Flower power in de Sinaï

In het vissersdorp Dahab aan de Rode Zee lijken ze het loungen te hebben uitgevonden. Het is er relaxed. Maar je kunt er ook snorkelen tussen de kogelvis en de tandbaars.

het Santa Catharinaklooster AFP Egypt, Sinai Peninsula, Mount Moses, Saint Catherine 's monastery, classified as World Heritage by UNESCO
het Santa Catharinaklooster AFP Egypt, Sinai Peninsula, Mount Moses, Saint Catherine 's monastery, classified as World Heritage by UNESCO hemis.fr

‘Ik kwam er voor een week, maar bleef er voor altijd.” In elke grote wereldstad of belangrijk toeristencentrum zijn er wel mensen die dit kunnen zeggen. In Dahab – een betrekkelijk klein en bij het grote publiek onbekend oord aan de Rode Zee – zijn er opvallend veel op wie dit van toepassing is. Toen Karin Claessen in 1994 voor het eerst in Dahab kwam, was ze op slag verliefd op ‘deze parel van de Sinaï’. Naar de prachtige rotswoestijn, de kleurrijke bergen en het strand met een gevarieerd en kleurrijk leven onderwater keerde ze telkens voor een steeds langere periode terug, om er zich in 2001 definitief te vestigen. Momenteel is ze er de uitbater van The Rush, een restaurant annex loungebar.

Toen ze er in het midden van de jaren negentig kwam, was Dahab een klein vissersdorp aan de oostelijke kant van de Sinaï. Bij helder weer is aan de overkant van het water Saoedi-Arabië goed zichtbaar. „Waar nu asfaltwegen zijn aangelegd, liepen toen nog rotsige zandpaden. Er was amper elektriciteit en naar een telefoon moest je lang zoeken. Meer dan 90 procent van de bezoekers waren backpackers en andere passanten die weinig te besteden hadden. Dat maakte Dahab zo anders dan de overbevolkte toeristische trekpleisters langs de Nijl, zoals Caïro, Luxor-Karnak en Assoean.”

Als het aan het stadsbestuur ligt, blijft Dahab ook in de toekomst een oase van rust. Al heel vroeg werd bepaald dat de maximale bouwhoogte 7,5 meter mocht zijn. In de praktijk betekent dit dat de gebouwen uit hooguit twee bouwlagen bestaan. Dus in Dahab geen hoge betonnen hotels of appartementencomplexen, die andere kustplaatsen zo ontsieren. Dat Dahab het groeitempo van die andere plaatsen aan de Rode Zeekust niet kan bijhouden – zo nam het inwonertal van de toeristenplaats Hurghada toe van 23.000 inwoners in 1986 naar ruim 160.000 vandaag de dag – vindt niemand erg. Toch maken de bedoeïenenstammen in de omgeving zich zorgen over de inperking van hun traditionele middelen van bestaan. Om hun ongenoegen hierover te uiten, schuwen ze het plegen van bomaanslagen niet. Zo werden in april 2006 in Dahab drie aanslagen gepleegd, waarbij tientallen slachtoffers vielen.

Dahab is Arabisch voor goud, ongetwijfeld een verwijzing naar de goudgele stranden in dit gedeelte van de kustlijn aan de Golf van Akaba. Dahab is van oorsprong een door bedoeïenen gesticht vissersdorpje, waarvan de oudste bewoningssporen dateren van vóór de komst van de Romeinen. Lange tijd bleef de tijd er stilstaan.

Dit veranderde vanaf 1967. Tijdens de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en haar Arabische buurlanden werd de Sinaï door Israël bezet. Het gebied werd pas in 1982, als een uitvloeisel van het Camp David akkoord, weer aan Egypte overgedragen. Tijdens deze bezettingsperiode werd Dahab ‘ontdekt’: Israëlische en westerse jongeren, die een tijdlang in een kibboets gewerkt hadden, streken in Dahab neer om te genieten van een strandvakantie. Zij gaven Dahab het unieke karakter dat tot de dag van vandaag is blijven voortbestaan.

Wat betreft karakter en uitstraling lijkt het alsof de bedoeïenen en de hippies het stadje samen hebben ontworpen en ingericht. Wie langs de kilometerslange autovrije boulevard in de langgerekte strandtenten annex eetgelegenheden de lage tafels, de lage zitbanken met een overdaad aan kussens en kleden ziet, is geneigd te denken dat hier het loungen is uitgevonden. Ook de omgang met elkaar laat zich maar in één woord vangen: relaxed.

„Voor ons”, zeggen Willem en Mary Wolswinkel, die in Dahab een tweede huis hebben laten bouwen, „is Assalah, het huidige bedoeïenencentrum, het meest speciale gedeelte van Dahab. Hier lopen de geiten en kamelen nog op straat. Hier dwingt niemand je om een winkeltje binnen te gaan. Hier geen ‘Whurjoefrom?’ of ‘kijken-kijken-en-misschien-kopen’; hooguit ‘Taxi?’ ”

In vergelijking met Caïro, Luxor of Karnak zijn de onvermijdelijke verkopers van souvenirs er inderdaad de rust zelve en helemaal niet opdringerig. Dat verandert pas in de avonduren. Dan wordt de toerist belaagd door een horde welbespraakte mannen die het assortiment verse vis van hun restaurant aanprijzen. Zoals overal in Egypte moet er over de uiteindelijke samenstelling van het menu en over de prijs stevig onderhandeld worden.

