Crisis

Als kind van een jaar of vijf ging ik graag met mijn moeder mee, boodschappen doen bij juffrouw Iewaarde. Ze had een lief gezicht met een beetje eigenaardige neus, vond ik, die in een soort knop eindigde. Dat was de eerste attractie. Ik wilde vooral naar die neus kijken. En verder was het een gezellig kruidenierswinkeltje, klein, volgepakt, en op de toonbank een interessante basculeweegschaal met daarnaast een verzameling gewichtjes. Het rook er ook lekker, kruidig. Een altijd boeiend geheel van geborgenheid.

Opeens was dit winkeltje dicht, voorgoed. Waarom? Mijn moeder legde het me uit. De man van juffrouw Iewaarde was buschauffeur bij het openbaar vervoer. En het was crisis. De regering had besloten dat maar één van de twee geld mocht verdienen, en omdat meneer Iewaarde eens een pensioen van de gemeente zou krijgen, hadden ze het winkeltje opgegeven. „Het mes kan niet aan twee kanten snijden”, zei mijn moeder. Dat was in 1932 mijn kennismaking met de depressie.

Toen ik wat groter was, nam mijn vader me zondags mee op stadswandelingen, vaak langs de havens. De hijskranen vond ik het mooist. Thuis probeerde ik met bamboestokken en touw ook zo’n werktuig te maken. En verder lagen de havens vol met roestige zeeschepen en graanelevators. „Die schepen zijn opgelegd,” zei mijn vader. Het was een mooi gezicht, als een schilderij van Heyenbrock of Mastenbroek. Maar wat betekende opgelegd? „Er is geen werk meer, het is crisis.”

De weg naar school ging langs een stempellokaal. Werklozen kregen ‘steun’. Om te bewijzen dat ze niet stiekem werkten en als bewijs van ontvangst moesten ze een stempel zetten. Voor de ingang van het gebouw was het een soort openlucht sociëteit waar de steuntrekkers de toestand bespraken. Ze hadden geen geld voor sigaretten of sigaren, ze kauwden pruimtabak. Als alle nicotinekracht uit zo’n kauwstang verdwenen was, spuugden ze de rest uit. Het ‘keessie’. Aan de kleur van het plaveisel kon ik zien hoe dicht ik tot het centrum van de sociëteit was genaderd. Daar waren de stoeptegels vrijwel zwart. Verderop was het gebouw van het socialistische dagblad de Voorwaarts. Ook daar stond een drom werklozen de toestand te bespreken; ook daar een zwarte stoep.

In die jaren hadden we ook popmuziek al werd het nog niet zo genoemd. Amusementsmuziek. De Andrew Sister zongen in close harmony Bei mir bist du scheen, please let me explain, enz. Scheen is jiddish. De Nederlandse versie ging als volgt: Bei mir bist du schön, we trekken van de steun, en we eten bij het Crisis Comitee, we eten erwtensoep, zo dun als koeiepoep. Het Crisis Comitee bestond uit dames en heren van goeden huize die zich over het werkloze proletariaat ontfermden. Sommige werklozen werden kleine zelfstandige. Ze namen een koffertje, propten het overzichtelijk vol met scharen, mesjes, garen en band en gingen daarmee in de huis aan huis verkoop. Eerst zetten ze hun koffertje op de stoep, deden het open en dan belden ze aan. ‘Nee, dank u. Niets nodig.’

Op een zondagmiddag was ik in de huiskamer aan het spelen waarbij ik lawaai maakte. De radio die op een gotisch kathedraaltje leek, stond aan. Uit de luidspreker klonk geschreeuw, af en toe onderbroken door uitzinnig gejuich. Ik verstond er niets van, ging door met mijn eigen lawaai. Opeens snauwde mijn vader die ik alleen als de lieve vriendelijkheid zelf kende, dat ik stil moest zijn. Hij stak nog een sigaret op en luisterde verder naar het kabaal uit de radio. Opeens hield het op. Hij blies de rook loodrecht omhoog – altijd een teken van onheil – en zei: „Er komt oorlog en dat hebben we aan meneer Hitler te danken”.’

Tot zover een paar herinneringen aan de crisis en de depressie van een driekwart eeuw geleden. Als kleine jongen interesseer je je niet voor de wereld van de grote mensen; je hebt je eigen universum. Maar later blijkt dat je er niet aan ontsnapt bent. De wereld van de grote mensen uit mijn kindertijd bestond uit drommen sjofele mannen met petten, bedelaars en marskramers aan de deur en in de Cineac de zwart-wit journaals met de oorlog in Abessinië, de Spaanse burgeroorlog, en van tijd tot tijd een schreeuwende nazi door de radio. Er komt oorlog, zei mijn vader. Op 10 mei 1940 was het zo ver. Ik was niet verbaasd.

Vanmorgen (25 september) heb ik het laatste wereldnieuws gelezen. George W. Bush heeft de natie toegesproken, John McCain wil het eerste grote debat met Barack Obama uitstellen. In de Volkskrant van de vorige dag en de International Herald Tribune van dezelfde dag wordt onophoudelijk alarm geslagen. Niemand weet precies wat er aan de hand is en wat we moeten doen. Het nieuws ademt paniek. Hier om de hoek is een lagere school. Speelkwartier. De kinderen schreeuwen en rennen over het schoolplein. Misschien wordt er wel eentje journalist. Graag zou ik het stukje willen lezen dat hij (of zij natuurlijk) omstreeks 2083 over deze crisis in wording zal schrijven.