Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

Politiek

Politiek en zelfdoding

Gisteren heeft de Tweede Kamer over zelfdoding gedebatteerd. Formele aanleiding was het ‘suïcidebeleid’ van minister Klink (Volksgezondheid, CDA). Politiek is het thema aangedragen door Kamerlid Voordewind (ChristenUnie), die het een „groot maatschappelijk probleem” vindt.

Volgens de ChristenUnie is het terugdringen van zelfdoding een taak van de overheid. Dat kan geen verrassing zijn. Deze confessionele partij beschouwt het leven van de mens immers als een geschenk van God, waarover de mens zelf niet kan en mag beschikken. Die opvatting heeft ze niet opgegeven toen ze toetrad tot het kabinet-Balkenende IV. Het is de kleinste coalitiepartner ook niet kwalijk te nemen dat ze haar wippositie gebruikt om politieke invloed te verwerven. Dat neemt niet weg dat de Tweede Kamer niet mee moet gaan met de redenering van de ChristenUnie, hoe gepast compassie met suïcidale mensen is.

Er zijn politieke én emotionele redenen voor terughoudendheid bij de overheid.

Zelfdoding is in Nederland, vergeleken met andere postindustriële landen en anders dan Voordewind meent, geen groeiend maatschappelijk probleem. Het aantal suïcides is in Nederland stabiel. Circa 1.500 suïcides per jaar betekent dat bijna vijf mensen per dag een einde aan hun leven maken en een veelvoud nabestaanden met hun verdriet, zelfverwijt of woede achterblijven. Dat zijn er vijf te veel. Maar in Duitsland, Frankrijk en België liggen de cijfers hoger. Om maar te zwijgen van landen als Finland, Hongarije en Japan.

Bovendien zijn niet al die 1.500 suïcides hetzelfde. De zelfdoding van een oudere, die het eigen leven overziend besluit dat de toekomst geen zin meer heeft en het einde zoekt met de ‘pil van Drion’, is niet te vergelijken met de suïcide van iemand die psychotisch is, lijdt aan een bipolaire stoornis of zich chronisch depressief voelt.

Ook de verhouding tussen ‘dader’ en omgeving is niet identiek. Na een weloverwogen ‘balanssuïcide’ kunnen nabestaanden de daad nog ervaren als onvermijdelijk. In andere gevallen worden verwanten heen en weer geslingerd tussen schuldgevoel en woede over een daad die niet alleen een uiting is van diepe eenzaamheid maar soms ook van agressie.

Bijna altijd is suïcide een persoonlijke ramp. Hoe meer impulsieve zelfdodingen worden voorkomen, des te beter. Verschillende maatschappelijke geledingen kunnen hierbij een rol spelen, van de spoorwegen en de politie tot de geestelijke gezondheidszorg. De overheid op haar beurt kan daarbij faciliteren met regelgeving, middelen en inspectie. Klink liet daarover gisteren geen misverstand bestaan. Maar de bewindsman hield de Kamer terecht voor dat de „centrale regie” niet bij de staat ligt. Zoals een psychiatrische behandeling geen blauwdruk voor geluk is, kan de overheid geen zorgeloze ziel garanderen.

Uiteindelijk is zelfdoding helaas de laatste én naarste vorm van individuele zelfbeschikking. Zoals de overheid geen verantwoordelijkheid kan dragen voor het geluk van mensen, moet ze ook terughoudend zijn als het gaat om de finale lotsbestemming van ongelukkige mensen.