Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

'Rembrandt' houdt al 125 jaar topstukken in Nederland

'Meat Stall' (1964) van Claes Oldenburg, verworven in 2006 voor museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam.
'Meat Stall' (1964) van Claes Oldenburg, verworven in 2006 voor museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam.

Tentoonstelling 125 grote liefdes. Met steun van de Vereniging Rembrandt. T/m 18 jan. Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. Dag 10-18u, vr 10-22u. Nieuwjaarsdag gesloten. Boek, geschreven door Peter Hecht: 29,95 (paperback) en 39,95 (gebonden editie).

Een vergadering in de prille lente van dit jaar. De bestuursleden van de Vereniging Rembrandt stemmen voor de aankoop van een schitterend schilderij van Max Beckmann, dat meer dan drie miljoen euro moet kosten en bestemd is voor museum Boijmans van Beuningen. Ze zeggen ‘ja’ tegen een relatief goedkope brandewijnkom voor het museum in Appingedam. ‘Ja’ tegen een glas van de achttiende-eeuwse Hollandse glasgraveur Simon Jacob Sang en ‘ja’ ook tegen een aantal zeer zeldzame tekeningen van de zestiende-eeuwse kunstenaar Pieter Aertsen voor Teylers Museum in Haarlem. Op dezelfde vergadering wordt een museum voor de aankoop van een vervalsing behoed.

Zo'n vergadering laat zien hoe breed de steun is die de Vereniging Rembrandt verleent, hoe die steun over grote en kleine musea in heel Nederland wordt verspreid, hoe er aandacht is voor grote én kleine aankopen, oude én moderne kunst.

‘Rembrandt’, zoals de vereniging in de wandelgangen heet, beijvert zich al 125 jaar voor de versterking van ons openbaar kunstbezit. De Vereniging meldt zich, altijd deftig, in discussies op het gebied van collectiebeheer, verzamelbeleid en culturele identiteit. Het allerzichtbaarst zijn de kunstaankopen: werken als de Beckmann van drie miljoen, die de collectie klassiek-modernen in Rotterdam versterkt, maar ook van lang geleden.

Zo werd De liefdesbrief van Vermeer in 1892 met steun van ‘Rembrandt’ verworven voor het Rijksmuseum, voor het toen als krankzinnig hoog ervaren bedrag van 41.000 gulden. De angst dat het schilderij (dat je nu niet eens meer uit Nederland zou kunnen wégdenken, zo belangrijk is het) definitief het land zou verlaten, was destijds gerechtvaardigd.

De Kantwerkster van Vermeer bijvoorbeeld was in 1869 voor een schamele 3.600 gulden aan het Louvre verkocht. De monumentale koorafsluiting van de Sint Jan in Den Bosch was drie jaar daarvoor verkwanseld aan een Britse handelaar. Topwerken van Rembrandt, Van Dijck, Rubens, Guercino, Bellini waren toen al verdwenen naar grote musea in het buitenland. Daarom richtte een groep van twaalf vermogende particulieren en verlichte burgers in 1883 de Vereniging Rembrandt op. Doel: de uitverkoop te stoppen.

Sindsdien zijn zo’n 2.500 kunstwerken met steun van de Vereniging aangekocht. Ging het in de beginjaren nog vooral om het veiligstellen van werken uit de Gouden Eeuw, in de loop van de twintigste eeuw breidde de Vereniging haar aandacht uit naar buitenlandse en ook moderne kunst. Ook ging ze actief op zoek in het buitenland naar kunstwerken die leemtes in Nederlandse collecties vulden.

Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan is nu in het Van Gogh Museum een feestelijke én likkebaardende tentoonstelling ingericht. Uit meer dan dertig musea en een enkele kerk zijn 125 schatten gehaald die in de loop van het bestaan van de Vereniging voor openbaar kunstbezit zijn behouden. Het zijn tekeningen, prenten, schilderijen, kunstnijverheid en een enkel videowerk (Washing Hands Abnormal van Bruce Naumann). De selectie van ‘liefdes’ is samengesteld door de Utrechtse hoogleraar Peter Hecht. Hij schreef ook het jubileumboek, dat veel meer is dan een degelijke gelegenheidsuitgave.

Op de wat krap door Wim Crouwel ingerichte tentoonstelling hangen schilderijen die net als De Liefdesbrief zo diep in je geheugen zitten verankerd dat het onvoorstelbaar is dat ze niet in Nederland te zien zouden zijn. Het Zoete meisje in het blauw van Johannes Verspronck – de publiekslieveling van het Rijksmuseum –, het contemplatieve portret van Rembrandts zoon Titus zijn daar voorbeelden van. Maar er zijn ook moderne meesterwerken die zijn uitgegroeid tot – noem het – vrienden, bij wie je altijd even langs moet als je in de stad bent. Matisse’s monumentale knipsel La perruche et la sirène is zo’n vriend, en ook de schilderijen van Willem de Kooning, de Hommage aan Apollinaire (één van Chagalls mooiste, soberste werken) en een Merz-reliëf van Kurt Schwitters hebben die status.

In het Van Goghmuseum is relatief weinig onbekend werk te zien – maar dat kan ook haast niet, gezien de strenge selectiecriteria die de Vereniging er op na houdt. Bijna ieder werk, door ‘Rembrandt’ ondersteund, vindt zijn weg naar de vaste opstelling van een museum. En was er in de eerste 25 jaar nog weleens gemor in het bestuur over de overdaad aan kunst die vanwege haar historische betekenis werd aangekocht, vanaf grofweg de jaren twintig is de artistieke kwaliteit altijd leidend beginsel geweest. Eén van de hoogtepunten onder die relatief onbekende werken zijn drie vrouwenfiguren van een middeleeuws passieretabel uit het Catharijneconvent. De fragmenten zijn zo levensecht uit hout gesneden dat ze uit was lijken te zijn gemaakt.

‘Rembrandt’ koopt dus bepaald niet voor het depot. Als tegenhanger bij de tentoonstelling is het daarom zo interessant om het eveneens door Hecht geschreven boek aan te schaffen. Hecht, die twaalf meter archief doorspitte, verhaalt ook van de afwijzingen die ‘Rembrandt’ deed en die een licht werpen op in de loop der jaren veranderde criteria en smaak. Ook toont Hecht zich een scherp criticus van zaken die ‘Rembrandt’ wel aangaan, maar niet direct met de aanschaf van kunst te maken hebben.

De omstreden Wet Behoud Cultuurbezit, het museumbeleid in Nederland, directeuren die liever ‘boodschappen’ dan ‘aankopen’ doen en van hun vaste collectie een ‘artotheek’ maken – Hecht windt er geen doekjes om. En daarmee de Vereniging Rembrandt ook niet. Inderdaad, ‘Rembrandt’ is springlevend – ook uit noodzaak.