'De jacht op gouden medailles werkt verblindend

Veel oud-topsporters raken de weg kwijt. Een ander leven, depressies, lichamelijke slijtage, geen camera’s meer. Wie helpt ze? „De tendens is dat alleen prestaties tellen.”

‘Na het noodgedwongen stoppen ben ik in een heel diep gat gevallen, met ernstige depressieve klachten... Dat ik mezelf compleet ben kwijtgeraakt in iemand zijn... En ik ben iemand die altijd alles onder controle heeft gehad... Ik ging hyperventileren en durfde niet meer naar buiten... Alles was weg.’

Bovenstaand anoniem citaat is een van de reacties die sportsocioloog Agnes Elling ontving bij haar onderzoek naar ‘afscheid nemen van topsport’. Elling, onderzoeker bij het W.J.H. Mulier Instituut in Den Bosch, stuurde een vragenlijst naar 188 oud-topsporters (geen profs). Allen hadden volgens de normen van NOC*NSF een A- of B-status. Meer dan een derde van de ondervraagden bereikte ooit een topdrie positie op een WK of Olympische Spelen.

Niet dat het veel ex-topsporters slecht vergaat na hun ‘pensionering’, concludeert Elling uit haar onderzoek. De helft van de ondervraagden heeft geen moeilijke periode ervaren. „Maar meer aandacht voor mensen die na hun topsportcarrière in de problemen komen of er niet meer uit komen, kan geen kwaad. Juist nu veel publiciteit wordt gegeven aan medaillewinnaars, is relativeren op zijn plaats. Wat gebeurt er als de euforie is verdwenen? Wat gebeurt er met mensen als ze niet meer in de schijnwerpers staan? Zijn ze daar op voorbereid? Durven ze hulp te vragen? Worden ze opgevangen?”

Het fenomeen afscheid nemen van topsport wordt onder- en overschat, zegt Elling, die zelf als hordenloopster tot de subtop van Nederland behoorde. „Oud-topsporters komen doorgaans goed terecht, zijn tevreden met hun nieuwe werk [87 procent] en nieuwe leven [93 procent]. Toch is het vreemd dat ze terugblikken op hun sportloopbaan als ‘de mooiste tijd van hun leven’. De passie van vroeger is voorbij. Wat ze ook doen, het is een ander leven, minder avontuurlijk en minder aantrekkelijk. Anoniem worden is al een probleem. Je krijgt een minder aansprekende identiteit.”

Opvang is er wel. Uitzendorganisatie Randstad doet iets, Defensie biedt topsporters maatschappelijke zekerheid, evenals de politie. NOC*NSF biedt hulp, Next (organisatie van oud-voetballer Hans van Breukelen) zet zich in. Maar de overheid blijft in gebreke, meent Elling . „Toevallig was er ergens nog een potje bij NOC*NSF om mijn onderzoek te subsidiëren. Mijn onderzoek krijgt een hoofdstuk in het rapport ‘Topsportklimaatmeting’ naar aanleiding van het project Olympische Spelen 2028. Daar wordt veel geld voor uitgetrokken, maar mijn kanttekening hangt er wat bij. De tendens is dat alleen prestaties, medailles en succes tellen. Het is overal alleen goud dat blinkt.”

Er heersen misverstanden. Bijvoorbeeld dat mensen die topsport hebben bedreven per definitie over een groot doorzettingsvermogen beschikken. „Randstad en NOC*NSF-voorzitter Erica Terp-stra roepen steeds: goud is goed voor de werkvloer. Alsof doorzettingsvermogen in de topsport hetzelfde is als doorzettingsvermogen in een kantoor. Motivatie heeft alles te maken met passie. Een werkgever van een oud-topsporter ziet een kampioen binnenkomen, iemand die denkt dat hij de wereld aankan omdat hij eens goud heeft gewonnen. Dat die oud-sporter egocentrisch is geworden, alleen aan zichzelf heeft gedacht in de tunnels waarin hij moest leven, wordt gauw doorzien. Even dimmen, meisje. Ze moeten veranderen. Ze zijn niet meer de kampioen, ze moeten ineens anoniem leren werken. De televisiecamera’s zijn verdwenen.”

