Tsjechov of een Arabisch liedje

Het moet een ‘knallend goede’ beroepsopleiding worden, de Acteerschool Rotterdam. De school richt zich op jongeren met een ‘grootstedelijke achtergrond’; autochtoon en allochtoon. „Zij moeten zich straks extra hard bewijzen, net als de eerste vrouwen die op de arbeidsmarkt kwamen.”

Studenten van de Acteerschool Rotterdam Foto Walter Herfst Rotterdam, 13 september 2008 Opleiding van overwegend allochtone leerlingen krijgen les op de Toneelschool Rotterdam. Foto: Walter Herfst
Studenten van de Acteerschool Rotterdam Foto Walter Herfst Rotterdam, 13 september 2008 Opleiding van overwegend allochtone leerlingen krijgen les op de Toneelschool Rotterdam. Foto: Walter Herfst Herfst, Walter

Naoufel (24) ligt op zijn rug op een blauw matje, tussen negen leeftijdsgenoten van uiteenlopende etnische afkomst. Zangdocente Marja Gamal loopt tussen ze door, masseert schouders, trekt aan ledematen. Ontspannen moeten ze. „Edouard, open je armen en benen”, adviseert ze. „Nee, Damien, we gaan niet slapen. Heel goed, Naoufel, voel hoe zwaar je in de grond ligt.” De docente zet de Canon van Pachelbel op. Minutenlang liggen de jongeren stil. Te denken, te ontspannen. Te luisteren.

Zijn hele leven wil Naoufel al acteur worden. „Net als mijn neef Nabil, die speelt nu in de tv-serie De co-assistent.” Maar hij wilde ook snel weg uit zijn ouderlijk huis in Waalwijk. Zijn vader is imam, en vader en zoon konden flink botsen. Allerlei baantjes heeft Naoufel gehad: „Model, automonteur, vrachtwagenchauffeur. Maar het was allemaal niets voor mij.” Natuurlijk was het een kick dat hij op zijn twintigste al een auto en een koophuis had. „Maar dan zat ik ’s avonds in mijn woonkamer voor m’n plasmascherm en dacht: is dit het?”

Hij nam een grote stap, verkocht zijn huis en reisde zijn neef achterna naar Amsterdam. Daar kon hij terecht op de particuliere theateropleiding De Trap, maar dat was ook geen sinecure. „Ik was daar de enige Marokkaan. Niet dat er gediscrimineerd werd hoor, maar ik voelde me toch een buitenstaander.” Ook de manier waarop hij les kreeg greep hem niet. „Het was heel klassiek, alleen maar Shakespeare. En alles in de oude taal, met moeilijke woorden. Er werd niets uitgelegd. Als je iets niet begreep moest je thuis maar een boek gaan lezen.” Een jaar hield hij het vol. Toen ontmoette hij Bart Kiene, en nu is Naoufel een van de tien eerstejaars studenten aan de dit jaar opgerichte Acteerschool Rotterdam: een particuliere theaterberoepsopleiding met een nadrukkelijk multiculturele, of liever: ‘grootstedelijke’ signatuur.

Kiene, ook docent aan de toneelschool in Amsterdam, is er de artistiek leider. Louis Lemaire, oprichter van Jeugdtheater Hofplein, heeft de opleiding in ‘zijn’ jeugdtheaterschool aan de Pieter de Hoochweg ondergebracht. En acteur Mimoun Oaïssa, Nederlander van Marokkaanse komaf, treedt incidenteel op als coach en carrièrebegeleider. Lemaire: „We zaten met zijn drieën een keer te somberen over het gebrek aan kansen voor allochtone jongeren die willen acteren. Toen besloten we dat we daar zelf iets aan moesten doen.”

