Alles voor Roosje

Onlangs dook een bijna honderd jaar oud album op met tekeningen, composities en gedichten van vijftig bekende kunstenaars. Het album behoorde toe aan Roosje van Lelyveld. Wie was zij? In M een portret van deze Larense patriciërsdochter. Het Singer Museum exposeert het album deze maand.

Eerst was ik jaloers op haar. Op een meisje dat Roosje van Lelyveld heette en dat leefde van 1896 tot 1976. Roosje kwam uit een rijke patriciaatsfamilie. Ze was mooi, geestig en intelligent. Ze woonde in haar jeugd in de naar haar genoemde villa Rozenhoeve in Laren. Ze kreeg leesadviezen van Louis Couperus (‘Lees Ovidius’). De jonge Belgische schilder Floris Jespers was épris van ‘hare lieve verschijning’ die hij niet kon vergeten en Adriaan Roland Holst schreef een ontroerend gedicht over een eenzaam roosje in een leliënveld, waarin hij haar voorhield dat ‘stilte de taal is waarin men elkaar / de diepste geheimen vertelt’.

Het gedicht van Roland Holst staat in een album dat Roosje op 28 september 1911 voor haar vijftiende verjaardag van haar vader kreeg. In de jaren daarna, tussen 1911 en 1918, zouden beeldend kunstenaars, schrijvers en musici de lege albumbladen vullen met tekeningen, aquarellen, gedichten, prozastukjes en composities. Door dit album zou ik Roosje leren kennen. Ze had het album haar hele leven gekoesterd, zo hoorde ik later; als er bezoek kwam haalde ze het vaak trots tevoorschijn en vertelde ze over de kunstenaars die er aan hadden bijgedragen.

Ik zag het album een jaar geleden. Een paar maanden eerder, in mei 2007, was het op de afscheidsveiling van Jan Pieter Glerum verkocht aan Leo Janssen, cultuurwethouder en locoburgemeester van het Gooise dorp Laren. Janssen wilde het album in facsimile uitgeven en hij vroeg of ik er een inleiding bij wilde schrijven. Terwijl ik het album doorbladerde en de tekeningen en aquarellen bekeek van kunstenaars als Floris Arntzenius, Richard Roland Holst, Ferdinand Hart Nibbrig, William Singer, Willy Sluiter, Tony Offermans, Wally Moes en Theo van Hoytema, werd ik steeds nieuwsgieriger. Wie was Roosje van Lelyveld? Wie was dit meisje met ‘haar lichten lach’ en ‘haar vriendelijke snuitje’ zoals de schrijfster Augusta de Wit haar in een gedicht in het album typeerde? Wie waren haar ouders, hoe is haar latere leven verlopen? En wat was haar relatie tot al die kunstenaars – ruim vijftig – die haar album met hun woorden en beelden zo liefdevol hebben opgetuigd?

Fotoboeken

Ik maakte een afspraak met Charles Furstner (77), een van de vier zoons van Roosje, bij wie Jan Pieter Glerum het album in 2006 had aangetroffen. In een serie gesprekken vertelde Furstner mij over het leven van zijn moeder. Naast zijn stoel lag een stapel fotoboeken, documenten en paperassen, die we een voor een doornamen. Om meer te weten te komen over Roosjes vader, de schilder Théodore Bernard van Lelyveld, ging ik in Den Haag naar het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, waar brieven en afbeeldingen van zijn werk worden bewaard.

Théodore van Lelyveld was in 1867 in Nederlands Indië geboren. Voor zijn opleiding werd hij naar Nederland gestuurd. Hij wilde naar de kunstacademie, maar voor een jongen van zijn stand waren er in die tijd eigenlijk maar twee mogelijkheden: de universiteit of de militaire academie. Hij koos voor het laatste en toen hij in 1890 zijn officiersopleiding had afgerond, werd hij benoemd tot luitenant bij de infanterie.

