Geef 'rekenzwakke' basisscholier de staartdeling terug

Bijna een kwart van de basisschoolkinderen rekent slecht. Het komt door onderwijsvernieuwing, zegt de hoogleraar. Nee, zegt de vernieuwer. Het valt of staat met de onderwijzer.

De definitieve doodklap voor het rekenonderwijs kwam in 2001/2002, zegt Paul van Dam, voormalig hoofd van de afdeling basisonderwijs van het Cito.

Toen werd de euro ingevoerd en werden alle oude rekenmethodes op de basisschool vervangen door nieuwe. Het effect is nu zichtbaar, zegt Van Dam. Gisteren maakte de Inspectie van het Onderwijs bekend dat bijna een kwart van de scholen in het primair onderwijs ‘rekenzwak’ is. Het ministerie van Onderwijs heeft een onderzoek gelast en heeft 1,8 miljoen euro beschikbaar gesteld voor ‘verbetertrajecten’.

Het is nog veel erger met het rekenonderwijs dan de inspectie zegt, zegt hoogleraar wiskunde Jan van de Craats van de Universiteit van Amsterdam. „De conclusies van de inspectie zijn gebaseerd op Citotoetsen. Die zijn heel gemakkelijk. Het niveau komt niet uit boven ‘zes plus vijf’ en ‘453 afronden op hele honderdtallen’. Een gewone rekensom wordt niet meer gevraagd. Dat een kwart van de basisscholieren díé toetsen niet meer kan maken, wil zeggen dat het niveau om te huilen is.”

Volgens Van de Craats en Van Dam komt het allemaal door het ‘realistisch rekenen’, dat in de jaren tachtig werd ingevoerd. Vroeger werd kinderen optellen, aftrekken en vermenigvuldigen geleerd op een blaadje met de getallen onder elkaar, en delen met een staartdeling. In de jaren tachtig bedacht men dat dit zogeheten ‘cijferen’ te abstract was. Kinderen moesten meer inzicht krijgen in verhaal áchter de berekening. Daarom werd hun schatten geleerd, en meer uit het hoofd rekenen. Er kwamen meer verhalen rondom sommen. In plaats van de staartdeling kwam bijvoorbeeld de ‘hapmethode’, waarbij geschat wordt hoeveel keer een getal in een groter getal past.

Het goede van de nieuwe methodes is dat ze sprekend zijn en dat er mooie plaatjes in de boeken staan, zegt Van de Craats. Het nadeel is dat kinderen uren gaan zitten piekeren op eenvoudige opgaven als 46+72. „Tegenwoordig mogen kinderen op school amper nog rekenen op een blaadje. Optellen, vermenigvuldigen, delen en aftrekken kunnen ze niet meer. Ze kunnen in het voortgezet onderwijs niet meer meekomen.”

Ouders hebben geen idee hoe slecht hun kinderen leren rekenen, zegt Van de Craats. „Die komen daar pas achter in groep zeven, acht.” Hij krijgt dagelijks mailtjes van verontruste ouders die zeggen machteloos te staan. „Ouders krijgen soms briefjes van school waarop staat dat ze hun kinderen niet mogen helpen met rekenen volgens traditionele methodes, omdat het kind dan in de war raakt. Mijn zus had haar kind zelf de staartdeling geleerd. De volgende dag hing de juf woedend aan de lijn. Dat is toch waanzin.”

Een van de ontwikkelaars van de nieuwe rekenmethodes is het Freudenthal Instituut, een aan de Universiteit Utrecht gelieerde instelling die het reken- en wiskundeonderwijs onderzoekt en beoogt te verbeteren. Hoogleraar-directeur Jan van Maanen vindt dat „critici extremen schetsen van het huidige rekenonderwijs”. Van duizend scholen zijn er misschien tweehonderd die overwegend diverse strategieën aanleren om een som op te lossen. „Op de meeste scholen is er wel degelijk aandacht voor de onderliggende regels bij berekeningen, zeker voor leerlingen die zwak rekenen.”

Over het rapport van de inspectie is Van Maanen ook kritisch. „De algemene conclusie is te veel gebaseerd op de meningen van die critici. Je zou eigenlijk alleen het middelste deel van het rapport, het eigen inspectieonderzoek, moeten lezen. Dat is wél neutraal.”

Kinderen begrijpend leren rekenen kost inderdaad iets meer tijd, zegt Van Maanen. „Maar het levert wel jonge mensen op die zelfstandig iets presteren. Verkijk je niet op de zeer negatieve ervaringen van de huidige veertigers en vijftigers, die onder het juk door zijn gegaan van ‘je hoeft niet te begrijpen wat je doet, het gaat om het goede antwoord’ en die keer op keer het goede antwoord niet vonden.” Volgens Van Maanen worden de rekenproblemen op basisscholen eerder veroorzaakt door „onervarenheid van leerkrachten” dan door het realistisch rekenen.

Het ministerie zegt dat het „geen mening” heeft over welke rekenmethode het beste werkt. Daarom komt er nu ook een onderzoek naar rekenmethoden. De uitkomsten daarvan zijn bedoeld als „handreiking aan scholen”, zegt een woordvoerder.

Oud-Citoman Van Dam vindt dat onderzoek onzin. „We weten dit toch allemaal al lang. Ook wat de oorzaak is. De commissies-Meijerink en -Dijsselbloem hebben al gezegd dat het onderwijsniveau gedaald is, de minister heeft gezegd dat het komt door onderwijsvernieuwing. Zelfs de inspectie, die nota bene altijd het realistisch rekenen op scholen en bij leerkrachten heeft gepropageerd, zegt nu dat het anders moet! Ik zou zeggen: laten we nieuwe rekenboekjes maken.”

Van de Craats is al begonnen. Hij is lid van een stichting die een nieuwe rekenmethode ontwikkelt. Ook hij verwacht weinig van het onderzoek van het ministerie. Hij zegt dat álle methodes die worden onderzocht uitgaan van realistisch rekenen. „Ze zijn alle zes even slecht, dus wat heeft het dan voor zin ze te gaan vergelijken.”

En stel dat blijkt dat er nieuwe methodes moeten komen, zegt Van Dam, dan duurt het nog heel lang voordat scholen die kunnen invoeren. „De meeste scholen moeten tien jaar met een methode doen voordat ze het geld hebben om deze te vervangen.”

    • Derk Walters
    • Japke-d. Bouma