Lege ether

Operadio 1925 Foto Louk Roell
Operadio 1925 Foto Louk Roell Roell, Louk

Geen treuriger gevoel dan de weg weten in een huis dat niet meer bestaat, schreef Rudy Kousbroek. Maar de getrainde hypochonder kan moeiteloos erger bedenken: youtubend verliefd worden op een filmsterretje dat al een halve eeuw dood is, bijvoorbeeld. Op Google Earth ontdekken dat het zwembad waar je als puber de zomer doorbracht is weggebulldozerd. Na veertig jaar eindelijk het grammofoonplaatje afspelen die je ouders bij de militaire welzijnszorg hadden ingesproken. De bal terugvinden die wijlen de hond had zoekgemaakt. Er is zoveel.

In Amstelveen woont een heer die terugverlangt naar Hollandse wolkenluchten zonder de woekering aan vliegtuigsporen die vandaag de dag het aanzien van de hemel bepaalt. Hij woont er onder de rook van Schiphol en van lieverlee is zijn zoete nostalgie vermengd geraakt met bittere woede. Elke dag maakt hij een foto van een lucht die niet is zoals hij wil en elke dag zet hij die op internet. Daarna belt hij het KNMI om de dienstdoende meteorologen in te peperen dat zij stelselmatig de condenssporen negeren waar hij zijn zo’n last van heeft. In hun weersverwachtingen en in hun weersbeschrijvingen. Maar zij willen zijn leed niet voelen.

De AW-redactie kan op moeilijke momenten fel terugverlangen naar de tijd dat er nog geen radio-uitzendingen plaats vonden. Geen AM, geen FM en zelfs geen ongemoduleerde morse. Geen gekwek, geen gekwaak. Stel je de sensatie voor als je de afstemknop langzaam van links naar rechts draaide, van een golflengte van 10 meter langs de brede middengolf naar de geheimzinnige langegolf met lengtes van wel 1.000 of 10.000 meter. En alles zweeg.

Of viel daar toch iets te beluisteren? Hoe klonk ‘den aether’ toen daar voor het eerst door de mensheid op werd afgestemd en wanneer was dat eigenlijk? Nooit hoor je daar iets over.

Met wat trial-and-error is bij benadering wel het tijdstip te vinden waarop het gebeurd moet zijn. Als er geluisterd werd moest er iets zijn waaraan te luisteren viel en dat kon toen in principe zowel een koptelefoon of een luidspreker zijn. De koptelefoon, een licht aangepaste telefoon, was er in principe al rond 1876 toen Bell zijn eerste telefoonverbinding legde. (Mr. Watson - come here - I want to see you.) Maar toen was er nog lang geen radio.

Wanneer vond de eerste radiouitzending plaats waarnaar door een mens geluisterd werd? Daar valt niet makkelijk een eenduidig antwoord op te geven omdat voor de eerste uitzendingen gebruik werd gemaakt van krachtige ‘spark-gap transmitters’ (vonkzenders, dus echte Funkgeraete) die over een heel breed frequentiegebied uitzonden en op afstand een ontvangtoestel (‘telegraph register’) beïnvloedden. Voor zover dat in korte tijd duidelijk werd, werd er pas een paar jaar nadat de signalen à la Marconi als morsesignalen werden verstuurd naar die signalen geluisterd. Met een koptelefoon. Waarschijnlijk was dat al vóór 1900, want in dat jaar, schrijft een mooie Wikipedia over ‘History of radio’, kwam Reginald Fessenden tot ‘a weak transmission of voice over the airwaves’. Er valt aan toe te voegen dat de Rus Alexander Popov in 1894 het gebruik van radio als onweersdetector demonstreerde waarbij, zou je denken, een koptelefoon onontbeerlijk was.

Nu, het steekt niet op een paar jaar. Hoe klonk de ether rond 1900 zonder reguliere radio-uitzendingen? Het is verleidelijk er weemoedig over te doen maar waarschijnlijk was het een herrie van belang, vooral in dichtbebouwde omgeving. Rond 1900 was immers al een veelheid van apparaten in gebruik dat onbedoeld net zo vonkte als de vonkenzender. De automotoren volgens Otto hadden bougies, onderbrekerpuntjes en verdelers die zó krachtig vonkten dat ze, bij wijze van spreken, een paar huizenblokken verderop de ether in de war brachten. De elektromotoren die ventilatoren, liften en fabrieksmachines aandreven hadden koolborstels die regelmatig inbrandden van het zware vonken. Denk ook aan de elektrische schel met zijn zelfonderbrekend contact. En aan de woest vonkende booglampen (koolspitslampen) die later nog populair werden in de bioscoop. Stuk voor stuk stoorden ze als de hel, omdat nooit iemand aan ontstoren had gedacht. Omdat er geen storing viel waar te nemen.

Ziehier de ironie: voor de ether flink kon worden volgepompt met radio-uitzendingen die niemand wenste moest hij worden gereinigd van uitzendingen die niemand bedoelde. Goedbeschouwd is de totale ontstoring pas in de jaren zestig tot stand gekomen. Toen was het al bijna niet meer nodig.

Blijft toch de vraag wat Napoleon op Sint Helena had gehoord als hij daar een goed radiotoestel had gehad. Niet niets, want er zijn altijd wel onweersbuien, atmosferische storingen en geomagnetische stormen die gekraakt teweeg brengen. De radiobronnen in de Melkweg schijnen op heel hoge frequentie (korte golf) uit te zenden. Karl Jansky van Bell Telephone hoorde de ‘faint steady hiss’ die uit de hoek van het sterrenbeeld Boogschutter kwam in 1931 op een golflengte van ongeveer 14,6 meter. Grote Reber vond wat later signalen op 1,9 meter maar ontdekte ook kosmische radiobronnen die op de middengolf uitzenden. Je ontvangt ze op Tasmanië, maar niet op Sint Helena.

Maar klonk er nog meer op de maagdelijke ether dan zon, sterren en onweer? Daarop had internet afgelopen week geen helder antwoord, het schijnt weinigen bezig te houden. Wat gisteren wel zomaar op het computerscherm verscheen was een handzame bouwbeschrijving van een ‘mobile phone jammer’ die in Amerika een ‘cell phone jammer’ wordt genoemd. Het is een heel simpel radiozendertje dat precies uitzendt op een van de twee frequenties die de GSM voor zijn verbinding met de GSM-mast gebruikt. Zodra de ‘jammer’ wordt aangezet valt de GSM uit en dat is ook de bedoeling, hij valt in zekere zin onder de Electronic Counter Measures die de mens ter beschikking staan om de medemens tot de orde te roepen. Maar bezit en gebruik van de jammer is in bijna heel de wereld volstrekt verboden.