Conservatieven zijn o zo gezinsvriendelijk en hebben dus minder kinderen

Tussen Noord- en Zuid-Europa loopt een vruchtbaarheidsbreuklijn. Vrouwen in Italië en Spanje krijgen te weinig kinderen en de bevolking neemt af. Oorzaak: conservatieve landen hebben een ouderwetse gezinscultuur die fataal conflicteert met moderne westerse waarden als seksegelijkheid.

Illustratie Jacqueline Elich
Illustratie Jacqueline Elich Elich, Jacqueline

Directeur John Adams Institute

Ik heb ooit een jaar in Tokio gezeten, en ik ben van Italiaans-Amerikaanse komaf. Door die twee dingen samen is mij onlangs een bescheiden licht opgegaan over Europeesheid – en misschien ook over de toekomst van Europa. De Europeanen krijgen nu al bijna tien jaar lang steeds weer naar hun hoofd dat zij het laten afweten in de slaapkamer – of, nauwkeuriger gezegd, dat zij buitensporige aanhangers zijn van anticonceptie. De Europeanen, zo houdt men ons voor, krijgen te weinig kinderen. De vervangingsratio – het aantal kinderen per vrouw dat vereist is om de bevolking van een samenleving constant te houden – is 2,1. Niet één Europees land komt in de buurt van dat cijfer, en delen van Europa zweven rond de 1,3. Dit werd in 2002 door een drietal demografen het laagste lage vruchtbaarheidscijfer (lowest-low fertility rate) gedoopt, waarbij het aantal geboren kinderen jaarlijks met de helft zou afnemen, met als gevolg een ‘vrije val’, die op den duur een samenleving noodlottig wordt.

Als je de situatie op andere punten bekijkt zijn de meeste leiders en demografen het erover eens dat hier een crisis op til is. De afnemende bevolking betekent het einde voor ons pensioensysteem en de verzorgingsstaat. In toenemende mate zullen we afhankelijk zijn van immigranten.

Dit voedt de vrees over de toekomstige relevantie van Europa (sinds de jaren zestig is het percentage van de wereldbevolking dat in Europa leeft, gedaald van 12,5 naar 7,2) – de grote veranderingen in de maatschappij en de ondergang van Europese culturen.

Letizia Mencarini, hoogleraar demografie in Turijn, noemde de kwakkelende vruchtbaarheid van haar land „pathologisch”. Dat heeft ook voordelen, zegt Paul Ehrlich, de wetenschapper van Stanford University die in de jaren zestig van de vorige eeuw waarschuwde voor een bevolkingsexplosie. „Het is krankzinnig om een laag geboortecijfer als een crisis te beschouwen. Het is prachtig dat de bevolking van de rijke landen begint te slinken tot een duurzaam niveau. Dat móét gebeuren, want wij richten onze middelen van bestaan te gronde.”

Als we de vruchtbaarheidscijfers onder de loep nemen komt er nog iets anders aan het licht, niet over Europa als geheel, maar over twee culturen die zich binnen Europa naast elkaar ontwikkeld hebben. Dwars door Europa, tussen noord en zuid, loopt een vruchtbaarheidsbreuklijn. Ten noorden van die lijn – hier in Nederland, in Frankrijk en vooral in de Scandinavische landen – ligt het vruchtbaarheidscijfer rond de 1,7 à 1,8. Daarentegen zijn welhaast de laagste vruchtbaarheidscijfers ter wereld te vinden in de ogenschijnlijk zozeer op het gezin gerichte landen Italië, Spanje en Griekenland, die op dit moment allemaal rond de gevreesde 1,3 zweven.

Hoe komt dat? Het probleem lijkt te schuilen in het gezinsvriendelijke ethos van die landen. „In al die landen is het heel moeilijk om werk en gezin te combineren”, zegt Francesco Billari, een van de auteurs van het onderzoek dat het begrip ‘laagste lage vruchtbaarheidscijfer’ heeft geïntroduceerd. „Dat komt ten dele doordat in deze landen binnen echtparen de sekserelaties sterk asymmetrisch zijn.”

Wat houdt dat precies in? In een in februari gepubliceerd onderzoeksverslag van Letizia Mencarini en drie collega’s wordt de situatie van de Italiaanse en de Nederlandse vrouwen vergeleken. Het bleek dat een hoger percentage Nederlandse dan Italiaanse vrouwen een baan heeft. Dan zou je dus verwachten dat er minder Nederlandse kinderen komen, maar het tegendeel blijkt het geval: het vruchtbaarheidscijfer in Nederland is aanmerkelijk hoger: 1,73 tegen 1,33. Dit verschil hangt samen met het feit dat Italianen doorgaans aanzienlijk veel conservatiever denken over de rolverdeling van de seksen. De sociologen constateerden dat vrouwen op wier schouders meer dan 75 procent van de huishouding en de zorg voor de kinderen rust, minder gauw een kind erbij willen dan vrouwen wier echtgenoten of partners de lasten delen. Anders gezegd: Nederlandse vaders verschonen meer luiers, halen meer kinderen op van de voetbaltraining en maken de woonkamer vaker schoon dan Italiaanse vaders; daardoor worden er naar verhouding meer Nederlandse baby’s geboren dan Italiaanse. Mencarini: „Het gaat erom in hoeverre de man de zorg voor de kinderen op zich neemt.’’

