsland. Dit land moest vervolgens de betalingen op de grote buitenlandse schuld opschorten. Het Britse pond kwam vervolgens onder grote druk te staan. De waarde van het pond was in feite in 1926 op een te hoog niveau vastgesteld. In september 1931 verliet het pond de gouden standaard, waarmee het uiteenvallen van het internationale financiële systeem een feit was.

Nederland doorstond dit alles glorieus en wist zelfs tot 1936 de gouden standaard te handhaven, mede omdat veel van het internationale vluchtkapitaal naar Nederland uitweek en daarmee de positie van de gulden versterkte. Vanaf 1931 verslechterde de economische situatie echter dramatisch: Nederland werd een dure plek om te wonen, werken en ondernemen en de handel met Duitsland kromp sterk ineen. De sterke uitgangssituatie werd nu een probleem. De depressie, die hier later begonnen was, duurde daardoor in Nederland langer dan elders, en de economische patstelling werd pas in 1936 doorbroken. Terwijl in 1930 het nationaal inkomen nog bijna op het niveau van voor de crisis lag, daalde het in 1931 met maar liefst 7 procent, in 1932 nog eens met 3 procent; pas na de devaluatie van 1936 kwam het nationaal inkomen weer terug op het niveau van 1929. De werkloosheid vertoonde een vergelijkbare curve: deze fluctueerde voor de crisis rond 2 procent en begon pas in 1931 op te lopen en bleef tot 1936 geleidelijk doorstijgen tot een piek van 12 procent en lag in 1938 nog steeds op 10 procent.

Zijn er lessen uit deze geschiedenis te trekken? Welke parallellen kunnen geconstateerd worden? Ten eerste gaat het in beide gevallen om crises van het systeem, die het vertrouwen in bankwezen en financiële instellingen in het algemeen sterk ondermijnden. Beide crises ontstonden in de VS, maar waren in mum van tijd ook elders voelbaar. Dat had in de jaren dertig een verlammende invloed op nationale economieën (vooral van de VS en van Duitsland), en op de internationale economische kapitaalstromen en instellingen. Mede door politieke tegenstellingen – Frankrijk deed er bijvoorbeeld alles aan om de positie van de Duitse mark te verzwakken – kozen overheden al snel voor sterk nationale oplossingen, die ten koste gingen van de buurlanden. Meest symbolisch was de val van het pond in september 1931, aangezien het Verenigd Koninkrijk voorheen de kampioen van de internationale samenwerking was geweest.

Momenteel staat Nederland er opnieuw goed voor. Met een beetje geluk zal deze crisis slechts beperkte sporen in de reële economie achterlaten.

Maar er zijn wel wat systeemrisico’s. Allereerst, de positie van het pond in 1929-1931 doet wel wat denken aan die van de dollar op dit moment, al is het merkwaardige aan de ontwikkelingen de laatste weken dat de dollar juist weer in waarde stijgt, terwijl het pond steeds meer onder druk komt te staan. De mogelijke ineenstorting van de dollar is nu een even populair thema als de overwaardering van het pond toen. Het grote verschil met 1929-1931 is dat nu wel krachtig ingegrepen wordt om het bankwezen overeind te houden en dat dit in toenemende mate internationaal wordt gecoördineerd, al is dit voor de Verenigde Staten minder duidelijk dan voor Europa.

Begin jaren dertig ontbrak het ook vaak aan de wil om samen te werken, omdat de Grote Oorlog van 1914-1918 nog niet verwerkt was en de Vrede van Versailles misschien meer kwaad dan goed had gedaan. De enige parallel in het heden die zich op dit vlak nu aandient is Rusland, waar de relatie gespannen mee is, en waar frustraties over een verloren gegaan imperium (en een gebrek aan erkenning door de westerse wereld) misschien wel even virulent zijn als in Weimar-Duitsland. Laten we hopen dat daarmee de parallel ophoudt.

Jan Luiten van Zanden is hoogleraar Economische Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Hij schreef meerdere boeken over de geschiedenis van Nederland, waaronder ‘Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa’ (Boom, 2006).