De school moet het ordeprobleem niet aan de leraar overlaten

In Nederland is de leraar eigen baas in de klas. Die vrijheid lijkt mooi, maar er zijn ook nadelen aan verbonden, schrijft Leo Prick. Ten eerste moet iedere leraar daardoor zelf de orde in de klas bevechten. En ten tweede is de vrijheid hoogst verwarrend voor de leerlingen: wat bij de ene leraar niet mag, is geen enkel probleem bij de andere. Een school zou daarom eenduidige gedragsregels moeten hebben.

Wat een onzin, reageert Ton van Haperen. Het ontbreken van uniforme gedragsregels vormen helemaal het probleem niet in het onderwijs. Geef gewoon goed les en het ordeprobleem bestaat niet.

De roep om meer gedragsregels komt vooral van het groeiende leger managers op school die ook in de klas de puntjes op de i willen zetten.

Illustraties Milo
Illustraties Milo Milo

medewerker van NRC Handelsblad

In Nederland zijn scholen vrij in de wijze waarop zij het onderwijs inrichten. In de regel ligt de keuze van de leermiddelen bij de vaksecties, en vervolgens bepalen de individuele leden van de sectie, de leraren, de wijze waarop zij die leermaterialen gebruiken: hun manier van lesgeven, het huiswerk dat ze opgeven, hoe ze dat overhoren, enzovoorts. Scholen zijn niet alleen vrij voor wat betreft de organisatie van het onderwijs maar ook waar het gaat om de inrichting van de school als leef- en werkgemeenschap. Dankzij die vrijheid ontwikkelen onderwijsinstellingen een eigen cultuur die van school tot school sterk kan verschillen.

Die vrijheid zoals in Nederland de scholen die kennen, is niet vanzelfsprekend. In de meeste landen is sprake van centraal voorgeschreven leermiddelen, en gelden uniforme regels voor bijvoorbeeld de hoeveelheid tijd die wordt besteed aan de verschillende vakken. De Nederlandse overheid daarentegen beperkt haar bemoeienissen met het onderwijs tot de financiering ervan, de bevoegdheid van de leraren en de eindexameneisen. Die terughoudende opstelling hangt ongetwijfeld samen met de gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs en de daaruit voortvloeiende angst voor alles wat ook maar in de verste verte riekt naar ‘staatspedagogiek’.

De Nederlandse leraar kent dus een hoge mate van vrijheid voor wat betreft de inrichting van het onderwijs. Het is daarom niet verwonderlijk dat hij een vergelijkbare autonomie vanzelfsprekend vindt voor de gang van zaken in zijn klas. De gedragsregels waaraan leerlingen zich in zijn lessen dienen te houden, zijn dan ook min of meer afhankelijk van de individuele opvattingen daarover bij de betrokken docent.

Onlangs kreeg ik een boekje toegestuurd van een ex-leraar die met een zekere nostalgie terugblikte op zijn loopbaan. Hij beschreef met terugwerkende trots hoe bij hem in de klas altijd een heel speciale sfeer heerste waarbij zowel leraar als leerlingen zich weinig gelegen lieten liggen aan de schoolregels. Zo was het iedereen toegestaan tijdens de les te eten of te drinken.

Het heeft natuurlijk een zekere charme, de wat studentikoze, onaangepaste intellectueel die zich niet laat hinderen door zoiets onnozels als schoolregeltjes. En het heeft ook iets jongensboekachtigs: de volwassene die een geheim verbond sluit met zijn leerlingen. Maar alles bij elkaar heeft het vooral iets achterhaalds, iets van vroeger, toen zoiets nog mogelijk was. Deze vrijheid, waaraan niet alleen door deze leraar werd gehecht, is zich de afgelopen jaren steeds meer tegen de Nederlandse docenten gaan keren. Zozeer zelfs dat als gevolg daarvan veel leraren aan lesgeven nauwelijks toekomen.

