Gedegen gemanipuleerd

Na jarenlang protest durven alleen multinationals nog geld te steken in genetisch gemodificeerde gewassen. Het is een schande, zeggen plantwetenschappers, dat de gewassen ondanks hun voordelen in Europa geen voet aan de grond krijgen. Marianne Heselmans

Effect van schimmel ‘Phytophtera’ op aardappelplanten met (onder) en zonder resistentie-gen.
Effect van schimmel ‘Phytophtera’ op aardappelplanten met (onder) en zonder resistentie-gen.

De aaltjesresistente aardappelplanten van veredelaar Howard Atkinson zijn vernield, in juni. En toen had deze bioloog van de universiteit van Leeds er zó genoeg van dat hij een persconferentie bijeenriep. Want hekken met 24-uursbewaking zouden de kosten van zijn veldproef, normaal 30.000 euro, doen oplopen tot 180.000 euro. “Wat moeten we tegen deze fanatiekelingen doen?”, was zijn boze vraag. “Alle Engelse veldproeven op één, door de overheid betaalde, zwaar bewaakte locatie uitvoeren?”

De overheidscommissie BBRSC, die het onderzoek financierde, haastte zich afstand te nemen van deze “ongelukkig gekozen woorden van professor Atkinson” (‘fanatiekelingen’ en ‘vandalen’), en verzekerde in een persverklaring “in debat te willen blijven”. Maar dat weerhield de verbolgen hoogleraar niet om vervolgens in de Yorkshire Post dit vandalisme te vergelijken met het verbranden van universitaire boeken.

Ruim 20 jaar nadat in Wageningen het eerste proefveldje werd vernield en actiegroepen als de Ziedende Bintjes en de Razende Hazen op het toneel verschenen, is het nog altijd moeilijk om in Europa genplanten (genetisch gemodificeerde planten) in het veld te testen. Veldproeven worden verboden of vernield. Van de vijf testvelden in Nederland zijn er afgelopen zomer twee (deels) vernield, in Duitsland bezetten actievoerders dagenlang veldjes, in België wordt helemaal geen veldproeven gedaan en in Frankrijk maakte de politie foto’s bij een ‘antiglobalistische’ vernieling van een maïsveldje.

Het op de markt brengen van een genras is extreem duur geworden door de verplichte risicoanalyses en aansprakelijkheidsregels. Die hebben de kosten van een commercieel genras doen stijgen tot, zo schatten veredelaars, zo’n tachtig miljoen euro.

Een conventioneel ras waarbij het gewenste DNA via kruising wordt ingebracht kost nog geen vijfde daarvan. Niet omdat het rechtstreeks ingrijpen in het DNA duurder is, maar omdat de genrassen onder een andere Europese regelgeving vallen.

Omdat het zo duur en risicovol is geworden, investeren nu wereldwijd nog slechts een paar grote, multinationale zaadbedrijven en chemieconcerns in het testen en de op de markt brengen van genplanten. Duurt dit nog lang, dan hebben straks die paar bedrijven alle genrassen in handen, wat de voedselvoorziening kwetsbaarder maakt.

MILIEURAMP

Dit alles gebeurt in een klimaat waarin de Engelse prins Charles waarschuwde dat we met genrassen afstevenen op ‘de grootste milieuramp aller tijden’ (begin augustus) en waarin allerlei Europese politici hun land, provincie of gemeente tot ‘gentech-vrije’ regio uitroepen omdat ze genrassen te riskant vinden.

De frustratie van de plantwetenschappers loopt op. Volgens hen kleven er niet meer risico’s aan de nieuwe genrassen dan aan ‘gewone’ rassen, of aan exoten in de tuin. En dat terwijl deze nieuwe planten een hogere opbrengst beloven en minder bestrijdingsmiddelen eisen, ook voor de arme boeren.

Raoul Bino, algemeen directeur van de Plant Sciences Group van Wageningen UR, waar zo’n 1200 plantwetenschappers onder vallen, heeft net een pleidooi gehouden voor boeren: ‘Genetische modificatie: brood en broodnodig’. Op zijn werkkamer noemt hij de verkeerde voorlichting van Greenpeace over de risico’s “een grof schandaal”. Het is ook “een schande” dat de zogenoemde gouden rijst (waarmee arme mensen provitamine A binnen krijgen) tien jaar na de geslaagde labtesten nog steeds niet in het veld wordt getest. Hoofdschuddend laat hij op zijn laptop een foto zien van een proefveld in Lelystad dat in 2006 door een “terroristische actie van onbekende daders is vernield”. Die proef met insectenresistente genmaïs, betaald door het ministerie van LNV, was juist bedoeld om de uitkruising te bepalen met conventionele maïs – een zorg van de biologische landbouw, die gentech-vrij wil blijven. Bino: “Mensen vragen zich wel af of het ethisch is om genetisch gemodificeerde rassen te maken, ik vind het onethisch om ze niet te maken.”

