Hoe de luister van de regenboog teloorging

Arnold Heumakers Nederland, Amsterdam, 10-08-07 Arnold Heumakers. © Foto Merlin Daleman
Arnold Heumakers Nederland, Amsterdam, 10-08-07 Arnold Heumakers. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Het gaat niet goed met de Verlichting, je hoort er steeds minder over. Dat komt omdat het niet goed gaat met de neoconservatieven in ons land. Van de Edmund Burkestichting wordt niet veel meer vernomen – het weekblad Opinio is failliet – Wilders en Verdonk worden steeds meer een karikatuur van zichzelf, en nu slaat de kredietcrisis ook nog eens het vertrouwen weg in de economische basis van dit liberale neoconservatisme. De kans dat een overwinning van McCain straks in het buitenland de schade zal herstellen, lijkt evenmin erg groot.

Arme neocons! Maar al te veel medelijden heb ik niet met ze, omdat ze het begrip ‘conservatief’, toch al nooit populair onder Nederlandse intellectuelen, hebben besmet met veel van wat mij altijd heeft tegengestaan in progressief links. Het overmoedige maakbaarheidsidealisme, het principe dat het doel de middelen heiligt, het hypocriete moralisme en de verstikkende intolerantie – met wat ik onder conservatisme versta, heeft het niets te maken. Uitgangspunt dáárvan is eerder Gerard Reve’s lucide vaststelling: ‘Zoals het is, is het al erg genoeg’.

Tot de collateral damage behoort de averij die de Verlichting heeft opgelopen, doordat zij door de neoconservatieven is veranderd in een politieke slagzin. Natuurlijk, ook in de 18de eeuw hadden de Lumières een politiek-retorische lading, maar wat een verschil met het simplisme van de moderne neocons, die zelfs zo naïef zijn een ‘shortcut to Enlightenment’ mogelijk te achten. Vreemd blijft ook de combinatie van Verlichting en conservatisme. Van het denken van Voltaire, Rousseau en Diderot heeft men een stok gemaakt om met name de islam te slaan. Niet dat sommige moslims geen klappen verdienen, maar ik zou zeggen: laat de Verlichting er buiten. Aandacht voor de geschiedenis is mooi, weet alleen wel waar je het over hebt.

Dat we steeds minder over de Verlichting horen is dus eigenlijk helemaal niet zo erg. Het schept ruimte om aandacht te schenken aan wat de Verlichting dan wel is geweest.

Met dat doel heeft de ‘Werkgroep 18de Eeuw’ de Burgerhartlezing in het leven geroepen. Jaarlijks zal een eminente geleerde worden verzocht publiekelijk na te denken over de actualiteit van de Verlichting. De Amerikaanse historicus Peter H. Reill hield vorige week de eerste Burgerhartlezing in het Amsterdamse Felix Meritis. Een passende omgeving voor zo’n onderwerp. Waar ooit de verlichte burgers bijeen plachten te komen om het Nut van ’t Algemeen te bevorderen, kon men nu luisteren naar een interessant betoog over de verschillende ‘soorten’ Verlichting.

Te vaak is de Verlichting voorgesteld als één conceptueel blok beton, het homogene ‘Verlichtingsproject’, waaruit de moderne wereld rechtstreeks afkomstig zou zijn. Vandaar dat linkse postmoderne criticasters, geïnspireerd door Horkheimer, Adorno en Foucault, er niet voor terugdeinsden om de Verlichting ook van ‘Auschwitz’ en de ‘Goelag Archipel’ de schuld te geven – een even grove versimpeling als de geharnaste lof van de neocons. In werkelijkheid bestond de 18de- eeuwse Verlichting uit diverse ‘soorten’, met diverse ‘talen’ om over de natuur te spreken, aldus Peter H. Reill in zijn Burgerhartlezing.

En over de natuur spraken ze allemaal, de verlichte filosofen en wetenschappers; de natuur was hun gemeenschappelijke referentiepunt. Maar ze bedoelden er niet allemaal hetzelfde mee. Reill, auteur van Vitalizing Nature in the Enlightenment (2005), richt de blik op wat hij het ‘vitalisme’ van de Verlichting noemt. Het gaat om een interpretatie van de natuur, die haaks staat op het mathematisch-mechanistische natuurbeeld waarmee de Verlichting gewoonlijk wordt geassocieerd. Met de wiskunde vielen de bewegingen van de planeten uitstekend te begrijpen, zoals Newton had laten zien, maar bij de levende natuur of in de chemie kwam je er niet ver mee.

Buffon, de grootste bioloog van de 18de eeuw, keerde zich in zijn Histoire naturelle (de eerste delen verschenen in 1749) dan ook uitdrukkelijk tegen zo’n strikt mathematische aanpak van de natuur. En hij was de enige niet. Om organismen of chemische processen te kunnen begrijpen zagen deze ‘vitalisten’ zich gedwongen de natuur te voorzien van allerlei geheimzinnige ‘krachten’, ‘betrekkingen’ en ‘sympathieën’. Opnieuw werd de natuur een bezield en dynamisch geheel, na ruim een eeuw lang voor een levenloze machine te zijn gehouden.

De romantici zouden de Verlichting later deze ‘machine’ verwijten. Newton had de luister van de regenboog verpest, vond Keats in zijn gedicht Lamia, en Goethe meende dat men de natuur ‘op de pijnbank’ had gelegd. Keats en Goethe richtten zich, al dan niet bewust, slechts tegen een deel van de verlichte wetenschap – uit het andere deel, dat van Reills ‘vitalisten’, kwam hun eigen positie voort. In algemene zin geldt dat laatste voor de hele Romantiek: bijna al haar ideeën, begrippen en categorieën zijn door de Verlichting voorbereid.

Wie de zaak charitatief beoordeelt, zou dus ook niet vreemd mogen opkijken van de wonderlijke combinatie van Verlichting en (deels romantisch) conservatisme, die het hedendaagse neoconservatisme te zien geeft. Dat klopt. Maar om de verbazing te temperen is het wel noodzakelijk dat de Verlichting wordt opgevat als het zeer complexe en in sommige opzichten zelfs innerlijk tegenstrijdige fenomeen dat we bij Reill tegenkomen.

Je hoeft niet eens zo’n gemoedelijke conservatieve cynicus te zijn als ik om te voorspellen dat de huidige neoconservatieven, zeker de politici onder hen, voor deze complexe Verlichting desondanks geen enkele belangstelling zullen opbrengen.