Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Dirigent Vasily Petrenko legt zwakte en glorie bloot

Klassiek Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Vasily Petrenko, m.m.v. Leonidas Kavakos, viool, en Irini Tchistjakova, alt. Werken van Franssens, Beethoven en Prokofjev. Gehoord: 18/10 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 21/10 20 uur.

Gelukzalig stralende extase zonder een spoor van twijfel of reflectie: Joep Franssens orkestwerk Grace (2008), dat in de ZaterdagMatinee in première ging, is niets voor wie van nuances houdt. De ononderbroken orgastische jubelstemming zou het eerder goed doen op religieuze bijeenkomsten waar men nog in één absolute waarheid gelooft.

Grace begint aardig, met een sterk op Bach geïnspireerd koraal, statig en majestueus, gefundeerd op een lang aangehouden grondtoon.

Maar in wat volgt, schuwt Franssens noch het groteske (talloze flink met percussie aangezette climaxen), noch het clichématige: een woordloze sopraan die, als lid van het orkest, zoete toplijntjes zingt.

Een dramatische ontwikkeling of interessante ontknoping ontbreekt verder in het werk, dat ontstond in opdracht van Matinee-programmeur en uitgesproken Franssens-supporter Kees Vlaardingerbroek.

De jonge Russische dirigent Vasily Petrenko (1976), voor wie internationale toporkesten in de rij staan, maakte hiermee zijn debuut in de ZaterdagMatinee.

Petrenko, die al verschillende keren eerder in ons land optrad, bezit een onmiskenbaar talent om het karakter van de muziek die hij dirigeert uit te vergroten, zodat hij in dit geval meteen ook feilloos de zwaktes van Grace blootlegde.

Dankbaarder werk had hij in Beethovens Vioolconcert. Solist Leonidas Kavakos begon nog wat onzeker sleperig, maar kwam vooral na zijn eerste cadenza perfect op gang. Petrenko verzorgde de ideale omlijsting met een ruimtelijk klankbeeld.

Adembenemend was vooral het Larghetto, waarin werkelijk álles op het gebied van klank, timing en expressie goed leek te gaan. Terecht werd Kavakos na afloop langdurig en luid toegejuicht, maar hij was – in tegenstelling tot zijn gewoonte – niet tot een toegift te bewegen.

In Prokofjevs cantate uit de filmmuziek voor Alexander Nevski (Eisenstein, 1938) was Petrenko opnieuw heer en meester. Het is alsof de tijd voor hem langzamer gaat: ongeacht het tempo en de complexiteit van de muziek lijkt hij alle rust en ruimte te hebben voor perfectionisme.

Het Groot Omroepkoor klonk oer-Russisch stoer en vervaarlijk. Het Radio Filharmonisch Orkest schitterde eveneens: duister grommend in ‘Kruisvaarders in Pskov’, met stijgende opwinding in ‘De veldslag op het ijs’.

De imposante Russische alt Irini Tchistjakova waarde spookachtig rond in ‘Het doodsveld’. Maar de cantate Alexander Nevski was vooral de triomftocht van Petrenko, die hopelijk nog vaak in Nederland terug mag keren.