Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Omvallende bank

Het woord van de week was toch wel omvallen. Omvallende banken, omgevallen banken – het is, goddank, een ongewone woordcombinatie, en juist daardoor eentje die onmiddellijk blijft hangen.

Welbeschouwd is het een vreemde beeldspraak. Of beter: een beeldspraak die conflicteert met het gangbare imago van banken. In onze streken hebben banken al lang een goed imago. Al in de achttiende eeuw zei men: hij is zo goed als de bank voor ‘hij is zeer solide’, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Dit wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands vermeldt ook dat is zo vast als de bank voor ‘dat kun je helemaal vertrouwen’. Ter toelichting is een citaat uit een studie over het Nederlandse bankwezen opgenomen: „De zekerheid der Amsterdamsche bank was ten spreekwoord geworden, om eene zekerheid, welke boven alle bedenking verheven was, aan te duiden.”

Varianten zijn: dat is zo secuur als de bank en dat is zo zeker als de bank.

Ook het Britse bankwezen komt er goed van af in onze spreekwoordenschat. Van iemand die je als geen ander kunt vertrouwen zeg je hij is zo betrouwbaar of solide als de bank van Engeland. Ook van deze zegswijze zijn varianten bekend: zo betrouwbaar als de bank van Zweden en als de bank van Zwitserland.

Zo betrouwbaar als de bank van Nicaragua, een variant die ik op internet aantrof, mag als een grap worden beschouwd: het gaat hier juist om een voorbeeld van grote onbetrouwbaarheid.

Echt veel spreekwoorden met banken zijn er overigens niet – minder dan je, gezien het positieve imago, zou verwachten. We kennen nog: als de bank zijn voor ‘zeer betrouwbaar zijn’, in Friesland zeggen ze dat stiet sa fêst as de bank, en Van Dale vermeldt nog daar geeft de bank geen geld op voor ‘dat is niets waard, dat is zeer onzeker’ – wat ten onrechte suggereert dat banken hun geld alleen solide beleggen.

Het meest filosofische bank-spreekwoord dateert uit het midden van de zeventiende eeuw en luidt, omgezet in modern Nederlands: ons goed ligt nergens zo veilig als in Gods bank.

Dit spreekwoord is in 1657 door Johan de Brune opgetekend in een werk getiteld Bancket-werck van goede gedachten. Is het toeval dat deze ‘goede gedachte’ in het midden van de zeventiende eeuw werd opgeschreven? Vast niet, want Nederland had niet lang daarvoor een economische crisis achter de rug die synoniem is geworden met windhandel: de befaamde tulpenhandel of bollenrazernij, waarbij krankzinnige bedragen werden neergeteld voor tulpenbollen. Of er toen ook banken zijn omgevallen weet ik niet, maar wel veel particuliere vermogens.