Behalve de rust en de idyllische entourage heeft Dahab nog iets te bieden dat in de centra langs de Nijl ontbreekt. De Rode Zee behoort tot de toptien van duik- en snorkelbestemmingen in de wereld. Omdat die zee – op een kleine doorgang bij Aden na – helemaal door land omsloten wordt, is het zeewater er zouter dan elders. Bovendien komt de watertemperatuur er zelden beneden de twintig graden. Dat was voor Raymond Hermans de reden om in 2001 in Dahab een eigen duikschool te beginnen. „Hier kun je wegens het prachtige weer het hele jaar goed duiken. Bovendien is nergens ter wereld de soortenrijkdom aan vissen groter dan in de Rode Zee en groeien er vele soorten koraal.”

Een kleine greep uit de lange lijst met vissen die alleen al wegens hun naam de nieuwsgierigheid prikkelen: vierooggoochelaar, gemaskerde kogelvis, lipvis, chirurgvis, blauwe doktersvis, koffervis en tandbaars. „Wat er in de prachtigste kleurenboeken staat, zie je hier in het echt”, zegt Mary Wolswinkel.

In Dahab bevindt zich op loopafstand, aan het noordelijke einde van de boulevard, een ideale plek om te snorkelen. Het koraal loopt op deze locatie, Lighthouse genaamd, door tot aan het strand. Het witte schuim van de brekende golven duidt precies de plaats van het rif aan. In kraakhelder water zwemmen veelkleurige visjes en vissen boven of langs het koraalrif. De echte duikers zullen waarschijnlijk wel uitwijken naar The Blue Hole. Deze hot spot in de Rode Zee is letterlijk een gat. In het zachte, oplosbare kalkgesteente is een gat met een doorsnede van 150 meter tot een diepte van 110 meter uitgespoeld en van binnen helemaal met koraal begroeid.

Dahab leent zich tevens goed voor een verkenning van het zuidelijke gedeelte van de Sinaï, dat gekenmerkt wordt door uiteenlopende landschappen. Grillige rotspartijen, vlakten met zandduinen, bergmassieven, kleine palmoases en drooggevallen rivierbeddingen wisselen elkaar af. Een wandeling door de White Canyon en een bezoek aan de nabijgelegen oase Ain Khudra zijn zeer de moeite waard.

Iets verder landinwaarts torent de berg Sinaï hoog boven de omgeving uit. Met zijn 2.285 meter is dit het op een na hoogste punt van het schiereiland dat de brug vormt tussen Afrika en Azië. De Sinaï wordt wel eens ‘een landschap geschapen door goden en voor goden’ genoemd. Op de berg Sinaï zou Mozes veertig dagen en nachten vastend doorgebracht hebben voordat hij daar de Tien Geboden ontving.

Op de flanken van deze berg zou voor het eerst de naam van Jahwe zijn geopenbaard. Op de plek waar de brandende doornstruik gestaan zou hebben van waaruit God Mozes toeriep, werd rond 330 na Christus, in opdracht van Helena, de vrouw van keizer Constantijn, een klooster gebouwd. Dit Santa Catharinaklooster is in de loop der tijd steeds verder uitgebouwd en versterkt. Momenteel is het niet alleen het kleinste bisdom ter wereld, maar ook het langst onafgebroken bewoonde klooster in de christelijke wereld. De Grieks-orthodoxe monniken houden er een zeer ascetische levensstijl op na. Met Mozes als inspiratiebron is voor hen het vasten het belangrijkste levensdoel. Vandaar dat een kleine moestuin en boomgaard en een kleine kudde met geiten volstaan om een zelfvoorzienend bestaan te waarborgen.

Het klooster is wekelijks enkele voormiddagen geopend. Eigenlijk zijn alleen de Kerk van de Transfiguratie – die door de overdaad aan iconen en zilverwerk meer op een museum lijkt – en de Kapel van het Brandende Braambos voor bezoekers opengesteld. Deze kapel is de heiligste plek van het klooster omdat hier nog een struik groeit die, volgens de overlevering, een stek is van het bijbelse braambos.

Een bezoek aan het Santa Catharinaklooster wordt veelal gecombineerd met het beklimmen van de berg Sinaï. Een goed begaanbaar pad voert de wandelaar in ruim twee uur naar boven, waar een magnifiek uitzicht over de omgeving de beloning is. Het gros van de wandelaars neemt hier geen genoegen mee, maar wil meer. Op hoogtijdagen beginnen enkele honderden klimmers al om drie uur in de nacht aan de tocht naar boven om vanaf de top van de Sinaï de zonsopgang te aanschouwen. Anderen geven aan het eind van de dag de voorkeur aan de zonsondergang. Op de vraag aan een uitbater van een huisje nabij de top welke het meest bijzonder is – de zonsopkomst of de zonsondergang – kwam hij met zijn jarenlange ervaring niet verder dan: ‘ik denk de zonsopkomst, want dan is het verreweg het drukst’.