Rechtse partijen pleiten voor individuele vrijheid en laten links sprakeloos achter

Nieuwlinks en nieuwrechts denken in grote lijnen hetzelfde over individuele vrijheid. De huidige culturele en politieke conflicten gaan dan ook niet daarover, maar om de vraag hoe om te gaan met groepen die weigeren om individuele vrijheid boven al het andere te plaatsen.

Dick Houtman en Peter Achterberg zijn als hoogleraar Cultuursociologie respectievelijk postdoconderzoeker verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Jan Willem Duyvendak is hoogleraar Algemene Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Deze bijdrage is gebaseerd op hun hoofdstuk ‘De verhitte politieke cultuur van een ontzuilde samenleving’ in ‘De grote kloof. Verhitte politiek in tijden van verwarring’.

Afgaande op berichten op internetfora geldt Rita Verdonk voor veel Nederlanders als ‘een fantastisch politicus, die honderd procent gelijk heeft’, ‘een persoon, die ideeën belichaamt waar een groot aantal Nederlanders voor staat’ en ‘een van de weinigen die de realiteit onder ogen ziet’. Zij vinden haar ‘een aardige, innemende, humorvolle vrouw’, ‘een prachtmens’, ‘een geweldig mens’, ‘een topmens’, ‘een topwijf’. Anderen karakteriseren Verdonk daarentegen als ‘een ijzeren Hein’, ‘een soort niet-grappige Borat’, ‘een populistische oproerkraaister’, ‘één van de meest ranzige ministers die we ooit hebben gehad’ en ‘een omhoog gevallen cipier’. Waar bewonderaars van haar ministerschap van Vreemdelingenzaken en integratie in het kabinet-Balkenende II (2003-2006) repten over ‘de enige echte vent in het kabinet’, karakteriseerden tegenstanders haar als ‘een nare man’ of ‘een eikel’. Als persoon is zij volgens de laatsten ‘een heethoofd met een koud hart’, ‘een ijskoud kil onmens’ en ‘een regelrecht gevaar voor mens én maatschappij’; als politica ‘een charlatan’, ‘een ongeleid projectiel’, ‘een brokkenpiloot’, ‘een politica die polariseert’.

Als deze sterk uiteenlopende kwalificaties op internet een ding duidelijk maken, dan is het wel dat Rita Verdonk, overigens net als haar ex-VVD-collega Geert Wilders, tot de meest populaire én de meest gehate politici van Nederland behoort. Gematigde en genuanceerde oordelen over Verdonk en Wilders zijn opvallend zeldzaam: wie niet voor hen is, is tegen hen. Hieraan is uiteraard vooral hun harde opstelling inzake immigratie en integratie debet. De polarisatie rond deze vraagstukken markeert de doorbraak van nieuwrechts in de Nederlandse politiek. Deze doorbraak vond plaats met de stormachtige opkomst van Pim Fortuyn in het historische verkiezingsjaar 2002. In maart van dat jaar behaalde Fortuyn met Leefbaar Rotterdam niet minder dan 35 procent van de stemmen bij de Rotterdamse gemeenteraadsverkiezingen en bij de daaropvolgende Tweede Kamerverkiezingen in mei met de Lijst Pim Fortuyn (LPF) 17 procent, goed voor maar liefst 26 zetels.

Hoewel Fortuyn deze laatste overwinning zelf niet meer heeft mogen meemaken, hoewel zijn eigen LPF inmiddels ter ziele is, en hoewel de politieke dagkoersen van degenen die strijden om zijn politieke erfenis fors fluctueren – niet zo lang geleden gooiden ook Hilbrand Nawijn, Peter R. de Vries en Marco Pastors nog hoge ogen in de peilingen –, is sindsdien duidelijk dat zich ter rechterzijde van de VVD een aanzienlijk kiezerspotentieel heeft ontwikkeld. Dat bleek uit het verkiezingsresultaat van Geert Wilders’ PVV bij de Tweede Kamerverkiezingen van november 2006 (negen zetels) en ook uit de 620.555 VVD-kiezers die een voorkeurstem op Rita Verdonk uitbrachten – bijna 70.000 meer dan op lijsttrekker Mark Rutte. Deze uitslag leidde tot aanzienlijke spanningen binnen de VVD die, zoals bekend, in september 2007 culmineerden in de verwijdering van Verdonk uit de Tweede Kamerfractie en de oprichting van haar eigen beweging Trots op Nederland.