Onverwacht emotionele bewoordingen op dit Wageningse planteninstituut, dat altijd zo objectief en neutraal in de beladen discussie wilde staan. “Misschien had ik dit vijf jaar geleden niet zo gezegd”, geeft de directeur toe. “Maar toen was het bewezen nut nog niet zo groot. Genetisch gemodificeerde soja, maïs en katoen worden nu buiten Europa al tien jaar zonder problemen verbouwd en inmiddels hebben 25.000 veldproeven aangetoond dat de technologie werkt. Daarbij realiseren we ons nu ook beter hoeveel opbrengstverhoging er nodig is. Waar gaat het de komende twintig jaar om? Om yield, yield, yield. We hebben gezien hoe hogere voedselprijzen tot opstanden kunnen leiden.”

Bino laat op zijn laptop een aansprekend filmpje zien van een veldproef met rijstplanten die een dagenlange overstroming kunnen verdragen. De bewuste rijst, ontwikkeld door het internationale rijstinstituut IRRI op de Filippijnen, heeft een zogeheten submergence-gen gekregen van een wilde rijst. Het gen beïnvloedt de gevoeligheid voor het groeihormoon ethyleen zo, dat de plant onder water minder hard doorgroeit waardoor hij zich daarna beter herstelt. De rijstveredelaars hebben het filmpje op YouTube gezet: inderdaad komen de nieuwe rijstplanten na de overstroming weer mooi groen overeind, in tegenstelling tot de controles die er slapjes bij liggen.

SUBMERGENCE-GEN

Het voorbeeld is exemplarisch voor de fase waarin de meeste publieke instituten nu verkeren: het submergence-gen is er namelijk via kruising ingebracht, nadat het met genetische manipulatie precies was gelokaliseerd en onderzocht. De rijstveredelaars hebben gekozen voor kruising om de veldproef zonder procedures en risico op acties te kunnen uitvoeren, want ook in Azië is er nu verzet.

Niettemin lijken in de kassen planten waarbij rijst-DNA rechtstreeks is ingezet het nog beter te doen. De rijstveredelaars zouden ook deze genrijst in het veld willen testen. Rechtstreeks DNA inbrengen gaat namelijk sneller, want de ingekruiste eigenschappen die niet gewenst zijn hoeven er niet meer te worden uitgekruist. Bovendien kan met die techniek de werking van het submergence-gen zo worden verbeterd, dat de nieuwe rijst nog langer water kan verdragen dan de wilde rijst, waaruit het gen was geïsoleerd.

Maar veel financiers hebben weinig zin om te investeren in veldproeven, zolang overheden zo aarzelen over de toelating van genproducten. De Chinese overheid bijvoorbeeld, is nu bang dat alle Chinese rijst die naar Europa wordt geëxporteerd aan de grens wordt tegengehouden als zij een genrijst toelaat. Het IRRI richt zich nu dus, zoals zoveel andere instituten, voorlopig vooral op de plantenbiotechnologie die het kruisen ondersteunt.

Het Nationaal Landbouwkundig Onderzoeksinstituut in Cuba zou zijn suikerriet voor biobrandstof graag in het veld testen, vertelt plantkundige Sjef Smeekens van de Universiteit Utrecht, die al jarenlang met ze samenwerkt. Maar het durft niet omdat het bang is voor publicitaire acties tegen de Cubaanse suikerriet. Tot spijt van deze Utrechtse plantenhoogleraar. Zijn groep slaagde er al in 1999 in om door inbrengen van bacteriegenen suikerbieten te maken die in plaats van sucrose de gezondere fructanen bevat. Dat zou met kruisen nooit lukken omdat die eigenschap niet voorkomt bij wilde suikerbieten. De technologie maakt suikerriet geschikter voor biobrandstoffen.

Het is wachten op een financier. “Wij richten ons in Utrecht nu noodgedwongen vooral op het fundamentele plantenonderzoek”, zegt Smeekens.

