Geef gewoon goed les

In Nederland is de leraar eigen baas in de klas. Die vrijheid lijkt mooi, maar er zijn ook nadelen aan verbonden, schrijft Leo Prick. Ten eerste moet iedere leraar daardoor zelf de orde in de klas bevechten. En ten tweede is de vrijheid hoogst verwarrend voor de leerlingen: wat bij de ene leraar niet mag, is geen enkel probleem bij de andere. Een school zou daarom eenduidige gedragsregels moeten hebben.

Wat een onzin, reageert Ton van Haperen. Het ontbreken van uniforme gedragsregels vormen helemaal het probleem niet in het onderwijs. Geef gewoon goed les en het ordeprobleem bestaat niet.

De roep om meer gedragsregels komt vooral van het groeiende leger managers op school die ook in de klas de puntjes op de i willen zetten.

Illustraties Milo
Illustraties Milo Milo

Leraar economie en lerarenopleider. Hij schreef het boek ‘De ondergang van de Nederlandse leraar’

Ja, het is waar, de Nederlandse onderwijscultuur is in de war. Buitenlandse scholen lijken hun zaakjes in ieder geval beter op orde te hebben. Dat is kwalijk, want daardoor leren Nederlandse kinderen minder dan hun toekomstige concurrenten in de wereldeconomie. Bovendien rennen beginnende leraren na een paar maanden worstelen in drijfzand gillend de school uit. In tijden van personeelstekorten komt dat slecht uit. Over hoe dat nou komt, die verloedering, lopen de analyses uiteen. De een zegt dat de jeugd veranderd is. Moderne jongeren hebben het druk met van alles, behalve met leren voor een diploma. De ander geeft de leraar de schuld. Die gaat nonchalant gekleed, is vastgeroest in de jaren zeventig, dwingt daardoor geen ontzag af en krijgt de minachting die hij verdient. De oplossing? Meer regels, een strenger klimaat en… respect man!

Deze roep om orde komt met name van een groeiend leger jonge collegae; zij voelen zich onmachtig. Dat komt goed uit, want tegelijkertijd wil een nieuwe generatie managers de puntjes op de i zetten. De focus op gedragsregels is dan ook inmiddels een nationale trend. Scholen barsten van de protocollen, procedures en reglementen met slechts één doel: inperken van leerlingengedrag. Het begint redelijk met petten af, jassen aan de kapstok, een verbod op kauwgom en meer van dat soort open deuren. Maar dan, als die doelen zijn gehaald en het wangedrag in de lessen is niet veranderd, gaat de regelgeving naar de volgende fase en krijgt excessieve trekjes. Zo maar wat voorbeelden uit de praktijk. Een samenscholingsverbod op het schoolplein, te laat komen beoordelen als spijbelen, de score één toekennen voor een gemist proefwerk en niet inleveren van een werkstuk betekent doubleren. Het gevolg van deze zero tolerance? Leerlingen ontduiken en ontwijken de regels, ouders staan achter hun kroost, schakelen soms de rechter in en de schoolcultuur racet in de volgende versnelling richting blinde muur.

Hoe kan het zo misgaan? Omdat de analyse niet klopt natuurlijk. Om te beginnen is met die kinderen weinig aan de hand. De overgrote meerderheid onderschrijft de principes die ten grondslag liggen aan de organisatie van een school. De daarvan afgeleide regels nemen ze voor lief, zolang die een gemeenschappelijk belang dienen, zoals bijvoorbeeld het behalen van een diploma. Ook zij willen dat als een leraar praat, het verder stil is. Anders kunnen ze hem namelijk niet verstaan.

Het falen zit hem dan ook niet in de regels, maar in de uitvoering. Daarbij spelen kleding, omgangsvormen en andere uiterlijkheden een bescheiden rol. In het lokaal naast mij werkt bijvoorbeeld mijn collega Jos. Leerlingen noemen hem ook zo. Dat tutoyeren past bij zijn verschijning; hij is zo’n typisch jaren-zeventigproduct. Zijn kleding bestaat uit T-shirts en spijkerbroeken, tussen de lessen door vlucht hij het gebouw uit om snel wat te roken en zijn optreden in de klas rust op de pijlers vriendelijk en tolerant. Maar als hij met de les begint is het stil, de leerlingen doen wat hij zegt. Waarom? Omdat hij een verdomd goede leraar is.

Maar precies dat is het probleem: goed lesgeven is lastig tegenwoordig. De achterliggende redenen zijn ook bekend. Zo daalt het opleidingsniveau van leraren. Met name het vakinhoudelijk deel is steeds vaker matig verzorgd. Bovendien contrasteert de aangeleerde lesaanpak met de eisen van de werkvloer. Het Angelsaksisch onderwijskundig denken rond het leren van kinderen domineert de opleidingsfilosofie. De ideale leraar sluit aan bij de belevingswereld, verbindt die met nieuwe begrippen, prikkelt tot zelfstandige toepassing en uitbreiding van het geleerde.

De opdracht van de school is echter totaal anders. Met een paar lessen per week dient de leraar een berg vakinhoudelijke eindtermen te behandelen. Die één keer noemen is dan al heel wat. Dus kiest elke individuele leraar voortdurend tussen weten en leren. Voor beginners is dat een onmogelijke opdracht. Een rooster stuurt ze naar een lokaal, met als enige houvast het leerboek: na paragraaf één komt paragraaf twee, maak de opgaven en opschieten graag. Leerlingen hebben geen idee waar het over gaat, waarom dit moet. En dus wordt de onrust snel rumoer en geen gedragsregel die dan nog helpt.

Deze frictie tussen inhoud en benadering maakt een gesprek over wat dat is, een goede les, intuïtief en onnavolgbaar. En dus gaat de aandacht snel richting andere zaken: de gratis schoolboeken van de politiek, het geld van het bestuur, de organisatie van de schoolleiding, de baantjes van het middenkader, de werkdruk van de collegae en wat zijn de kinderen weer slecht opgevoed dit jaar.

Het handelen in de klas staat in deze schoolcultuur op nummer laatst in de gesprekshiërarchie. Ten onrechte, want de romantiek van het leraarschap is dat lokaal, met die ene volwassene en dertig leerlingen. In die dynamiek zelfstandig beslissingen nemen, daarin succes ervaren, dat is wat het werk tot een feest maakt. Maar in de hedendaagse diffuse schoolcultuur komen velen aan dat euforisch gevoel niet toe en daarom moet de onrust de school uit.

Onlangs nationaliseerde onze regering een particuliere bank. De aanhoudende crisis in het onderwijs vraagt om een gelijksoortige actie. De overheid neemt de verantwoordelijkheid voor het budget en de arbeidsverhoudingen. Scholen beperken zich tot waar ze goed in zijn: lesgeven. De vrijkomende energie ruimt vervolgens de rotzooi op. Het curriculum en de lesaanpak raken op elkaar afgestemd, de leraar ontwikkelt een sterke identiteit en nieuwkomers trekken zich aan deze rolmodellen op.

En die telefoonboeken met nieuwe gedragsregels? Die kunnen op de brandstapel.

    • Ton van Haperen