Dat brengt een zelden opgemerkt onderscheid tussen Noord- en Zuid-Europa onder de aandacht. De spectaculaire transformatie van de moderne samenleving sinds de jaren zestig van de vorige eeuw – vooral de veranderingen in de rol van de vrouw, door ruimere mogelijkheden voor onderwijs en werk, de komst van de moderne geboortebeperking en nieuwe mogelijkheden om je leven in te richten – is gepaard gegaan met spanningen tussen krachten die op vele plaatsen nog niet met elkaar zijn verzoend.

De ene samenleving is er beter dan de andere in geslaagd om die tegenstrijdige krachten met elkaar te verzoenen.

In veel landen met meer gelijkheid tussen de seksen maakt de samenleving werk van kinderopvang en andere instellingen die werkende vrouwen ten goede komen, waardoor die vrouwen zich een tweede of derde kind kunnen veroorloven. Dat is een fundamenteel verschil tussen noord en zuid. De Scandinavische landen hebben zowel de meest solide stelsels van sociale voorzieningen in Europa als de hoogste vruchtbaarheidscijfers. Ofschoon Italiaanse vrouwen net zo hoog opgeleid zijn als Scandinavische, werkt ongeveer 50 procent van de Italiaanse vrouwen , tegen 75 à 80 procent van de vrouwen in de Scandinavische landen. De Italiaanse samenleving ziet het liefst dat vrouwen, eenmaal moeder, thuisblijven, en de overheid werkt dat in de hand. Er is maar weinig door de staat betaalde kinderopvang, en nauwelijks voor jonge moeders: slechts 7 procent van de mensen met kinderen van 0 tot 3 jaar kan gebruik maken van kinderopvang.

De uitbundige, levenslustige Zuid-Europese cultuur, zoals die zichzelf graag ziet – zeg maar met de ‘grote, wilde Griekse bruiloft’ als ideaal – heeft een keerzijde. Op iedere boulevard in Milaan, Madrid of Athene waan je je in het hart van de moderne westerse cultuur: auto’s met tomtoms, designerboetieks, iPhone aan het oor – de hele bups. Maar dat blijkt slechts een vernisje. Op een dieper niveau heeft de Zuid-Europese geest de moderniteit misschien wel helemaal niet zo gretig verwelkomd.

Dat diepgewortelde culturele conservatisme treft mij telkens weer als ik Italië bezoek, en trouwens ook wanneer ik mijn Italiaans-Amerikaanse familie in Pennsylvania opzoek. Toen ik in augustus thuiskwam voor de gouden bruiloft van mijn ouders, waren alle vertrouwde elementen uit mijn jeugd present: omhelzingen, pasta, Frank Sinatra, traditie. In Italië treft mij het cultureel conservatisme op culinair gebied: wáár je dezer dagen in Europa ook komt, overal vind je dezelfde wereldkeuken, een uit een mengelmoes van culturen samengestelde universele keuken. Maar in Italië vind je alleen maar Italiaans eten.

Een paar jaar geleden heb ik voor ABC News een reportage gemaakt over de pogingen van Lay’s om met hun chips de wereldmarkt te veroveren. De chipsmarketeers vertelden me trots over hun vele successen, zoals in Nederland, waar Lay’s Smith’s had overgenomen en stilletjes doende was hun naam en logo een plaats te geven op iedere zak. Hun succes – het gemak waarmee samenlevingen zwichtten voor deze culinaire invasie – was deprimerend.

Maar er waren een paar opvallende uitzonderingen, een paar landen die verzet boden, die zich op eetgebied aan hun eigen mores hielden en die niets wilden weten van chips. Het voornaamste bolwerk was Italië. De koppige authenticiteit van de Italiaanse keuken en de Italiaanse houding ten aanzien van eten en maaltijden spreken mij zeer aan. Maar diezelfde koppigheid lijkt een rol te spelen in onverzettelijkheid op een ander cultureel vlak, die gevolgen heeft voor de rol van de vrouw, en uiteindelijk voor het geboortecijfer.

Als deze interpretatie van de Zuid-Europese landen klopt – dat hun lippendienst aan de moderniteit, aan een eenentwintigste-eeuwse levenswijze, fataal conflicteert met een in de negentiende eeuw gewortelde kijk op het gezinsverband –, dan zal ze toch zeker ook elders in de wereld opgaan?

Dat lijkt inderdaad het geval. In april heeft de Japanse overheid cijfers vrijgegeven waaruit blijkt dat in haar land het aantal inwoners onder de veertien jaar sinds 1908 niet zo laag is geweest.