In Den Haag, waar hij gelegerd was, ontmoette hij Dina van Emden, met wie hij in 1892 trouwde. Twee jaar later vertrokken Théodore en Dina – die Dolly werd genoemd – naar Paramaribo, waar Théodore een aanstelling had gekregen als adjudant van de Gouverneur van Suriname. Ze bleven hier tot 1898. Théodore legde hun vier Surinaamse jaren vast in een fotoalbum. Hij fotografeerde de cacaoplantages, het oerwoud, hospitalen, de inlandse bevolking en natuurlijk zijn vrouw, de voluptueuze Dolly in een kanten tropenjurk met twee aapjes op haar schouder. Toen in 1896 hun dochter Rosa Charlotte was geboren nam hij een foto van de stellage vol boeketten voor hun huis in Fort Zeelandia. Daarna zijn er foto’s van Dolly in een Surinaamse Kotto Missiejurk met de kleine Roosje op haar arm.

Théodore van Lelyveld was geen doorsneemilitair. In Suriname richtte hij een soldatentoneelclub op. Hij schreef artikelen over de wantoestanden in het aan Suriname grenzende Frans-Guyana waar de Fransen een strafkolonie voor misdadigers hadden ingericht. En hij schilderde. Zo maakte hij een serie natuurgetrouwe aquarellen van alle orchideeën die hij op zijn tochten door Suriname vond. Ook toen hij in 1898 was teruggekeerd naar zijn Haagse garnizoen bleef hij zich oefenen in het tekenen en schilderen en achteraf lijkt het onvermijdelijk dat er een voortijdig eind zou komen aan zijn militaire loopbaan. In 1902 werd hij na een ‘ernstige val’ afgekeurd voor de dienst. Met die ‘val’ zocht hij het geluk: door zich van de trap te storten maakte hij de weg vrij om kunstenaar te worden. Hij ging in Den Haag en Parijs naar de academie en legde zich toe op het schilderen van landschappen en portretten.

Zijn vrouw Dolly portretteerde hij als een knappe, rijzige dame van wie de gedecideerde blik vreemd contrasteert met haar wulpse houding. Van zijn dochter is maar één door hem geschilderd portret bekend. Het toont een nogal bedrukt kijkend meisje van een jaar of twaalf met een witte lelie in haar hand.

Roosje bewaarde aan dit portret geen prettige herinneringen. Later vertelde ze hoe ze er urenlang doodstil voor had moeten poseren en hoe boos haar vader werd als ze per ongeluk even bewoog.

In 1912 schreef hij aan een vriend: ‘Versta me wel, ik ben een doodvijand van het ultra-moderne.’ Hij moest niets hebben van het kubisme of andere modernistische kunstuitingen. De traditie was voor hem heilig. Théodore van Lelyveld wilde ‘aangename’ schilderijen maken, zoals ook wel blijkt uit de titels van zijn doeken: Nymfenmeertje, Bloemenveld, Damesportret. Hoewel zijn werk soms welwillend werd besproken, zou hij nooit naam maken als schilder. Van Lelyveld zou later vooral herinnerd worden door het boek De Javaansche danskunst dat hij in 1931 publiceerde.

Toen hij Roosje portretteerde was het gezin net naar Laren verhuisd waar Van Lelyveld in de buurt van het huidige Singer Museum door architect Hendrik Elzinga de Rozenhoeve liet bouwen, een landhuis met een groot atelier dat uitzag over de akkers. Het huis stond pal naast het Pension De Linden waar Piet Mondriaan omstreeks 1914 vaak logeerde. Hier zou Roosje van 1907 tot 1917, van haar elfde tot haar eenentwintigste wonen. Net als in Den Haag kende haar vader ook in het ‘schildersdorp’ Laren en het omringende Gooi talloze kunstenaars en schrijvers. Hij was lid van cricket- en tennisclubs en van de Haagse kunstenaarsvereniging Pulchri en buitenshuis stond hij bekend als een aimabel heerschap.

Dagboek

Roosje hield van oktober 1912 tot april 1913 een dagboek bij. In december 1912 zou haar vader voor vier jaar naar zijn geboorteland Indië vertrekken om daar te schilderen. Roosje beschrijft hoe ze met haar ouders het stoomschip De Oranje bekijkt dat hem erheen zal brengen. Verder komt haar vader nauwelijks in het dagboek voor. Ze wist toen nog niet dat hij met zijn vertrek naar Indië voorgoed uit haar dagelijks leven zou verdwijnen. In 1917, kort nadat hij was teruggekeerd, scheidden Théodore en Dolly. Ze waren 25 jaar getrouwd geweest en op de eerste jaren na was het geen gelukkige verbintenis. Ze verlieten Laren en trokken in Den Haag ieder in een eigen huis. Roosje zou tot haar huwelijk in 1920 bij haar moeder blijven wonen.