COMMERCIEEL SUCCES

Intussen investeren een paar grote zaad- en bestrijdingsmiddelenbedrijven – Monsanto, BASF, Pioneer Hibred, Du- Pont en Syngenta – enorme bedragen in genrassen. Zij kunnen ze overal in de wereld testen en qua acties wel een stootje verdragen. Ze worden gemotiveerd door het commerciële succes van de ‘eerste generatie’ genrassen, die eind jaren tachtig is ontwikkeld. Het gaat om soja, maïs en katoen met bacteriegenen die zorgen voor resistentie tegen de rupsen van de maïsboorder en tolerantie voor het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat. Die eerste genrassen zijn volgens landbouweconomen ongekend goed aangeslagen bij boeren – ze worden verbouwd op zo’n 115 miljoen hectare, voornamelijk in de VS, Canada, Argentinië en Brazilie: bijna alle sojatelers verbouwen daar inmiddels zo’n ras.

Mede door dit succes hebben Monsanto en BASF vorig jaar besloten om samen anderhalf miljard dollar te steken in productievere en droogteresistente soja, maïs, katoen en koolzaad. In deze ‘tweede generatie’ genrassen wordt rechtstreeks planten-DNA ingezet, vaak afkomstig uit de eigen soort.

Evert Jacobsen, hoogleraar Plantenveredeling op de Wageningen Universiteit, doet zijn uiterste best om ervoor te zorgen dat de schimmelresistente genaardappelen die het Wageningse planteninstituut deze zomer in het veld heeft getest, ook beschikbaar blijven voor de kleinere bedrijven – zowel in Nederland als in ontwikkelingslanden. “Ik zit wel met de multinationals aan tafel”, zegt hij op zijn kamer in Wageningen. “We zijn alleen niet tot overeenstemming gekomen. We willen namelijk geen exclusieve licenties geven aan een financier. En dat zijn de chemieconcerns niet gewend.”

De veldproef, op een paar locaties in Nederland, wordt gefinancierd uit allerlei potjes zoals legaten, overheidsgeld en bijdrages van Nederlandse pootgoedbedrijven. Aan hekken en bewaking doen de Wageningers niet, dat scheelt.

Jacobsen laat foto’s zien: de meeste planten zijn duidelijk door de schimmel Phytophtera geveld, maar de planten die rechtstreeks een resistentiegen uit de wilde aardappel hebben gekregen zijn nog mooi groen. “Spectaculair”, vindt de hoogleraar.

De Wageningers hebben nu zes verschillende resistentiegenen uit de wilde aardappel geïsoleerd. Met genetische modificatie kunnen die met meerdere tegelijk worden ingebracht, wat de aardappelen voor al die typen Phytophtera’s resistent maakt. De schimmel weet zich vaak al snel tot een ander type (fysio) om te vormen en zo een ingebouwde resistentie te doorbreken, dus het inbrengen van meerdere resistentiegenen is beter.

VEERTIG JAAR

Eén zo’n gen via kruising erin brengen heeft de Wageningse veredelaars veertig jaar gekost. Dit ras voor de biologische landbouw, Bionica geheten, is nu net op de markt. Met de zogeheten merkertechnologie, waarbij je in het laboratorium al kunt inschatten welke genen bij een kruising zijn meegekomen, gaat het inkruisen van resistentiegenen nu sneller. Maar nog steeds niet zo snel als via genetische modificatie, aldus hoogleraar Jacobsen.

Op de campus van de Universiteit Gent werken zo’n zevenhonderd plantenbiotechnologen, maar in heel België wordt geen veldproef gedaan. De (Waalse) ministers van milieu en gezondheid hebben in juni een veldproef met gentech populieren voor biobrandstoffen verboden, ondanks het feit dat hun eigen adviescommissie de proef veilig had bevonden.

Verantwoordelijk voor de populierenproef is Dirk Inze, directeur van het Departement van Planten Systeembiologie. Hij zou graag zien dat de Europese politici ophielden continu op de rem te staan en meer durf hadden, maar erkent dat dit lastig voor hen is. “Door het jarenlange benadrukken van de milieubeweging dat de rassen gevaarlijk zijn, is het grote publiek dat gaan geloven. Ik zie dit Europees verzet als een grote historische vergissing. Het verzet heeft de kleinere zaadbedrijven enorm huiverig gemaakt om in de technologie te investeren. De vraag is nu: hoe kun je die negatieve beeldvorming doorbreken?”