De opkomst en electorale doorbraak van nieuwrechts hebben ingrijpende politieke gevolgen. De meest in het oog springende zijn de volgende: de aanwezigheid van nieuwrechts laat in de eerste plaats zien dat de maatschappelijke onderlaag niet (meer) links maar rechts stemt, terwijl tegelijkertijd de bovenlaag zich steeds meer naar links blijkt te bewegen. Ten tweede blijkt links het lastig te hebben met de bestrijding van nieuwrechts, wat vooral komt doordat nieuwrechts hier te lande deels uit hetzelfde ideologische vaatje als links tapt.

‘Pim zei wat wij dachten’: een rechts stemmende maatschappelijke onderlaag

Anders dan in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk of de Scandinavische landen stemde in de jaren vijftig in Nederland de maatschappelijke onderlaag nauwelijks linkser dan de maatschappelijke bovenlaag. Dat kwam doordat destijds voor bijvoorbeeld katholieke werklieden hun klassenbelangen minder zwaar wogen dan hun religieuze identiteit. Daarom stemden zij dus, net als hun katholieke patroons, KVP in plaats van PvdA. Inmiddels een halve eeuw later bestaat in Nederland, alle secularisering en ontzuiling ten spijt, nog steeds geen noemenswaardige relatie tussen klassenpositie en stemgedrag. Dat komt doordat de culturele polarisatie van weleer heeft plaatsgemaakt voor een, sinds de jaren zestig opgekomen, radicaal geseculariseerde nieuwe culturele tegenstelling. Centraal hierin staan niet langer de levensbeschouwelijke tegenstellingen van weleer, maar meningsverschillen over hoe om te gaan met cultureel verschil in het inmiddels goeddeels post-christelijke Nederland.

De stemmen op Fortuyns LPF in 2002 waren overwegend afkomstig uit de maatschappelijke onderlaag. Ze waren echter niet ingegeven door de wens tot economische herverdeling maar door een verlangen naar een stabiele, ordelijke en voorspelbare samenleving. Dat zo’n verlangen kenmerkend is voor de maatschappelijke onderlaag is op zichzelf geen nieuws. De twee jaar geleden overleden Amerikaanse politiek socioloog Martin Lipset publiceerde bijvoorbeeld al in de jaren vijftig over het ‘autoritarisme van de arbeidersklasse’. Dat een dergelijk autoritarisme niet voortkomt uit klassengebonden economische belangen, maar uit een nauw met een laag opleidingsniveau verbonden gebrekkige culturele bagage – ‘cultureel kapitaal’, in de terminologie van de Franse socioloog Pierre Bourdieu – blijkt eveneens uit een aanzienlijke hoeveelheid onderzoek. Nieuw is slechts dat de invloed van dit autoritarisme op het stemgedrag steeds meer is toegenomen onder invloed van een groeiend maatschappelijk onbehagen, dat eerst werd aangewakkerd door secularisering en ontzuiling en vervolgens verder versterkt door globalisering en immigratie.

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van mei 2002 stemden veel laagopgeleiden op grond van hun autoritaire opvattingen op de LPF, terwijl de ‘tolerante’ opvattingen van hoogopgeleiden hen juist bewogen tot stemmen op GroenLinks. In contrast hiermee stemden de kiezers op PvdA of VVD wel min of meer volgens hun klassenbelang: laagopgeleiden voor de sociaal-democraten, hoogopgeleiden voor de VVD.