Het dagboek van de 16-jarige Roosje begint met een reeks ingeplakte menu’s, balboekjes en programma’s van concerten en toneelvoorstellingen. Ook de aantekeningen die daarop volgen zijn een aaneenschakeling van uitjes, etentjes, logeerpartijen en hockeymatches.

In november 1912 wordt ze uitgenodigd door mevrouw Boissevain van het landgoed Drafna tussen Huizen en Bussum om zich aan te sluiten bij ‘een clubje voor het winterseizoen’: om de week zal een groepje jongelui bijeenkomen voor dansavondjes, ‘voordrachten, comediespelen, muziek (...) etc’. Roosje doet er enthousiast aan mee en ze noteert: ‘Voor het eerst gedanst, dolle pret gehad.’ Ze houdt van dansen. In de kerstvakantie logeert ze met haar moeder bij een tante in Den Haag en doet ze uitvoerig verslag van haar eerste echte bal. Het duurt tot diep in de nacht en na afloop wordt ze met haar moeder – die haar altijd chaperonneerde – door een rijtuig met koetsier teruggebracht.

Uit het dagboek is goed af te lezen hoe in die tijd, zonder radio of televisie, mensen elkaar voortdurend opzochten en van alles met elkaar ondernamen. Als Roosje in Laren bij haar hartsvriendin Geertruid Tutein Nolthenius gaat eten, dan schrijft ze: ‘na het eten gezongen, gedanst en thee gedronken’. En als ze met haar moeder in Hilversum logeert bij ‘moeder Mary en Oome Janus’– zoals ze de ouders van Adriaan Roland Holst noemde – dan wordt er gepuzzeld, gebiljart of gekeken naar ‘tooverlantaarnplaten’.

Het dagboek van Roosje geeft de indruk van een onbezorgde jeugd. Het doet, met dat winterclubje, de stoet vriendinnen en de uitjes die allemaal even ‘dol’, ‘heerlijk’ en ‘leuk’ zijn, denken aan het populaire meisjesboek Schoolidyllen dat Top Naeff in 1907 publiceerde. Maar zoals het verhaal van Top Naeff niet zo idyllisch is als de titel suggereert, zo was ook het leven van Roosje geen idylle.

Veel later, in 1955, toen Roosjes ouders kort na elkaar waren overleden, schreef ze een brief aan haar jeugdvriend Adriaan Roland Holst, met wie ze na de oorlog weer in contact was gekomen. Kennelijk had ze hem in die brief vol bitterheid verteld over de moeilijke verhouding die ze vroeger met haar ouders had. Roland Holst antwoordde dat hij niet wist ‘dat je eigen wezen én door je vader én door je moeder in een zoo beklemmende mate te kort werd gedaan (...) gedreven in een akelig nauw van afgedwongen verplichtingen’. Haar brief, zo schreef hij, deed hem terugdenken aan de ‘quasi-gedistingeerde schijnwereld van het Gooi’, waarin ze beiden waren opgegroeid. Adriaan Roland Holst staat ook stil bij de relatie met zijn eigen ouders en vertelt haar waarom hij zelf nooit getrouwd is: voor zijn vijftigste uit egoïsme, daarna uit altruïsme. Hij eindigt met de woorden: ‘veel oud en anti-Gooisch liefs van Jany’.

Waarschijnlijk liet Roosje in haar dagboek alles wat niet ‘dol’ of ‘heerlijk’ was weg omdat ze er rekening mee hield dat haar moeder het zou lezen. Verdriet of verliefdheden komen er niet in voor. Volgens Roosjes zoon Charles was ze altijd min of meer in conflict met haar beide ouders en had ze in haar jeugd geleden onder de bazigheid van haar moeder, die zich voortdurend als een waakhond opstelde. Maar Roosje had veel vrienden en vriendinnen en het lag in haar karakter om naar buiten toe vrolijk en opgewekt te zijn. In haar dagboek liet ze alleen die vrolijke en opgewekte Roosje aan het woord. Dat ze boos was op haar ouders omdat ze niet naar het gymnasium mocht, daar schreef ze niet over. Ze repte niet over haar bewondering voor strijdbare vrouwen als de schrijfster Carry van Bruggen, of Aletta Jacobs, die zich inzette voor de vrouwenemancipatie. En ze liet weg hoe ze zich ergerde aan haar moeder die niets wilde weten van de emancipatie. Toen in Laren suffragettes met handtekeningenlijsten langs de deuren gingen en ook Dolly om een handtekening vroegen, had die om ze te pesten geantwoord: ‘Dat moet ik wel eerst aan mijn man vragen’. Ook die anekdote staat niet in het dagboek.