Voor de meeste scholen geldt dat er geen duidelijke, algemeen aanvaarde gedragsregels gelden waar – en daar gaat het hier om – iedereen zich ook daadwerkelijk aan houdt. Met als gevolg dat elke leraar, om zijn regels aanvaard te krijgen, altijd maar weer moet opboksen tegen afwijkende opvattingen van zijn collega’s. De situatie is te vergelijken met een voetbaltoernooi waarbij de ene scheidsrechter niet moeilijk doet over buitenspel, een andere een beetje buitenspel door de vingers ziet en een derde de regel strikt hanteert. Een dergelijk gebrek aan eenduidigheid is belastend voor scheidsrechter en spelers en draagt niet bij tot een goede sfeer, noch tot een goede onderlinge verstandhouding, want iedere beslissing, van ieder van die drie scheidsrechters, wordt aangevochten omdat hij als onredelijk wordt ervaren.

Dit probleem van persoonsgebonden gedragsregels is niet van vandaag of gisteren; het is wel steeds prominenter geworden omdat de levensstijl van mensen steeds meer vaker is gaan verschillen. Mede daardoor kun je als leraar steeds minder een beroep doen op algemeen aanvaarde regels. Zo herinner ik me van een aantal jaren geleden de verwarring bij een leraar die een leerling corrigeerde met de opmerking „dat doe je thuis toch ook niet”, waarna de halve klas hem verbaasd aankeek. Dat deden ze thuis dus wel.

Gedragsregels op school zijn in wezen niet anders dan de spelregels die op het voetbalveld gelden en vereisen eenzelfde consequente toepassing als nodig is voor een ordelijk verloop van een voetbalwedstrijd.

Het heeft lang geduurd voor dit besef in het onderwijs kon doordringen. Het is ook, moet ik erkennen, geen prettige gedachte. Het leraarsberoep wordt toch al gekenmerkt door een ontstellend gebrek aan vrijheid. Zo weet een leraar nu al wat hij over een half jaar op donderdagmorgen om 10 uur geacht wordt te doen: lesgeven in 2B. Maar daar stond gelukkig altijd wel iets tegenover: wat hij daar deed en hoe hij daar bezig was, dat bepaalde hij zelf.

Die vrijheid – daar moest niemand aankomen, en nu gebeurt dat dus toch en ook steeds meer. Niet omdat wie dan ook dit prettig vindt, maar omdat steeds algemener het besef doordringt dat dit nodig is.

Dat we daar zo lang op hebben moeten wachten, hangt ongetwijfeld samen met de leeftijdsopbouw van de leraren met een sterke oververtegenwoordiging van de babyboomers. Daardoor werd de cultuur in veel scholen tot voor kort gedomineerd door die van de jaren zeventig. Als volwassene moest je tolerant zijn, het belangrijkste pedagogische beginsel luidde ‘moet kunnen’, en je mocht al helemaal niet autoritair zijn. De vraag waarom iets verboden was, mocht daarom niet worden beantwoord met ‘omdat zoiets nou eenmaal niet mag’, of ‘omdat het niet hoort’. Het verbod diende met redenen te worden omkleed. Omdat omgangsregels lang niet altijd rationeel zijn te verdedigen, kan dit leiden tot absurditeiten. Een leraar verbiedt petjes. Gevraagd naar de reden: ik wil je in de ogen kunnen kijken. Resultaat: petje achterstevoren mag wel. Met als uiteindelijk resultaat dat op een school ooit de regel werd ingevoerd dat petjes in de klas verboden waren tenzij ze achterstevoren werden gedragen.

Ook het St. Gregorius College in Utrecht en, in zijn voetspoor, NRC Handelsblad hebben er moeite mee het petje op zijn juiste waarde te schatten. Zo wijdde deze krant in augustus 2003 een redactioneel commentaar aan het gegeven dat die school door de Commissie Gelijke Behandeling in het gelijk was gesteld met haar verbod van hoofddoekjes. Het leerlingenstatuut van de school bevatte een verbod, aldus de krant, van kledingstukken die met een niet-katholieke of niet-christelijke levensovertuiging kunnen worden geassocieerd. Met name werden genoemd: een cap, pet, hoofddoekje, boerka, chador, djellaba en niqaab. Daarmee werd het traditionele autochtone hoofddeksel pet getypeerd als niet te rijmen met het christelijke of katholieke karakter van de school, terwijl het hier louter een fatsoensregel betreft.