Klassengebonden en cultureel stemgedrag bestaan dus naast elkaar en werken tegen elkaar in. De maatschappelijke onderlaag is geneigd om op economische gronden op linkse partijen te stemmen (PvdA) en op culturele gronden juist op rechtse (LPF/PVV). Omgekeerd zijn de (hogere) middengroepen geneigd om vanwege hun klassenbelangen op rechtse partijen te stemmen (VVD) en op culturele gronden juist op linkse (GroenLinks). Dat de SP de laatste tijd goed scoort komt mede doordat zij een cultureel-conservatieve agenda verbindt met een progressieve sociaal-economische opstelling.

De verwarrende verkiezingsuitslagen die voortvloeien uit het ontbreken van een eenduidige relatie tussen klassenpositie en stemgedrag vormen dus, anders dan vaak wordt gesuggereerd, géén bewijs voor het bestaan van een groot aantal zwevende kiezers – net zomin als het dat ten tijde van de verzuiling deed. Het betekent evenmin dat tegenwoordig geen sprake meer is van klassengebonden stemgedrag. Het laatste bestaat nog wel degelijk, maar wordt net als ten tijde van de verzuiling tegengewerkt door een ongeveer even sterk en ‘omgekeerd’ cultureel stemgedrag. Destijds was de levensbeschouwelijke polarisatie hiervoor verantwoordelijk, tegenwoordig de nieuwe culturele polarisatie rond autoritarisme.

Nederland week ten tijde van de verzuiling af van de ons omringende landen. Terwijl godsdienst hier zo’n belangrijke politieke rol speelde dat een groot deel van de arbeidersklasse confessioneelrechts stemde, kozen in het buitenland arbeiders vaak en masse voor links. Nederland is echter niet langer een anomalie, we lijken een normaal land geworden. In talloze andere Europese landen stemt de maatschappelijke onderlaag immers, net zoals bij ons, tegenwoordig overwegend voor nieuwrechtse partijen. Culturele overwegingen hebben in het stemhokje in veel landen de economische overvleugeld. Maar dat betekent nog niet dat Nederland in alle opzichten ‘normaal’ is geworden.

De vrijheid van Nekschot en het probleem van links

Het Nederlandse nieuwrechts van Wilders’ PVV en Verdonks TON bedient zich namelijk niet van ‘ouderwetse’ retoriek, maar werpt zich nadrukkelijk op als verdediger en pleitbezorger van een postchristelijke cultuur, waarin niet langer te tornen valt aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, de aanvaardbaarheid van homoseksualiteit en de vrijheid van meningsuiting. Nieuwrechts put daarmee, opmerkelijk genoeg, ten dele uit dezelfde traditie als bijvoorbeeld GroenLinks, de homobeweging en de tweede golf van de vrouwenbeweging – een traditie die wortelt in de zogenoemde ‘tegencultuur’ van de jaren zestig en zeventig, toen jongeren uit de middenklasse meer vrijheid en zelfbeschikking, verdergaande democratisering en meer ruimte voor ooit als afwijkend beschouwde identiteiten opeisten. Het ethos van deze tegencultuur is sinds de jaren zestig in hoog tempo doorgedrongen tot de culturele hoofdstroom, zodat in Nederland inmiddels een breed gedragen progressieve consensus bestaat, waarbinnen niet alleen (nieuw) links, maar uitdrukkelijk ook nieuwrechts afstand neemt van religieus moralisme en bedilzucht.

Dat afgelopen dinsdag uitkwam dat Rita Verdonk lid is geweest van een aan de PSP gelieerde vrouwengroep hoeft eigenlijk niet te verbazen. Er bestaat een grote inhoudelijke verwantschap tussen nieuwlinks en nieuwrechts als het gaat om kwesties als vrouwenemancipatie of, iets algemener geformuleerd: individuele vrijheid. De hedendaagse culturele en politieke conflicten gaan dan ook niet over het belang van individuele vrijheid, want daarover is men het in de postchristelijke politiek roerend eens – letterlijk van GroenLinks tot en met Wilders’ PVV en Verdonks Trots op Nederland. Ze draaien veeleer om de vraag hoe om te gaan met groepen die weigeren om individuele vrijheid boven al het andere te plaatsen. Het belangrijkste verschil is dan ook allang niet meer dat tussen mannen en vrouwen of dat tussen homo’s en hetero’s, maar dat tussen ‘moslims’ en ‘Nederlanders’.