Toespelingen

Het album dat ze in diezelfde tijd liet volschrijven, -tekenen en -schilderen, bevat wel enkele toespelingen op de conflicten met haar overbezorgde moeder. Roosjes album was geen poesiealbum, het stond alleen open voor kunstenaars. Vrienden en familieleden die geen kunstenaar waren, werden erbuiten gehouden. Maar een enkele keer komt een gedicht in haar album toch in de buurt van een poesiealbumversje. Zo rijmde de dichteres Henriëtte Roland Holst in januari 1914 een reeks goede wensen voor Roosje aan elkaar, waaronder ‘een vriendje dat voldoet aan moeders wensch’. En een half jaar eerder, in juli 1913, had haar man, de schilder Richard Roland Holst, in het album een ‘Schetsontwerp voor een glasraam voor in de kamer van een bakvischje’ gemaakt. Onder de tekst inter folia renata (herboren tussen de bladeren) aquarelleerde hij een symbolische voorstelling van een bloeiend Roosje tussen twee zuilen: links in de verte een smalle zuil waarop ‘papa’ is geschreven, en middenin een forse, dominante zuil met daarop ‘mama’. Die zuil staat pal tussen de rode roos en een aanbidder met pijl en boog die haar vergeefs tracht te raken met zijn liefdespijlen en bittere tranen plengt.

De aquarel is duidelijk: terwijl haar vader in het verre Indië is, houdt in de Rozenhoeve haar altijd aanwezige moeder verliefde jongemannen op een afstand. In een begeleidend briefje schreef Richard Roland Holst over het door hem ontworpen raam: ‘...als ’t zoover is dat ’t uitgevoerd moet worden...!! dan hoor ik ’t wel – voor je ouders hoop ik van nog in lang niet.’

Hij wist kennelijk niet dat Roosjes moeder toen allang verliefde jongemannen van haar dochter weg moest houden. Op haar zestiende ontving Roosje al smachtende liefdesbrieven. Zo schreef een Leidse student op 30 september 1912 hoe haar ogen, en alleen al haar naam, hem ‘in een verrukking’ hadden gebracht. Hij smeekt Roosje om hem een hoekje in haar hart te gunnen, ‘dan weet ik niet meer wat droefheid is, dan zal de Groentijd een triomphtocht zijn van de eene donderjool naar de andere, dan zal ik tot alles in staat zijn’. Hij mijmert over haar ‘lieve kleine voetjes’, hij hoopt dat ze hem zal schrijven ‘dat je me niet belachelijk, onuitstaanbaar vindt, dan heb je (...) een neerslachtige Groen tot een vroolijk student gemaakt’ en hij ondertekent met ‘je bewonderaar, je aanbidder Aug. Hoogendijk’.

Sommige aanbidders van Roosje pakten het diplomatieker aan dan de jonge Hoogendijk. In september 1914, aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, kwam er een stroom Belgische vluchtelingen naar het neutrale Nederland. In Laren en Blaricum werden uitgeweken Belgen opgevangen in leegstaande villa’s. Er werd een gaarkeuken ingericht waar een groep vrouwen, onder wie Roosje, soep voor hen kookte. Een van die vluchtelingen was de kunstenaar Floris Jespers, die zeven jaar ouder was dan Roosje. Ze leerde hem kennen bij de Blaricumse schilder Evert Pieters waar hij onderdak had gevonden. Zoals uit zijn brieven blijkt, bracht hij ook vele ‘aangename uren’ door in de Rozenhoeve.

Kort voordat Jespers wegvluchtte uit Antwerpen had hij daar de dichter Paul van Ostayen ontmoet met wie hij na zijn terugkeer nauw bevriend zou raken. Met Van Ostayen en met zijn oudere broer Oscar Jespers, die beeldhouwer was, hoorde hij omstreeks 1916 tot de eerste groep modernistische kunstenaars in België.

