De canon van wat Nederland bezighoudt

Joost Zwagerman stelde een bloemlezing samen van 200 Nederlandstalige essays.

Het zegt veel over de Nederlandse preoccupaties.

Over de roem en de ruimtevrees. Het nationaalsocialisme als rancuneleer. Islam in Europa. Een dag uit het leven van de Reuzekoeskoes. Over Marieke van de bakker.

Met De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, dat vandaag verschijnt, sluit Joost Zwagerman zijn drieluik van genre-bloemlezingen af, en toont hij in één moeite door een waslijst van Nederlandse verhandelingen, betogen en andere via het woord ondernomen zoektochten. 167 essayisten nam Zwagerman op, van Conrad Busken Huet (1826) tot Abdelkader Benali (1975), van Ter Braak en Du Perron tot Bas Heijne en Roel Bentz van den Berg. Maar geen Multatuli, de schrijver van Ideeën, wiens invloed een rivierdelta in het Nederlandse literaire landschap vormt, ontbreekt omdat vrijwel al zijn werk voor 1880 verscheen.

Hoe ontstond het idee om niet alleen op auteur, maar ook op onderwerp te selecteren?

„Werkende weg, zoals Ruud Lubbers zou zeggen. Het kwam doordat ik zoveel mogelijk verschillende kanten van het genre wilde laten zien. Moest ik bij Jan Wolkers kiezen voor zijn essay over Rembrandt of dat over de Bijbel? Ik koos voor Rembrandt, maar dat betekende dan dat ik niet ook Rudi Fuchs over Rembrandt wilde opnemen, maar één van diens andere stukken. Al doende realiseerde ik me dat dit boek ook een soort canon zou worden van de onderwerpen waar Nederland zich mee bezig heeft gehouden, al ben ik me blijven concentreren op de literaire essays, die je leest om hun stijl. Al hou je niet van circus, je wilt misschien wel weten wat Kees ’t Hart erover schrijft.”

En? Is er een rode draad in de Nederlandse preoccupaties?

„Dat zou ik niet durven zeggen. Het nationaalsocialisme blijft lang een rode draad, zo ook Europa en tegenwoordig de islam in Europa. Nederland in relatie tot de rest van de wereld, kun je zeggen, maar dat is te algemeen. De onderwerpen beslaan alles tussen Hollandse genoeglijkheid en wereldse weidsheid.”

Is er een typisch Hollandse manier van essayeren?

„Als typisch Hollandse aanpak geldt voor mij toch die van Karel van het Reve: wars van prietpraat, helder van taal en met een kwinkslag de wereld bezien. En nu kom ik op een heikel punt; ik heb niet het maximale aantal van drie, maar twee essays opgenomen. Bij Van het Reve, die voor velen als één van de grootsten telt, heb ik toch het idee dat het superieur amusement soms de boventoon voerde. Het snijden in eigen vlees, zoals Ter Braak deed, is voor mij ook deel van het essay-schrijven. Ik veer op als Bas Heijne niets ontziende zelfbeschouwing betracht.”

In uw inleiding behandelt u definities van het essay. Wat is de uwe?

„Het ongrijpbare is voor mij de aantrekkingskracht van het genre. Er is ook een zeker overlap met andere genres. Atte Jongstra heeft bijvoorbeeld prachtig laten zien hoe je narratieve elementen in het essay kan verwerken of er zelfs poëzie in kunt laten doorklinken. Het essay is avontuurlijker en ook lichter dan veel mensen denken. Een essay zou altijd ernstig zijn en vol van meningen en standpunten. Daar is erg de draak mee gestoken door mensen die het genre vervolgens drastisch hervormden, zoals Hugo Brandt Corstius en Komrij. ‘Nog nooit van mijn leven heb ik een essay geschreven’, zei Komrij nadat hij de P.C. Hooftprijs voor essayistiek had gekregen. Dat tegendraadse hoort er voor mij wel bij.”

De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays. Prometheus, 1517 blz, € 39,95.