Roekel - Wolfheze

Carillonklanken verklaren het gebrom van passerende auto’s overbodig en juichen de zon toe. Die kietelt vanuit een wolkjesloze hemel de stramme stammen van de sparren. Bomen hebben humor. Ze doen wel deftig, maar intussen gooien ze met blaadjes en steken ze hun takken alle kanten op. De sparren grijpen de lange bundels licht aan om dampende grapjes te verkopen, het loofhout ruist mee.

In de lagere regionen heeft de zon een hoop werk aan de braamstruiken, de halmen hoog en de halmen kort, de bosbesstruiken, het mos met de lichtgroene sterretjes, de vrachten gele knoopjes van het boerenwormkruid, en het duizendblad met zijn ijle witte bloemetjes. Alles is kletsnat en alles wordt gepoetst, zodat het ginnegapt en zoet gaat geuren.

Er glijdt een zandpad van jewelste voor me uit, nog vochtig van de avondregen die putjes achterliet. Het doorkruist het Mosselsche Veld. Een rij paardenhoofden tekenen de rand van de glooiing uit. Welgemikte plukjes berk benadrukken de ruimte.

Klassiek plompe vliegtuigen vliegen over. Verderop zakt een zwerm parachutisten achter de bomen. „Daar wordt de Slag om Arnhem herdacht’’, weet een man met een onverwoestbaar kindergezicht te vertellen. „Er komen duizenden mensen op af.’’

Hier is ook wel wat volk, maar lang niet zo veel en men komt noch gaat ergens op af, men wandelt. Een uitzichtpost geeft overzicht. Zware grote-grazerstieren banjeren over het veld, en alweer paarden. „Dat witte paard is voor de ridder’’, zegt man. Hij heeft het tegen mij, ik houd van zulke ideetjes, weet hij. Maar een meneer laat weten dat het zo niet zit: „Er zijn wel meer witte paarden, hoor.’’

In het bos dat Planken Wambuis heet (wat een vreemde naam is, want met een doodkist heeft dit groeihout niets te maken), wijst man op twee gave eieren in het gras. Ze liggen dicht tegen elkaar aan, stevig, rond.

Te rond. Dit zijn geen eieren, dit zijn stuifzwammen.

„Waar doen die je aan denken?’’

„Aan een heel mooi decolleté.’’

Het pad passeert open plekken tussen de bomen, een soort kommen in het bos waar de heide nog volop paars is. Mestkevers steken over. Soms staat er een stil en wuift met een gespleten handje.

Op het bruine heideveld dat volgt sponnen spinnen plateautjes tussen de struikjes. Langs het spoor (toegift voor de liefhebber van romantisch geraas: treinengedender) leidt de route naar Wolfheze. Een man en een vrouw steken de spoorwegovergang over. Ze hebben elk een grijze wolfhond aan de lijn.

Joyce Roodnat

16 km. Kaarten 68, 69 uit: Veluwe zwerfpad. Uitg. Nivon, Amsterdam, 2006. OV: trein van station Wolfheze naar station Ede-Wageningen, daar rijdt bus 108s naar De Roekel (halte ’s Heeren Loo).