Ik kan mijn leven in de kast zetten

Joris van Casteren (32) is schrijver en journalist.

Vorige week verscheen zijn boek Lelystad, over bewondering die omsloeg in vernielzucht.

Foto Mieke Meesen
Foto Mieke Meesen Meesen, Mieke

Eigenlijk voelt hij zich niet zo goed. Een week voor dit gesprek ging de definitieve proef van zijn nieuwe boek naar de drukker en toen is hij even ingestort. „Ik was er echt ziek van. Nog dagenlang heb ik enorme spierpijn gehad, heel bizar.” Van schrijver en journalist Joris van Casteren (32) verscheen afgelopen week een boek over Lelystad, de eerste bedachte stad van Nederland en de plaats van zijn lamlendige jeugd. Ironisch beschrijft hij hoe deze lang verwachte ‘Zuiderzeemetropool’ uiteindelijk een monotone, troosteloze nieuwbouwstad werd. En hoe, net als de stad, het leven van de bewoners er maar niet op vooruit ging.

In de jaren zestig waren de verwachtingen nog hooggespannen, zelfs nadat het ambitieuze plan van stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren overboord was gegooid en de agrarisch ingenieurs van de Rijksdienst aan de slag gingen met het systematisch uit de klei trekken van nieuwbouwwijken. Toen de eerste bewoners van de nieuwe stad hun gevarieerde systeemwoningen betrokken, en de geestdodende orde begonnen te verstoren met vernielingen en ander asociaal gedrag, werd de hoop nog dieper de polderbodem ingeslagen.

In 1976, nog voor zijn eerste verjaardag, verhuisde Van Casteren met zijn idealistische ouders naar de nieuwe stad, waar vader een vooruitstrevende school begon en moeder zich zou bezighouden met de opvoeding van hun pionierskinderen. Na een paar jaar strandde het huwelijk – Lelystad had begin jaren tachtig het hoogste aantal echtscheidingen van het land – en bleven Joris en zijn broertje bij hun moeder wonen. Die was lesbisch geworden en danste in het vrouwentrefcentrum op vrouwvriendelijke muziek.

Van Casteren keerde voor zijn boek tijdelijk terug naar de stad.

Tot nu toe schreef u nooit over uzelf.

„Nee, in mijn reportages verschuil ik me altijd achter andere mensen. Maar ik wist al heel vroeg dat ik iets met Lelystad zou doen, die stad heeft zo’n maffe geschiedenis en die maakt deel uit van mijn jeugd. Het fascineert me hoe die bedachte stad en het slechte plan dat er uiteindelijk voor is gebruikt verbonden zijn met het lot van de eerste bewoners.

Zelf was ik heel enthousiast over die stad in het begin, omdat iedereen er zo optimistisch over was. In 1905 had Frederik van Eeden er al grootse fantasieën over en op school hamerde mijn leraar erop hoe bevoorrecht wij waren om als eerste generatie in deze nieuwe stad op te groeien. Thuis maakte ik in de atlas de stip Lelystad groter en op vakanties zei ik altijd heel trots ‘Ik kom uit Lelystad’, omdat ik dacht dat men dan heel bewonderend naar me zou kijken. Mijn enthousiasme sloeg om toen de voorgenomen groei van de stad niet doorging en ik steeds meer met vandalisme geconfronteerd werd. Later ben ik ook gaan vernielen, uit woede om het mislukken van die utopie, denk ik achteraf. Het ging me echt aan het hart dat die stad niet werd wat het had moeten worden. Raar is dat, hè? Als klein kind wilde ik meegaan in de gedachte van mijn vader en mijn ogen sluiten voor het verval. Als tiener zag ik dat het niet langer ging en ben ik me tegen dat redeloze optimisme gaan afzetten.”

Lelystad was onderwerp van een generatieconflict?

„Ja. Daarom denk ik dat dit boek bij mijn ouders hard is aangekomen. Mijn vader is echt een onverbeterlijke optimist. Mijn vader ís Lelystad, met zijn dwangneurotische ordelijkheid en drang tot zelfverwezenlijking. En hij was mijn voorbeeld. Zijn heldere principes en strak geregisseerde huishouden maakten vroeger enorme indruk op mij. Ook dat hij vasthield aan een ideaal, terwijl iedereen al lang zag dat die stad naar de klote ging.”