In 1914 stond Floris Jespers nog aan het begin van zijn carrière. In die tijd probeerde hij zich los te maken van het impressionisme en te experimenteren in andere richtingen. Of hij nu circustaferelen of kubistische composities schilderde, zijn werk viel altijd op door het kleurgebruik. Jespers was een groot colorist. Hij zou een van de bekendste Belgische avantgardekunstenaars worden en zijn schilderijen worden ook nu nog vaak geëxposeerd.

Floris Jespers moet meteen hebben begrepen dat hij niet om Roosjes moeder heen kon. Toen hij in oktober 1914 weer naar Antwerpen was teruggekeerd, schreef hij lange en tedere brieven aan ‘Rose’, zoals hij haar noemde. Sommige brieven richt hij aan Roosje en aan haar moeder, meermalen prijst hij haar ‘lieve Mama’ en als hij Roosje vraagt of ze weleens aan hem denkt en of ze hem wil schrijven, ‘wat mij verschrikkelijk veel genoegen zou doen’, vergeet hij niet daaraan toe te voegen: ‘als je lieve Mama het goedvindt’.

Jespers stuurt Roosje foto’s van zijn werk, hij belooft haar tekeningen en schrijft: ‘wat ik beloof, doe ik’, want Roosje bleef voor hem ‘de grootste herinnering uit Laren’.

Puinhopen

Jespers vertelt in zijn brieven aan Roosje uitvoerig over de ellendige toestand in het door de Duitsers bezette Antwerpen en over de vreselijke ravage die de bombardementen hebben aangericht. Hij wil niet ‘in de puinhopen blijven leven’, hij komt moeilijk tot werken, maar in november 1914 heeft hij toch een nieuw schilderij gemaakt, ‘een zicht op de daken met regen, dat komt wel met de stemming nu overeen.’ Steeds weer komt hij terug op de ‘schoone tijd bij mr. Pieters doorgebracht’. Niets, zelfs niet haar eigen dagboek, brengt ons zo dicht bij de jonge Roosje van Lelyveld als de brieven van Floris Jespers. Zo memoreert hij een avond in het atelier van Evert Pieters die hij ‘zou kunnen schilderen’: ‘Mijn broer in den grooten stoel met het rugkussen, ik op de pianostoel, een tabouret in ’t midden met een kopje thee erop, en op de groote lange ateliersofa uzelfs, met donker kleed, en geribd velouren, vaal garancekleurig lijfje, de handen zaamgevouwen op de overeengelegde knieën en de haren als groote juffer opgedaan, in druk gesprek over schilders. Dien avond was voor mij heerlijk, veel te gauw voorbij.’

Of Roosje zijn brieven heeft beantwoord weten we niet, er zijn geen brieven van haar aan Floris Jespers bekend. Ook is niet bekend waar het ‘waterverfschilderijtje’ is van het Landschap met molen dat Jespers voor ‘RvL’ maakte.

Hoe de ‘lieve Mama’ tegenover Jespers stond, is eveneens onduidelijk. Het is goed voorstelbaar dat Dolly, die zelf zo’n ongelukkig huwelijk met een schilder had, haar enige dochter niet aan een Belgische kunstenaar wilde verliezen en ze zal de omgang tussen Floris en Roosje waarschijnlijk niet hebben aangemoedigd.

In augustus 1915 leerde Floris in Antwerpen Olympia Gardien kennen, met wie hij in 1918 trouwde.

Twee jaar later trouwde Roosje met een Haagse jongen van haar stand, de jurist Anne Willem Kymmell. In 1922 kreeg ze een zoon die naar zijn vader Anne Willem werd genoemd. In januari 1926 werd het huwelijk ontbonden. Anderhalve maand later hertrouwde Roosje met de internist Wim Furstner. In de jaren dertig werd hij benoemd tot geneesheer-directeur van het Wilhelminaziekenhuis in Nijmegen en daar gingen ze toen ook wonen. Uit haar huwelijk met Furstner werden drie zoons geboren: Charles Henri (1931), Robert Engelbert (1932) en Albert Jean (1934). Haar oudste zoon Anne Willem Kymmell zag ze alleen als hij kwam logeren. Met haar eerste echtgenoot had ze nauwelijks meer contact, haar tweede man wilde hem niet zien.