Sjef Smeekens betreurt het achteraf dat de Nederlandse plantwetenschappers de milieubeweging vrij spel hebben gegeven. Dat ze geen tegenwicht hebben gegeven met advertentiespotjes of advertorials. Jacobsen, die vijftien jaar voorzitter was van de Cogem, de commissie die over de veiligheid van veldproeven adviseert, heeft hier geen spijt van: volgens hem zouden advertorials de discussie alleen maar verder hebben gepolariseerd; ook in Engeland hebben gezamenlijke verklaringen van wetenschappers niet geholpen.

Liever lobbyt Jacobsen voor een aparte status voor de zogeheten cisgene rassen – rassen waarin alleen soorteigen DNA is ingezet, zoals de Wageningse genaardappel en de vloedresistente rijst. Als die uit de regelgeving voor genetische gemodificeerde organismen zouden worden gehaald, zou de ontwikkeling ervan snel door kleine bedrijven kunnen opgepakt. Maar daar ziet zijn Belgische collega niks in. Hij wil zich niet beperken tot alleen ‘rijst-DNA’ in rijst, als hij met een stukje ‘gerst-DNA ’ betere resultaten zou kunnen behalen. “DNA is gewoon informatie en uit welke plant die informatie komt, maakt dan niet uit. Hier in Gent vinden we dat cisgene rassen te veel concessies doen aan de tegenstanders.”

Ook Inze vindt het belangrijk dat veel zaadbedrijven genrassen kunnen ontwikkelen. Min of meer noodgedwongen worden in Gent echter de banden tussen het departement Plantensysteembiologie en de Duitse bestrijdingsmiddelenproducent BASF steeds hechter. Waar in Wageningen aardappelen en tomaten de modelplanten zijn voor genetisch onderzoek, is dat in Gent behalve de populier ook rijst. Om de Gentse technologie ook in productieve rijstrassen te kunnen vertalen, heeft Inze het succesvolle biotechnologiebedrijf CropDesign opgericht, in 2006 opgekocht door BASF.

Daar worden wekelijks duizenden gemodificeerde rijstplanten op een automatische transportband naar een fotokamer gerold om ze nauwkeurig op eigenschappen te beoordelen als wortelvorm, zaadomtrek en stengellengte. Die eigenschappen beïnvloeden droogteresistentie en productiviteit.

EXCLUSIEVE LICENTIES

De Gentse onderzoekers sturen de groei van wortels, zaden en stengellengtes van granen door rechtstreeks aan de ontwikkelingsgenen te sleutelen. De eerste rijstrassen, zo verwachten ze, zullen zo rond 2013 op de markt komen.

In augustus heeft Inze een contract gesloten met BASF waarmee het bedrijf, volgens het persbericht, “kan rekenen op de expertise van zestig onderzoekers van de UGent”. De bestrijdingsmiddelenfabrikant betaalt hiervoor 2,6 miljoen euro (zijn jaarlijks budget voor plantonderzoek is zo’n 700 miljoen euro). De afdeling heeft zich voor dit bedrag niet uitgeleverd, verzekert de hoogleraar. Slechts voor een deel van de projecten onder dit contract verleent de universiteit exclusieve licenties: “Wij zijn trots op het contract, het laat financiers zien dat onze kennis wordt toegepast.”

In Wageningen zegt instituutsdirecteur Raoul Bino trots te zijn op de keuze voor de Nederlandse (groente)zaad- en pootgoedbedrijven als belangrijkste klanten. Maar hoeveel Nederlandse zaadbedrijven kunnen zelfstandig blijven? Bestrijdingsmiddelenproducent Monsanto had in 2005 al groentezaadleverancier Royal Sluys in handen gekregen en heeft in mei ook De Ruyter Seeds Group gekocht. En de multinational steekt al veel geld in gentechnologie voor tomaten. “Monsanto is ook een interessante klant voor ons”, bevestigt Bino desgevraagd.

Volgens Jacobsen is het ironisch dat het verzet van milieugroepen juist datgene in de hand werkt waarvoor zij waarschuwen: dat multinationals alle genrassen in handen krijgen. Maar ook de politiek speelt een rol, en de bedrijven zelf.

“Monsanto heeft veel lef getoond”, zo moet Smeekens het bedrijf nageven. “In de jaren tachtig en negentig hebben ze enorme bedragen in genrassen gestoken, zonder te weten of ze in de praktijk zouden werken. De acties en de slechte naam hebben ze op de koop toegenomen. Ze hebben gegokt, en gewonnen.”

Kijk op youtube.com hoe rijstplanten na een overstroming herstellen. Zoek op submergence, irri en rice.