De zwakke plek van een gewetensvolle denker

Ik beken. Een misdaad, een ongekende misdaad heb ik begaan. Ik wil geen beroep doen op een verzachtend omstandigheid. Mijn misdaad is dat ik in alle fatsoen en ernst de opvattingen van Kees Schuyt, lid van de Raad van State, heb bekritiseerd in mijn column De lege catechismus van geweldloosheid (Opinie & Debat, 13 september).

Hoe het in mijn botte hoofd opkwam om de opvattingen van Schuyt te bekritiseren is voor mijzelf een raadsel. Edelachtbare lezers, hoe is het zo ver gekomen?

Het grootste deel van de reactie van Schuyt (Opiniepagina, 17 september) op mijn column ging over van alles – behalve over mijn argumentatie. Ook werd er enorm op los gepsychologiseerd. Schuyt schrijft over zaken die ik niet geschreven heb: waar heb ik geschreven dat de Duitse politiek filosoof en jurist Carl Schmitt de beste rechtsgeleerde van de twintigste eeuw zou zijn? Schuyt wil mij graag verdacht maken, want dan hoeft niemand meer naar mij te luisteren. Dus gooit Schuyt er maar weer een blik racisme en antisemitisme tegenaan. Schuyt schrijft dat sinds de Neurenbergse Wetten, die door de nationaal- socialistische rechtsgeleerde Carl Schmitt op grond van een machtiging door de meerderheid democratisch gelegitimeerd werd geacht, men niet meer kan spreken van absolute gehoorzaamheid aan de wet.

En in deze geest, dus de geest van het nationaal-socialisme, zou ik hebben opgeroepen tot absolute gehoorzaamheid. Wat een bizarre insinuatie. Zelfs als nazi-Duitsland nooit had bestaan, kan onder geen beding absolute gehoorzaamheid van de burger geëist worden. Immers, je kunt nooit van mensen eisen dat zij ook innerlijk (dus niet alleen bij zichtbare nakoming van een wet) de wet gehoorzamen. Dit heb ik ook nooit geschreven – omdat het zo onlogisch is. De wet eist, zoals rechtsfilosofen, onder wie Hans Kelsen, zeggen, gewoon gehoorzaamheid. Een wet die stelt dat de uitvoering ervan afhankelijk is van de mening van de rechtssubjecten, zoals Schuyt impliceert, is geen wet.

Wat Schuyt kennelijk niet weet, is dat Schmitt geen rechtspositivist was. Toch zijn zijn opvattingen, los van zijn miserabele persoonlijkheid, van eminent belang. Schuyt weet niet dat Schmitt al op 25 oktober 1932 een verbod op de SS en SA heeft bepleit. Het ging om de legaliteit van de verkiezingen in Pruisen en de machtsgrenzen van de rijkscommissaris in Pruisen. Het Staatsgerichtshof moest, gelet op de gewelddadigheid op straat, een beslissing nemen die van belang kon zijn voor geheel Duitsland. Schmitt stelde in Legalität und Legitimität voor dat de president op grond van artikel 48 van de Constitutie van Weimar de noodtoestand diende af te kondigen.

De Weimarrepubliek is een ware nachtmerrie voor elke parlementaire democratie. In de allerlaatste democratische verkiezingen (november 1932) behaalde de NSDAP 33,1 procent van de stemmen: in vier maanden verloor deze partij bijna twee miljoen stemmen. Via de vrije verkiezingen kregen nazi’s zelf geen meerderheid. De explosieve toename van de relatief grote aanhang was niet alleen te wijten aan de economie maar ook aan de Weimarrepubliek zelf, waarin pressiegroepen een beslissende rol speelden bij het vernietigen van de democratie.

In 1931 riep Hitler Ernst Röhm terug om de SA te leiden. 260.000 gewelddadige fascisten gingen als beesten tekeer tegen de communisten, sociaal-democraten, liberalen, joden, katholieke andersdenkende conservatieven, et cetera. Toen in 1935 de Neurenbergse Rassenwetten werden aangenomen, was de democratie al lang begraven. Hitler was twee jaar aan de macht. Er lag een besluit, maar niet een democratisch genomen meerderheidsbesluit. Onder deze omstandigheden moest men zo gewelddadig mogelijk in verzet komen tegen het naziregime.

Over het geweten schrijft Schuyt: „Wie in een democratie zijn geweten niet gebruikt, heeft er ook geen als de tirannie aanbreekt.” Een vreemde, onlogische uitspraak. Het geweten is een individuele zaak. Dat heb ik nooit ontkend. Echter, zodra het geweten in de context van illegale buitenparlementaire handelingen een richtinggevende onmisbare plaats krijgt, is dit het recept voor moord, plundering en brandstichting. Waarom? Omdat democratische besluiten niet via het geweten (nog altijd een particulier fenomeen) kunnen worden geobjectiveerd. Er zijn immers veel vormen van individuele en collectieve gewetens mogelijk in een democratische rechtsorde. Schuyt is daarom niet in staat om een definitie van het geweten als politiek criterium te geven.

Een democraat redeneert, argumenteert op grond van gedeelde, communiceerbare rede of public reason. Hannah Arendt, de trouwste leerling van Heidegger (helaas ook een lid van NSDAP), leerde ons hoe de sensus communius en niet het geweten onmisbaar is voor het politieke oordeelsvermogen. Juist omdat de democratie een pluralistische samenleving veronderstelt, is het van essentieel belang dat beslissingen objectiveerbaar zijn. Onder tirannie is het anders. De particuliere gewetens objectiveren zich dan met een verwijzing naar grote woorden: gerechtigheid, god, menselijkheid, liefde, broederschap, verlossing, et cetera.

Ten slotte richt Schuyt zich met een bizar verzoek tot mij: hij roept mij op ‘mijn onverdraagzame houding jegens burgemeester Cohen, die in zijn stad meerderheden en minderheden zo vreedzaam mogelijk met elkaar wil laten samenleven, te staken’. Waarom? Is Cohen een zielige Amsterdamse vertoning of een PvdA-bestuurder met zes duizend politieagenten en een miljoenen budget?

Schuyt formuleert de voorwaarden voor zijn geestverwanten om ongehoorzaam de wetten te schenden, maar hij vraagt mij, een individuele burger die alleen van legale middelen gebruikmaakt, een niet-gekozen autoriteit van kritiek te vrijwaren. Dit is volstrekte kolder uit de pen van de verdediger van burgerlijke ongehoorzaamheid en getuigt van zijn selectieve verontwaardiging: Schuyt erkent alleen de gewetenswroeging van zichzelf en zijn medestanders, maar die van anderen is ‘onsmakelijk’. Het is het bewijs van de ondeugdelijkheid van zijn gehele gewetenssociologie.

Wanneer we de macht, al dan niet democratisch, niet kritisch mogen aanpakken, desnoods met beledigingen, dan hebben we de eerste stap richting onvrijheid gezet. En dat is precies de makke van gewetensvolle denkers als Schuyt, gewaardeerd lid van de Raad van State.

Reageren kan op nrc.nl/opinie (Reacties openbaar na goedkeuring door de redactie.)