De transitie wordt steeds moeilijker. „Het huidige topsportsysteem is als een veeleisend instituut waarbinnen sporters, vooral jonge, verwikkeld raken in een spiraal van steeds sterkere disciplinering, verbondenheid en verplichtingen. Topsporters moeten bereid zijn offers te leveren op andere terreinen, zoals opleiding en een sociaal leven, waardoor ze een eenzijdige topsportidentiteit ontwikkelen. Huwelijken gaan kapot. Eerst omdat de topsporter alleen met zichzelf bezig is. Later omdat hij een ander mens is geworden.”

Het heeft Elling geraakt dat het probleem met Michael Boogerd, die na zijn wielerloopbaan met zichzelf in de knoop raakte en zijn huwelijk (tijdelijk) zag stranden, kritiek krijgt. „Alsof al dat geld dat hij heeft verdiend een garantie is voor een gezond tweede leven. Hij mist zijn passie, de schijnwerpers, het wielrennersleven, het avontuur. Nu is hij op zoek, dat is menselijk. Zijn vrouw is er gek van geworden dat hij ineens alle dagen thuis zat. Hij is wanhopig. Is dat zijn schuld? Die jongen wist niet wat hem te wachten stond. Is er iemand bij Rabo die hem heeft begeleid of gewaarschuwd? Hoe dan? Wielrenners en voetballers stoppen of worden afgedankt. Is dat hun eigen verantwoordelijkheid? Of zijn we als samenleving, de media, de voormalige werkgever en de mensen die Boogerd in de hemel hebben geprezen, medeverantwoordelijk? We bewonderen iemand als hij presteert en laten hem vallen als hij niet meer presteert. Als hij dan in de problemen zit, is hij een loser.”

Elling verwijst naar het oude systeem in de DDR en de Sovjet-Unie. Dat werd veroordeeld omdat het onmenselijk was jonge sporters in internaten klaar te stomen voor medailles en hen af te zonderen van de wereld. Nationalisme vierde hoogtij, topsporters werden na hun loopbaan menselijke wrakken, lichamelijk en geestelijk. „Wat toen door ons werd veroordeeld, wordt nu bijna als normaal bestempeld. We doen hetzelfde. We vereren medaillewinnaars als Anky van Grunsven en Maarten van de Weijden omdat ze de wereld hebben veroverd, maar weet iemand in de rest van de wereld wie zij zijn? Al die aandacht voor Nederlands goud werkt verblindend. Wie vraagt zich over een jaar af, wat er met die mensen is gebeurd? Zijn ze dan nog gelukkig, is hun lijf niet versleten door jarenlange trainingen? Er wordt gekeken naar mensen met succes. Uit mijn onderzoek blijkt dat er nog te veel oud-topsporters zijn die het niet gehaald hebben in hun tweede leven.”

Sportbonden blijven in gebreke, meent Elling. „Ze willen zoveel mogelijk medailles. Dan krijgen ze meer aandacht en meer beoefenaren, denken ze. De bond en de beleidsmakers komen in de krant. Maar neem de turnsters die een paar jaar geleden zoveel titels wonnen. Wat is daar van over? Wie is er gestopt, waarom? De meisjes zijn op zeer jonge leeftijd begonnen met turnen, om een identiteit te krijgen, om ouders en omgeving te behagen, omdat ze het wel leuk vonden. Ineens is het dan over, ze kunnen niet meer, lichamelijk versleten, ze hebben een sociaal leven gemist. Wie vangt die meisjes op? Of is hun keuze van vroeger hun eigen verantwoordelijkheid?”

Topsport creëert egoïsten. Hoeveel oud-topsporters zeggen zich te redden in hun nieuwe leven? De waarheid is dat velen niet durven toegeven dat de mooiste tijd van hun leven achter de rug is. „Topsport is niet per definitie slecht”, zegt Elling. „ Je leert incasseren en verliezen. Maar de vraag naar nog meer grotere prestaties leidt tot nog meer offers van jonge mensen. Waarom geen aandacht voor mensen die zich alle moeite hebben getroost om de top te halen en er niet in zijn geslaagd te winnen?”

Een oud-topsporter in het onderzoek: ‘Als je topsport bedrijft heb je echt oogkleppen op, ben je voornamelijk met jezelf bezig. Dan merk je dat je een beperkte kijk op het leven hebt.’