De geest van Lelystad zit ook in uw andere werk: gebundelde portretten en reportages.

„Die gaan inderdaad vaak over de mislukte idealen van kleine lieden: schrijvers die niet gelezen worden, een Marokkaanse vrouw die eindeloze pogingen doet haar rijbewijs te halen. Maar dat is de realiteit. De nadruk ligt altijd op succes, terwijl niet succes hebben veel meer deel van het leven is. Ik vind het heroïsch dat mensen gewoon doorgaan tegen de verdrukking in. En het is fascinerend om te laten zien hoe genadeloos de werkelijkheid kan toeslaan. Vaak blijkt die veel wijdlopiger en grappiger dan ik zelf kan verzinnen. Als er bijvoorbeeld verwarring ontstaat doordat de hoofdpersonen verschillende belangen hebben, of als iemand met vaste overtuigingen door een wending van het lot ineens geen antwoorden meer heeft. Dat vind ik heel komisch.”

Dat moet ook wel anders zou je er bijna depressief van worden.

„Ja, dan zou ik gek worden, ik zou het me veel te veel aantrekken. Humor is een manier om de werkelijkheid te lijf te gaan. Ik probeer mensen te ontmaskeren, te zien wat een ander liever niet onder ogen wil zien. Lelystad heeft deze fascinatie sterk gekleurd. Maar goed, het is voor mij een lang proces geweest: ‘ontlelystadten’, weg uit het moeras. Ik had daar echt een minderwaardigheidscomplex opgelopen, was een heel schuchtere jongen. Rond mijn zeventiende ging ik reportages maken voor de Lelystadse Courant, maar ik durfde niet eens iemand aan te kijken.”

U durfde wel bushokjes in puin te slaan.

„Ja, omdat dat zo hoorde. Het tuig had daar de grootste mond en iedereen liep daar achteraan. Dat heb je in meer plaatsen natuurlijk wel, maar in Lelystad gebeurde dat massaal. Subculturen bestonden er nog niet. De grote homogene groep van achterstandsgezinnen legde veel gewicht in de schaal. Dus als je iets anders wilde dan bedacht je je wel tien keer.”

Wat was toen uw beeld van de toekomst?

„Ik was bang dat het nooit goed zou komen, totdat ik op televisie een documentaire zag over de Vijftigers. Dat is echt een keerpunt geweest. Vanaf dat moment ben ik gedichtjes gaan schrijven en heb ik altijd geweten: ooit doe ik hier iets mee, met dat rare, doelloze leven in deze mislukte stad. Tussen mijn moeder en mij ging het ook al niet goed in die tijd. Altijd als er iets vervelends gebeurde, dacht ik: als ik ooit de kans krijg om dit te gebruiken... Ik heb het ook vaak tegen mezelf in de spiegel gezegd, herinner ik me nu. Dat gaf een enorme kracht.”

En nu heeft u er iets mee gedaan. Het boek is geschreven.

„Ja, door dit boek heeft de plaats uit mijn jeugd voor mij betekenis gekregen, ook omdat ik de historische context geef en de vinger kan leggen op de plaatsen waar het mis is gegaan. Ik kan die plek nu helemaal duiden en daardoor mijn leven ook. Dat stelt gerust. Mijn leven zit in een bandje en nu kan ik het in de kast zetten. Al gaat het leven in Lelystad gewoon door. Er worden nog voortdurend dingen gesloopt en weer opnieuw opgebouwd. Toen ik er afgelopen week even terugwas voelde het alsof ik er geen grip meer op had. Ik dacht: verdomme, nu moet het echt stoppen. Die stad is jarenlang een decor voor mij geweest, een filmstudio in mijn hoofd. Laat het maar platgewalst worden, het is genoeg geweest.”

En nu?

„Tsja, wat nu? Op dit moment ben ik nog zoekende. Want eigenlijk ben ik nu natuurlijk gewoon een beetje depressief. ’

Lelystad, Prometheus, 334 pag. 17,95 euro.