Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Tranen om België

Op een dag heb ik besloten dat ik Vlaming was, aldus Jacques Brel, in het Frans, in de ter gelegenheid van zijn dertigste sterfdag uitgekomen film Brel: J’aime les Belges.

Een eenvoudige mededeling in een nogal brave documentaire. Maar in de Belgische kluwen van taal, politiek en identiteit ligt de emotie dicht onder de oppervlakte. Tijdens de voorvertoning van de film, eind september in de Brusselse deelgemeente Ukkel, kon het publiek de tranen niet bedwingen. Een aanwezige vertelt in Le Soir (9 oktober): „De mensen applaudisseerden in de zaal. Het was een heel geladen atmosfeer. Het leek of we op een politieke meeting waren.”

Het waren ongetwijfeld Franstalige tranen, daar in Ukkel. De nostalgie naar eenheidsstaat België is in die kringen het grootst. Vlaanderen heeft een gespannen verhouding met de chansonnier. Brel was Brusselaar van geboorte, evident Franstalig – „Ik ’uil niet meer”, klinkt het in de Nederlandse versie van Ne me quitte pas – en vierde zijn grootste triomfen in Parijs. Dat hij voorouders uit Vlaanderen had, het vlakke land bezong en om een tussen Brugge en Gent beminde Marieke treurde, woog er niet tegenop.

Brel sprak geen Nederlands en dat maakte zijn aanspraak op Vlaamsheid verdacht. Het was tijdens zijn leven zo, het zou nu nog sterker het geval zijn geweest. Een ‘francofone Vlaming’ heeft bijna geen bestaansrecht meer. Het concept wordt betekenisloos. Binnenkort kan dit specimen alleen nog in het tweetalige Brussel terecht.

Als het simpelweg Vlamingen tegenover Walen was, zou België allang uiteen zijn gevallen. Maar de knoop is ingewikkelder. Afgezien van de federale regering voor klassieke staatstaken en sociale zaken, is het land bestuurlijk langs twee lijnen opgeknipt. De grond is verdeeld in drie ‘gewesten’: Vlaanderen, Brussel, Wallonië. De mensen zijn verdeeld over drie ‘gemeenschappen’: Nederlandstaligen, Franstaligen, Duitstaligen. Dit geeft drie deelregeringen voor grondzaken als verkeer en economie en drie voor mensenzaken als onderwijs en cultuur. Dit is nogal onpraktisch. Wanneer een gewestelijke minister gaat over de ziekenhuisgebouwen en een gemeenschapsminister over de patiënten, loop je bestuurlijk snel vast. In Vlaanderen heeft men daarom het bestuur over grond en mensen samengevoegd tot één Vlaamse regering. Gevolg is dat de taalgrens steeds harder wordt, en er voor Franstaligen in Vlaanderen (conceptueel) geen plaats meer is.

Een ander gevolg is dat het Belgische probleem zich onverbiddelijk in de hoofdstad samenbalt. Daar kan de knoop tussen grond en mensen niet worden ontward. Brussel is van iedereen: een zelfstandig gewest, historisch de hoofdstad van Vlaanderen, de grootste Franstalige stad van de Benelux, maar met een Nederlandstalige minderheid van circa honderdduizend (onder wie ikzelf). Men spot daarom wel dat Vlaanderen en Wallonië bij elkaar blijven ‘vanwege de kinderen’.

Niet toevallig gaan de twee kwesties die de landelijke politiek sinds juni 2007 verlammen over Brussel: kiesdistrict Brussel-Halle-Vilvoorde en de voorzieningen voor Franstaligen in de Vlaamse randgemeenten. Zelfs de Belgische meesters van het compromis komen er niet uit.

Voor de Vlamingen is hun talige aanwezigheid op Brusselse grond van levensbelang. Omdat zij er nooit de meerderheid zullen vormen, moet de situatie op die plaats onontwarbaar blijven. De Nederlandstalige gemeenschap in de hoofdstad is een pin die het land bijeenhoudt. Het vereist dat die gemeenschap zichtbaar en hoorbaar is. Dit maakt cultuurpolitiek in België tot hoge politiek.

Voor Nederlanders is dit lastig na te voelen. Kunst schijnt bij ons meer iets voor de zondagmiddag. In Haagse kringen wordt met enig dédain naar de cultuurwereld gekeken. Janneke Brinkman die aquarellen maakt voor Libellelezeressen terwijl Elco het land bestuurt, dat idee. Culturele instellingen krijgen subsidies omdat, ja, het ergens goed voor schijnt te zijn.

Een frappant voorbeeld van hoe anders dit werkt bij de zuiderburen biedt de Brussel Biënnale. Deze werd afgelopen zaterdag geopend. Het is de eerste aflevering van een tweejaarlijkse kunstmanifestatie. De initiatiefnemers bedachten in 2005 dat Brussel best in de mondiale biënnalemode kon wedijveren met grote namen als Venetië, Berlijn, Istanbul, Sao Paulo of Seoul.

Wat doe je wanneer je zo’n plan hebt? Je zoekt behalve bij sponsors steun bij de overheden. In Brussel is dit een delicaat moment. De Vlaamse gemeenschap vertegenwoordigt in de stad veel minder mensen, maar beschikt over veel meer geld dan de Franstaligen. Vaak betalen ze beide. Soms is er – typisch een gescheiden-ouders-mechanisme – concurrentie over wie mag betalen. Wat gebeurde er naar verluidt toen de bedenkers van de biënnale bij zowel de Vlaamse als de Franstalige Gemeenschap subsidie aanvroegen? De Vlaamse Cultuurminister Bert Anciaux zei met zoveel woorden: „Als je géén geld aanneemt van de Franstaligen, krijg je van mij het dubbele.” En anders deed hij niet mee.

Hoewel het in de Brusselse kunstwereld tot enkele gefronste wenkbrauwen leidde, zwichtten de initiatiefnemers voor deze druk. Wel draaiden ze de zaak een halve slag, uit Vlaanderen weg, door Brussel als hart van een internationale regio te presenteren. Zo kwam er ook geld uit de buurlanden, Nederland voorop. De bedenkers kregen de gedroomde Brussel Biënnale en de Vlaamse vader kan trots overal laten vermelden dat het „een initiatief van de Vlaamse Gemeenschap” is.

Jacques Brel besloot op een dag dat hij een Franssprekende Vlaming was. Inmiddels kan dat niet meer en is de zaak gekanteld. De toekomst van België hangt er nu vanaf hoeveel mensen op termijn besluiten dat ze geen Vlaming zijn, maar Nederlandssprekende Belg.

Reageren kan op nrc.nl/middelaar (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.)