In mei liet het hoofd van het Thaise ministerie van Gezondheid weten dat het geboortecijfer in zijn land nu staat op 1,5 – ver onder de vervangingsratio. Zuid-Korea heeft het laagste vruchtbaarheidscijfers in de wereld: 1,1. Japan zit daar iets boven. De oorzaken zijn dezelfde oorzaken als in Zuid-Europa. Al die samenlevingen wortelen in een traditie waarin de man de enige kostwinner is, en de vrouw een onderdanige levensgezellin en sekspartner.

Hier komt mijn jaar in Japan niet onaardig van pas. Ik zal nooit vergeten dat ik een bar in de Tokiose wijk Ginza binnenstapte en daar bediend werd door een vrouw in kimono die mij geknield een biertje serveerde – net als andere vrouwen voor andere mannelijke klanten. Van de jonge vrouwen die met schrille, militaristisch-onderdanige kreten in warenhuizen de klanten verwelkomden tot de veelvuldig herhaalde dooddoener van Japanse mannen over vrouwen en hun leeftijd (‘een vrouw is als een kerstcake: waardeloos na haar 25ste’), heb ik ruimschoots bevestiging gevonden van de gangbare opvatting dat de Japanse samenleving wat de betrekkingen tussen de seksen betreft in wezen feodaal is.

Recente gegevens bevestigen dit soort incidentele indrukken. In Italië, Spanje, Japan en Korea mogen de samenlevingen dan zijn veranderd, op een wezenlijk niveau hebben zij zich toch nog niet echt aangepast aan de moderne wereld. De kalender zegt ‘2008’, maar thuis, in het eigen hoofd, klinkt het meer als ‘1908’.

Onder de westerse landen is er één bruisende uitzondering op de trend van de lage geboortecijfers: vorig jaar is in de Verenigde Staten het vruchtbaarheidscijfer uitgekomen op 2,1 – het hoogste van alle ontwikkelde landen. Hoe krijgen de VS dat voor elkaar? In Noord-Europa ligt de oplossing deels in het verzorgingsstaatsmodel, dat inhoudt dat de staat ruime ondersteuning biedt aan echtparen met kinderwens. Maar de VS volgen een tegengestelde koers. De Amerikaanse oplossing is om het voor vrouwen gemakkelijker te maken de arbeidsmarkt te betreden en weer te verlaten.

Er lijken dus twee modellen te zijn om tot een hoger vruchtbaarheidscijfer te komen: het neosocialistische Scandinavische, en het Amerikaanse laissez-fairemodel. Beide bieden echtparen hier en daar een doortocht door de wirwar van financiële en tijdsbeperkingen, opdat zij kunnen werken én kinderen grootbrengen, en dus kunnen besluiten om meer kinderen te krijgen. „Je zou kunnen zeggen dat een samenleving als regel, om de vruchtbaarheid te bevorderen, ofwel gul ofwel flexibel moet zijn. De VS zijn niet erg gul, maar flexibel zijn ze wel. Italië is niet gul op het gebied van de sociale voorzieningen, en flexibel is het evenmin. Er bestaat in landen als Italië, waar het maatschappelijk minder aanvaard wordt dat vrouwen met kinderen een baan zoeken, ook een sociaal stigma. In de VS wordt dat heel normaal gevonden”, zei de Noorse demograaf Arnstein Aassve tegen mij.

Zo bezien is het slechtste stelsel het stelsel dat deels meegaat met de moderne wereld – dat de kans op onderwijs en werkgelegenheid voor vrouwen vergroot – maar tegelijkertijd zijn traditionele opvattingen aanhoudt. Dat lijkt de juiste analyse van de demografische crisis die Italië, Spanje en Griekenland doormaken – en misschien ook Japan, Zuid-Korea, Hongkong, Thailand en elders. Over de hele wereld moderniseren maatschappijen, maar veel mensen willen slechts een oppervlakkige laag van moderniteit bovenop hun oude cultuur. Het geboortecijferverhaal toont het gebrek in deze tactiek. Eerder dan het bewaren van de eigen cultuur, is het de dood van die cultuur.

West-Europa is dus, demografisch gezien, geen geïsoleerd geval, maar alleen het deel van de wereld dat als eerste extreem lage geboortecijfers heeft laten zien. Het is geen kwestie van Europa tegen de wereld, maar van de gestage, moeizame mars naar de moderniteit.

Zolang niet-westerse immigranten Europa binnenstromen, en de discussie over westelijke waarden aanhoudt, zouden Europeanen eerst goed moeten kijken hoe zij zelf die waarden – niet alleen traditionele, maar ook moderne, westerse waarden – toepassen, voordat zij erop aandringen dat nieuwkomers hetzelfde doen.

De laatste keer dat ik een kijkje nam bij mijn Albert Heijn lagen de schappen vol zakken Lay’s. Dat voorspelt niet veel goeds voor de Nederlandse keuken, maar zou een gunstig teken kunnen zijn voor het Nederlandse geboortecijfer. Voor de Italiës van deze wereld geldt misschien deze simpele, harde les: ga aan de chips, of je dagen zijn geteld.