Herfst

Wielrennen, zo laat in het jaar: ik heb er moeite mee. Een swingende pedaalslag vraagt om voorjaar en zomer, om een landschap waar rennersbenen het reliëf zijn. Nu is het herfst, en dan is buitenlucht vrijblijvend. Surplace in gemoed.

Het is mooi weer in Varese. De WK wielrennen hebben, wat dat betreft, de goden mee. Maar je ziet dat spieren oud zijn geworden, gezichten uitgehongerd, renners in afwachting van een groter geluk: winter. Ook commentatoren zijn moe: ze zoeken miniaturen, niet meer het epos. Prullaria gaan voor de mens.

Er zouden afspraken moeten komen in de sport. De dag dat de Champions League begint mogen nog hooguit kermiskoersen worden gereden. Nawuifkoersen. Parade, fanfare. Waarom geen WK als aanloop naar een nieuw wielerseizoen? Iedereen fris en bronstig, iedereen in primeur van glorie en geluk. Het is een godvergeten schande dat de WK wielrennen als nakomertje worden geprogrammeerd. Op een moment dat bomen kaal worden en fazanten worden afgeschoten. Dat vrouwen in laarzen gaan lopen en doen alsof zij het kaarslicht zelve zijn. Wat ze ook zijn.

Herfst en competitie op de fiets: een vloek. Voetballers hebben nog de beschutting van gewapend beton, cafetaria’s en business seats om zich heen, wielrenners hebben niet eens een rietkraag. Maïsvelden? Ook plat.

Ik weet niet of het des mensen is, maar eind september laat ik jeugd liever jeugd, en omhels ik iconen van een fin de siècle. Jean Gabin, Vittorio Adorni. Ontbladerde levens, althans mijnerzijds gerimpeld in weemoed en verlangen. Zeg maar: verlangen naar het tearoomgehalte in mens en renner. Een superieure kwak of een venijnige sprint doet er niet meer toe.

Thomas Dekker moet even wachten tot het weer voorjaar wordt. Om talent, verwondering en volksbezit te zijn. Nu is hij nog even zijn eigen interregnum van geheel uitgeputte bravoure. Als ik hem in gedachten oproep, denk ik alleen aan roddelbladen. Nog erger: aan Astana.

Uiteindelijk heb ik mijn herfst gevonden in Varese: Erik Zabel. Hij heeft zijn afscheid aangekondigd. Nog één wedstrijd en dan gaan de voetriempjes dicht. Want dat was het mooie aan Erik Zabel: hij was nog van vóór de klikpedaal. Over zijn weergaloze carrière is alles gezegd. Milaan-Sanremo, de groene trui in de Tour, meer dan 200 koersen gewonnen, daar gaat het niet over. De betekenis van Zabel is van een ander soort emancipatie. Hij heeft het wielrennen een cachet van beschaving gegeven. Een soort academisme om van te houden.

Nooit heeft iemand Erik Zabel gehoord over zadelpijn, over combines, over de wreedheid van het peloton, over geld. Een wegwerpgebaar lag niet in zijn aard. Voor een tirade was hij te chic. Nederlagen in de sprint onderging hij met de grootsheid van een cavalier seul. En het allermooiste: altijd sprak hij de taal van de ander, niet zijn eigen taal. Steller dezes heeft hem Nederlands horen spreken – op zijn Twents, maar toch.

De dag dat hij zijn epobekentenis deed, haalde hij zijn zoontje erbij, als schuldfactor. Niet een dokter, een sponsor of een malafide maîtresse. Hoe glorieus en publiek hij ook was, alles was binnenkamer aan Erik Zabel. Dan nog in de grauwe plooien van grensarbeid. In het gezicht van een vaderlandsloze.

Erik Zabel: godenzoon zonder God.

Nu hij er straks niet meer zal zijn, moeten we op zoek gaan naar een renner van state. Lance Armstrong? Gruwel van muzak in goedertierenheid en commercie. Paolo Bettini? Stijl noch gezag. Alejandro Valverde? Ter dood veroordeeld. Karsten Kroon? Hippie zonder haren. Blijft over: Rabo? Dubai met palmbomen, maar in u, meneer, kan ik geen mens herkennen.

Hein Verbruggen: ook herfst, gevallen met de kracht van Fortis. Roemloos ten onder gegaan aan culturen en signaturen. Eigenlijk een vluchteling voor zijn eigen verbeelding. Niets van zijn temperament is overeind gebleven: de gedroomde mondialisering van het wielrennen is geëindigd in middenstandsgezeik van UCI en ASO. Zelfs zijn patroonheilige, Lance Armstrong, kan hem niet meer redden.

Hein Verbruggen: herfstblad zonder vangnet.

Natuurlijk kijk ik morgen naar de WK wielrennen in Varese. Van de eerste tot de laatste minuut. Waarom? Om de benen van renners te zien. Om het eeuwige verlangen naar lente te voelen. Om te beamen dat alles eindigt in snot, ook een regenboogtrui.

Om tegen Ajax, PSV en Feyenoord te kunnen zeggen: ach, mokkagebakjes.

En vooral, om jonger en leper te zijn dan ik ben. Ultiem geluk: onthaarde benen.