Niet dat bestaande toneelscholen

allochtone jongeren uitsluiten. „Maar”, zegt Lemaire, „vaak belanden toch vooral hoog opgeleide, kansrijke kinderen uit, ik zeg maar wat, Apeldoorn-Oost op die scholen.” Dat wreekt zich op het toneel. Lemaire: „Dan staat er soms in een productie een ‘excuusallochtoon’, aan wie je kan merken dat hij geen goede toneelopleiding heeft genoten. Dat vind ik zonde, want het is meestal geen kwestie van gebrek aan talent.” Theater zou meer een afspiegeling moeten zijn van de huidige maatschappij, vindt Lemaire. „Kijk naar Rotterdam: 60 procent van de jongeren hier is van niet-Nederlandse afkomst. Daar zie je in het theater veel te weinig van terug.”

Ook als allochtone jongeren wel op een toneelschool terechtkomen, zijn er nog talloze barrières, merkt Bart Kiene. „Het grootste probleem is de taal. Dat geldt echt voor allemaal. Een acteur moet neutraal Nederlands spreken; zijn accent mag niet verwijzen naar een bepaald milieu. Maar ook als ze op zichzelf goed Nederlands spreken, is dat bij sommige van die ‘grootstedelijke’ jongeren zo’n typisch soort straattaaltje. Daar moeten ze vanaf. Op veel toneelscholen zijn de klassen alleen zo groot dat er geen tijd is voor passende begeleiding.”

Meestal komen ze gewoon niet op het idee om naar de toneelschool te gaan, denkt Lemaire. „Er is geen geld of ze hebben een te drukke baan. Maar de belangrijkste oorzaak is het gebrek aan goede rolmodellen. Er heerst een gevoel van: dit is niet voor mij.” Terwijl dat laatste volgens Lemaire heel eenvoudig is te verhelpen. „Ik maakte op de jeugdtheaterschool een keer Sneeuwwitje, met een Kaapverdisch meisje in de hoofdrol. Het jaar daarop kregen we plots veel meer Kaapverdische kinderen op school.”

In de aankondiging van de audities voor De Acteerschool werd dit voorjaar daarom vrij expliciet duidelijk gemaakt voor wie de nieuwe school bedoeld was: ‘jonge mensen van alle culturele achtergronden die ons land rijk is.’ Tweehonderd deden er auditie; de een met een Arabisch liedje, de ander met een monoloog uit Tsjechovs Drie zusters. Bart Kiene: „Van tevoren hebben we wel expliciet onze multiculturele invalshoek benadrukt, maar bij de audities ging het vervolgens echt alleen maar om talent. Het is hier geen maatschappelijk werk. De studenten moeten gewoon steengoed zijn.” Tien aankomende acteurs zijn deze maand met de opleiding begonnen: Damien, Edouard, Lois, Sheena, Mitchell, Philippe, Jarvey, Enrico, Carla en Naoufel.

Een paar zaten al op Lemaires jeugdtheaterschool. Sommigen speelden al eens een rolletje in een soap. Weer anderen hebben geen enkele ervaring. Damien (23): „Ik wist niet eens dat ik wilde acteren, alleen dat ik het leuk vond om in de schijnwerpers te staan. Een tante had iets over deze school in Metro gezien. Bij de audities heb ik toen maar gewoon een verhaaltje geïmproviseerd, want ik kende helemaal geen theaterteksten.” De opleiding bevalt goed, zegt hij. Zelfs de klassieke balletlessen, hoewel Damien volgens eigen zeggen toch niet echt het „klassieke ballettype” is. „Maar het is heel goed voor je spieren.” De verdiepingslessen vindt hij ook interessant: kunst, cultuur, filosofie. „Wat ik nu allemaal leer, wow. Ik sta vaak echt met mijn oren te klapperen.”

Ook Naoufel geniet enorm, al is het af en toe wel zwaar zo tijdens de Ramadan. Hij heeft er geen spijt van dat hij er veel voor moest opgeven. „Eerst was ik blij met mijn auto, maar nu ben ik al blij met de fiets of de tram; omdat ik doe wat ik wil doen.” Met logopedie werkt hij aan zijn accent. „Ik wist niet eens dat ik anders praatte. Het komt door het Berbers, dat gaat altijd heel vlug. Daarom praat ik ook in het Nederlands te snel.” Bij de spellessen van Bart Kiene worden ze „keihard in het diepe gesmeten”, zegt hij. Maar dat werkt wel. De klas repeteert meteen al voor een voorstelling: op 9 november spelen ze op school Ibsens Peer Gynt voor publiek.