Het meest in het oog springende gevolg van de nieuwrechtse wind is immers dat ‘integratie’ de afgelopen jaren in Nederland steeds meer in culturele termen wordt opgevat – als het zich door allochtone migranten (lees: moslims) eigen moeten maken van de belangrijkste culturele verworvenheden van ‘de’ westerse cultuur: de individuele vrijheidsrechten. Politici maakten zich de afgelopen jaren druk over radicaliserende moslims, imams die vrouwelijke ministers de hand weigeren te schudden, hoofddoekjes, boerka’s en boerkini’s, immigratie, integratie en inburgering. Hierbij vormen conflicten over de vrijheid van meningsuiting vaak het heetste hangijzer – denk aan Theo van Gogh, de Deense Mohammed-cartoons, de homo-Mohammed-foto’s van de Nederlands-Iraanse fotografe Sooreh Hera, of de cartoons van Gregorius Nekschot.

Nieuwrechts onderscheidt zich hierbij van nieuw links door zijn radicale ontkoppeling van individuele vrijheid en aanvaarding van cultureel verschil – principes die links vanouds beschouwt als twee kanten van dezelfde medaille (je staat voor je eigen mening maar je bent ook tolerant ten opzichte van iemand die een andere mening huldigt). Vrijheid van meningsuiting, zo luidt echter het nieuwrechtse standpunt, impliceert helemaal niet iets softs als ‘tolerantie’: ‘wij’ moeten zo ongeveer alles kunnen zeggen – of het nu storend of aanstootgevend is voor moslims of christenen of niet – terwijl zij zich moeten aanpassen. Hierbij wordt dus respect voor traditionele religieuze identiteiten ondergeschikt gemaakt aan de vrijheid om onbelemmerd in het openbaar de eigen mening te uiten, waarmee de vrijheid van meningsuiting sluipenderwijs is veranderd in het recht om anderen, vooral moslims, te beledigen en publiek te vernederen. Bovendien blijkt het recht op vrijheid van meningsuiting niet voor iedereen gelijkelijk te gelden, want oh wee de moslim die publiekelijk wil getuigen van zijn of haar geloof.

Dat politiek links merkbaar moeite heeft met het vinden van een overtuigend tegengeluid komt doordat de erfenis van de jaren zestig zo overduidelijk doorklinkt in de nieuwrechtse retoriek over moslims en islam: ‘Moslims moeten eigenlijk net zo progressief worden als wij: ze moeten hun vrouwen meer vrijheid en onze vrouwen meer respect geven, ze moeten onze homo’s met rust laten, en ze moeten van onze vrijheid van meningsuiting afblijven’. Het zijn argumenten waarop links niet gemakkelijk afwijzend kan reageren. Precies het gegeven dat nieuwrechts zonder veel tegengeluid de progressieve consensus vertolkt, zorgt er voor dat nieuwrechtse politici nauwelijks meer een blad voor de mond nemen en op steeds luidere toon claimen ‘de mening van het volk’ te verkondigen. Nieuwlinks, daarentegen, blijft min of meer sprakeloos achter. Vrijheid van meningsuiting is een groot goed, klinkt het aarzelend, maar hoe te voorkomen dat zij uitmondt in een verregaande pathologisering van identiteiten die kritisch tegenover de postchristelijke en moreelprogressieve culturele hoofdstroom staan?

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Bundel

Het artikel Rechtse partijen pleiten voor individuele vrijheid en laten links sprakeloos achter (Opinie & Debat, 27 en 28 september, pagina 2 en 3) komt uit de nieuwe bundel ‘De grote kloof ; verhitte politiek in tijden van verwarring’. Verzuimd werd te vermelden dat deze bundel is geredigeerd door Bart Snels en Noortje Thijssen van het Wetenschappelijk bureau van GroenLinks (Boom, 2008).