Het voorbeeld illustreert niet alleen hoeveel moeite we hebben met het opleggen van regels louter op grond van door de traditie bepaalde fatsoensnormen, maar eveneens dat de problemen rond gedragsregels in het onderwijs zijn toegenomen doordat scholen in toenemende mate worden bevolkt door leerlingen afkomstig uit andere culturen. Hun in het oog springende, afwijkende opvattingen hebben als gunstig effect gehad dat scholen steeds meer zijn gaan beseffen dat er op dit terrein daadwerkelijk iets dient te gebeuren. Het ontbreken van algemeen geaccepteerde leefregels in veel scholen heeft namelijk funeste gevolgen voor zowel de kwaliteit van het onderwijs als voor het werkklimaat in die sector.

In een chaos kun je niet leren. De schoolprestaties van veel leerlingen verslechteren doordat de klas zo onrustig is dat er niet fatsoenlijk kan worden lesgegeven. Oplettende leerlingen krijgen een plaats tussen herrieschoppers in de hoop dat die zich dan wat rustiger houden – noodgrepen van leraren om de klas in toom te houden, maar aan lesgeven komen velen nauwelijks toe.

De eerste vereiste waaraan een leraar in de ogen van de leerlingen dan ook dient te voldoen, is dat hij orde heeft. Dat hij niet de hele les lang doende is met ordeverstoorders in het gareel te houden. Maar al te vaak wordt van leraren verwacht dat ze binnen de chaos van de school hun eigen orde op de leerlingen weten te bevechten. Steeds vaker, is mijn indruk, slagen ze daar niet in. Talloos zijn de verhalen over zij-instromers die het al na een paar weken voor gezien houden. Hun beweegredenen om het onderwijs al weer snel te verlaten kunnen worden samengevat met: ik meende te hebben gekozen voor het beroep van leraar en niet voor dat van politieagent.

Die zij-instromers, en hetzelfde geldt trouwens voor hun collega’s afkomstig van de lerarenopleidingen, hebben gezien hun leeftijd in de regel ook geen last van het ‘moet kunnen’-syndroom. Zij vinden simpelweg dat leerlingen zich behoorlijk dienen te gedragen. Dat scholen hun een aanvaardbaar werkklimaat moeten bieden. Dat geldt voor iedere werkgever, zeker wanneer die opereert in een situatie van schaarste. Eerste vereiste daarbij is dat leraren zich allemaal aan de regels gaan houden.

Schoolleiders zijn de laatste jaren dan ook steeds meer de teugels gaan aantrekken. Dat moet ook wel, want als gevolg van ontwikkelingen zoals studiehuis en vakoverschrijdende samenwerking opereren leerlingen lang niet altijd onder de verantwoordelijkheid van één bepaalde docent. Bij dit strikter handhaven van de schoolregels stuiten zij vaak op verzet bij vooral de oudere leraren die bij alles wat ook maar in de verste verte riekt naar regelhandhaving, de hakken in het zand zetten. Die zien dit namelijk niet alleen als een eerste stap die onherroepelijk leidt tot de autoritaire gezagsstructuur waarvan zij ooit dachten voorgoed verlost te zijn, maar daarnaast ook als het zoveelste symptoom van de managementcultuur die er verantwoordelijk voor is dat zij hun professionele autonomie en daarmee het plezier in hun werk zijn kwijtgeraakt. In hun verzet hanteren zij het wapen van de machteloze intellectueel; zij hebben zich ontwikkeld tot de cynische commentatoren van het schoolgebeuren. Dat zij de komende jaren het onderwijs verlaten wordt door menige schoolleider dan ook ongetwijfeld ervaren als een zegen, maar voor de kwaliteit van het onderwijs is het dat bepaald niet. Omdat die oudere leraren in de regel ook de meeste opleiding hebben genoten, betekent hun vertrek verlies aan vakinhoudelijke deskundigheid.

Inmiddels is besloten om het voor jonge academici gemakkelijker te maken om na hun studie ten minste enkele jaren in het onderwijs te gaan werken. Zij kunnen daartoe een verkorte opleiding volgen, in omvang vergelijkbaar met die van de oudere vertrekkende docenten. Dit plan heeft alleen kans van slagen als scholen deze docenten een acceptabele werksituatie bieden waarbij ze niet gedwongen worden om in een chaotisch werkklimaat hun eigen persoonlijke orde te veroveren. Want voor politieagent zijn ook zij niet opgeleid.