Inmiddels vindt Naoufel klassiek repertoire wél interessant. „Hier wordt het beter uitgelegd. En gemoderniseerd. Bart heeft alle oude woorden eruit gehaald. Ook combineert hij het met bijvoorbeeld Indonesische liedjes. Nu vind ik het een heel gave voorstelling. Ook al is Peer Gynt eigenlijk een sukkel.”

Die Indonesische liedjes zijn niet toevallig. Bart Kiene, zelf half-Indisch, wil bewust ook niet-westers repertoire onderwijzen. Zo krijgen de studenten naast klassiek ballet bijvoorbeeld les in de Indonesische vechtkunst Pencak Silat. De klas zal het Japanse Noh-theater bestuderen, en Kiene wil graag Arabische liederen met ze zingen. „Daar kan Naoufel dan bij adviseren. Ik hoop op veel input van de studenten zelf.” Maar hiphop en streetdance zitten dit eerste jaar expres niet in het lesaanbod. „Sommige van de jongens hebben zich zo’n soort stoere hiphop-motoriek aangemeten. Die moeten ze juist eerst afleren.” Volgend jaar komt jazz- en streetdance wel aan bod.

De studenten krijgen drie dagen per week

tien uur les: stem- en zangtraining, spel, dans, improvisatie en verdiepingsvakken. Later komen daar nog zelf schrijven, decor- en kostuumontwerp, techniek, productie en camera-acteren bij. En zakelijke vakken, zoals boekhouden, sponsors benaderen en subsidie aanvragen. Louis Lemaire: „We leiden ze op tot autonome, allround theaterprofessionals.”

Voor de rest van de week heeft de school voor bijna allemaal een bijbaan gevonden die verband houdt met het theater: catering, productiewerk, techniek. Lemaire: „Ze moeten natuurlijk wel werken, maar we wilden niet dat ze ’s nachts op een vrachtwagen gaan zitten. Op deze manier kunnen ze opleiding en werk goed combineren en houden ze bovendien contact met de maatschappij. En ze kunnen zo het lesgeld betalen.” Mocht het iemand toch niet lukken de kosten op te brengen, 1.500 euro per jaar, dan is er een kleine beurs beschikbaar, dankzij de Van den Ende Foundation. Lemaire: „Iedereen moet deze school af kunnen maken.”

De initiators benadrukken dat de Acteerschool Rotterdam niet per se een ‘allochtonenschool’ is, en dat ze gewoon een ‘knallend goede’ beroepsopleiding wilden neerzetten. Lemaire: „Deze mensen moeten zich straks extra hard bewijzen, net als vrouwen toen die net op de arbeidsmarkt kwamen.” Dus werden stevige docenten aangetrokken. Naast Kiene bijvoorbeeld nog Peter Oskam en Marja Gamal, beiden ook van de Amsterdamse Toneel- en Kleinkunstacademie. Grote namen uit de beroepspraktijk als Thijs Römer, Erik Vos en Pepijn Cladder geven workshops of treden op als gastdocent. Kiene: „We hebben niet veel geld, 1.500 euro lesgeld is weinig, dus we zijn erg afhankelijk van goodwill. Maar veel mensen zijn bereid te helpen. Zij zien ook het belang van deze opleiding in.”

De vier uur zang- en stemtraining van Marja Gamal op zaterdagmiddag loopt intussen ten einde. Na de ontspannings- en ademhalingsoefeningen komt bij het zingen ook al even de uitspraak aan bod. „A-a-m-o-o-r-e”, moeten de studenten zingen in een steeds hogere toonsoort. „En dan dus niet ‘oeh’, hè jongens,” zegt Gamal, „met die Rotterdamse ‘o’ van jullie”.

Inlichtingen: www.jeugdtheaterhofplein.nl