Ook met Furstner had Roosje geen rimpelloos huwelijk, er was vaak onenigheid en in de jaren vijftig is ze zelfs een tijdje uit huis gegaan. Haar zoon Charles zegt dat ze zich als vrouw altijd achtergesteld voelde en om tenminste iets te kunnen ging ze na de oorlog een typecursus volgen.

Burgermens

Charles Furstner karakteriseert zijn moeder als een erudiete vrouw met veel gevoel voor humor. Ze hield van koken, van alles wat Frans was en van tuinieren. Ze was deftig en standsgevoelig, ze vond iemand al gauw ‘een burgermens’, maar ze liep niet te koop met haar deftigheid, daar was ze te hartelijk voor en te sociaal. Ze was een aardige moeder, al kon ze ook streng zijn. Ze hield van kunst en ging regelmatig naar musea. Die interesse deelde ze niet met haar man, hij moest niets hebben van beeldende kunst, literatuur of muziek en hij noemde zijn schoonvader altijd geringschattend ‘den artiest’.

Roosje vertelde haar kinderen vaak over haar Larense jaren, over Louis Couperus, Carry van Bruggen en Adriaan Roland Holst en over alle schilders die ze daar had leren kennen. Ze vertelde over de dansavonden in Hotel Hamdorff en over de Belgische vluchtelingen. Maar over Floris Jespers sprak ze nooit.

Het album van Roosje bevat geen bijdrage van Jespers. Dat is vreemd, want in 1914 en de daarop volgende jaren werden er nog meer dan twintig bladzijden van gevuld. Of was op een van de lege pagina’s een werkje van Foris Jespers geplakt dat later verwijderd is? Ook dat zullen we nooit weten.

Het album van Roosje van Lelyveld wordt deze maand gepubliceerd, precies zoals het twee jaar geleden werd aangetroffen door veilinghouder Jan Pieter Glerum. Op een kleine tentoonstelling in het Singer Museum wordt het origineel getoond te midden van de bijbehorende (en tot nu toe onbekende) brieven van kunstenaars en schrijvers aan het ‘bekoorlijke Roosje’, haar dagboek, foto’s en andere documenten.

In het album zijn alle beeldende-kunstgenres vertegenwoordigd: er zijn portretten, figuren en dieren, interieurs, landschappen, stads- en dorpsgezichten. Alleen het naakt ontbreekt, dat zou onbetamelijk zijn geweest.

De nieuwste stromingen uit die tijd, het kubisme, expressionisme en de abstracte kunst, ontbreken eveneens. Alle werkjes zijn figuratief. Waarschijnlijk had dit te maken met het feit dat Roosjes vader niets zag in de toenmalige nieuwlichterijen in de kunst en dat gold ook voor de meeste van zijn schildersvrienden. Het werk van schilders als Piet Mondriaan of Bart van der Leck, die omstreeks 1916 allebei in Laren woonden, moet hem, als hij het gezien heeft na zijn terugkeer uit Indië, met afkeer hebben vervuld.

De meest ‘moderne’ schilders in het album zijn Richard Roland Holst, die met zijn socialistische wandschilderingen naar een nieuwe kunstvorm zocht, en Ferdinand Hart Nibbrig en H.J. Wolter, die allebei experimenteerden met het schilderen in kleurtoetsjes en stippen in plaats van streken.

Een paar keer figureert Roosje zelf in het album. Symbolisch, als bloem, in de aquarel van Richard Roland Holst en in het gedicht dat Adriaan Roland Holst voor haar schreef. Maar ook één keer als de echte Roos.

In 1911 maakte Willy Sluiter in het album een aquarel van een heer met wandelstok en een jongedame met een hazewindhondje. De man is ongetwijfeld Sluiter. Hij draagt een groen hoedje waar Roos hem vaak mee plaagde, zoals uit zijn brieven blijkt. Het meisje op de aquarel dat met een nog mallere hoed op haar hoofd guitig tegenover hem staat, dat is Roosje van Lelyveld zelf.

Het album van Roosje van Lelyveld, Singer Museum, Oude Drift 1 Laren, 19 oktober-22 maart, di t/m zo 11-17 uur. De facsimile uitgave van het album kost € 49,90