Anders sta je straks in de rij

In Amerika bestaat twijfel over het reddingsplan van de Amerikaanse overheid.

Wat nu als de economie niet wordt ‘gered’ en de kredietcrisis doorgaat?

Stel je voor, je wordt ’s ochtends wakker, doet de lichtknop aan en er gebeurt niets. Je kijkt uit het raam en de straat waar je woont blijkt te zijn veranderd in een zandpad waar de auto’s al half in zijn weggezakt. In het halfduister trek je je kleren aan, pak je je mobiele telefoon om deze bizarre ervaring te delen: geen verbinding. De oude transistorradio op batterijen biedt uitkomst, en terwijl je zonder water je tanden poetst verneem je het bizarre nieuws: die nacht is om onopgehelderde redenen alle infrastructuur in één klap verdwenen.

Dat weefsel dat de samenleving bijeenhoudt, nemen we gewoonlijk voor lief. De riolering zou pas worden gemist als zij ophield te bestaan, en zo is het met de meeste andere systemen om ons heen. Dat geldt zeker voor het meest banale gebruiksvoorwerp na de wc-rol: geld. Onder het oppervlak van de maatschappij ligt een verfijnde, onmetelijk complexe en gewoonlijk onfeilbare financiële infrastructuur, waarvan het wegvallen een totale ontwrichting zou betekenen. Vergelijk het met een elektronische puls die alle computerchips in een oogwenk laat doorbranden. Niets zou er meer functioneren.

Juist de alledaagsheid van het financiële systeem zorgt er voor dat de alarmerende ontwikkeling van de internationale kredietcrisis die nu al bijna anderhalf jaar woedt, maar traag doordringt tot het collectieve bewustzijn. Tot vorige week. Toen bleek het stelsel fragieler dan we tot nu toe dachten. Een langdurige periode van roekeloos winstbejag, ondoordachte innovatiedrang en explosieve kredietverlening culmineerde in een aantal dagen waarop het systeem daadwerkelijk wankelde.

Het netwerk tussen banken, beleggingsinstellingen en verzekeraars blijkt zo breekbaar en onoverzichtelijk, dat het omvallen van een paar belangrijke spelers kan leiden tot een domino-effect. Vergelijk het met het zwarte gaatje waarvoor de tegenstanders van de nieuwe deeltjesversneller in Zwitserland twee weken geleden zo bang waren. Eerst slokt het zijn omgeving op, tot in een razende kolk alles er in verdwijnt.

Anders dan de meeste infrastructuur, die van staal, glasvezel, plastic en beton is gemaakt, is het financiële systeem goeddeels gebouwd van een minder tastbaar materiaal: vertrouwen. Geld is al lang niet fysiek meer. Tegenover elke euro of dollar die in omloop is, ligt niet zoals vroeger het precieze equivalent aan goud of ander waardevol metaal ergens in een kluis. Laat staan dat ze er, zoals nog veel eerder, daadwerkelijk van zijn gemaakt.

Munten en biljetten zijn nog slechts een verschijningsvorm van geld, zoals de digitale enen en nullen in de chipknip van een bankpasje dat ook zijn. Geld is het residu van abstracte tegoeden en schulden in het bancaire systeem, het is een acute en vloeibare, liquide, vorm van vermogen. Het wordt dan ook niet alleen gecreëerd door de spreekwoordelijke biljettenpers te laten draaien. De schepping van geld gebeurt voortdurend in het bancaire systeem, en het is een vorm van hogere boekhoudkunde, niet van metallurgisch vakmanschap.

Geld is letterlijk fiduciair. Het is alleen iets waard omdat we allemaal vinden dat het iets waard is. Wie een brood koopt bij de bakker, betaalt twee euro. Die ruil vindt plaats omdat de klant en de bakker vertrouwen op het fundamentele feit dat dit geld daadwerkelijk de waarde van een brood vertegenwoordigt. Als er plotseling veel meer geld in omloop zou komen, dan zou de bakker zijn vertrouwen wel eens kunnen verliezen: voor de zekerheid zou hij voortaan drie euro vragen.

Voor extreme voorbeelden van uit de hand gelopen geldschepping en daarop volgende geldontwaarding, inflatie, kan worden gekeken naar het Duitsland van de jaren twintig, of Zimbabwe nu. Maar de explosie van de kredietverlening die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden in het internationale bancaire systeem heeft ook inflatoir gewerkt. De prijs van allerlei vermogenstitels, van verhandelbare leningen tot huizen en kantoren, is er in veel landen en dan met name de VS sterk door gestegen. Ook dat is inflatie.

Nu de kredietzeepbel leegloopt, dalen deze prijzen snel en veroorzaakt die daling gaten in het vermogen van de bancaire sector. Dat is gevaarlijk: een typische bank heeft slechts drie procent eigen vermogen op het totaal van alle leningen en bezittingen die de bank heeft uitstaan. De waarde van deze bezittingen hoeft niet zo heel ver te dalen om het eigen vermogen al te doen verdampen. Een van de oorzaken van de kredietcrisis is dat er een geheel nieuw type van bezittingen is gecreëerd: complexe financiële instrumenten die zeer stevig en winstgevend leken, maar waarvan de waarde nu hoogst discutabel blijkt.

Omdat banken door de complexiteit van deze nieuwe wereld die zij zelf hadden geschapen niet meer van elkaar wisten wie welke risico’s liep, stopten zij aanvankelijk met de dagelijkse praktijk waarbij zij elkaars tijdelijke geldtekorten met eigen tijdelijke geldoverschotten aanvulden. Zo ontstond een ‘liquiditeitsprobleem’. Het geld vloeide niet meer.

Centrale banken zien namens de maatschappij dan ook toe op de hoeveelheid geld die in omloop is. Ze maken geld duurder door het verhogen van de rente als de inflatie te snel stijgt, en maken het goedkoper wanneer dat weer kan. Ze voorzien de financiële sector van meer geld wanneer dat nodig is, en stofzuigen een teveel aan geld weer op als dat moet. In feite zijn ze de bewakers van het vertrouwen in geld. Daarom berust ook het toezicht op wat banken doen en laten, in de meeste landen voor een deel of zelfs volledig bij de centrale bank.

Het gebrek aan liquiditeit tussen de banken werd in het afgelopen jaar door de centrale banken verholpen door te zorgen dat er voldoende geld in het systeem was. Dat hebben we gezien. Injecties van tientallen miljarden euro’s en dollars moesten er voor zorgen dat de banken niet opdroogden. Het enge van de afgelopen weken is dat er nu ook ‘solvabiliteitsproblemen’ dreigden te ontstaan: de waarde van het complexe, nieuwe bezit van banken dat de afgelopen jaren voor zulke prettige winsten zorgde, daalde zodanig dat het eigen vermogen dreigde te verdampen. Voor een ‘insolvabele’ bank is er een andere, alledaagse term: hij is letterlijk bankroet.

Door het complexe netwerk van de financiële infrastructuur zitten alle banken, beleggers en bijvoorbeeld ook verzekeraars met duizenden draden aan elkaar vast: zij hebben miljarden van elkaar tegoed of zijn het elkaar schuldig. Als er één hele grote bank omvalt, dan zijn de vorderingen van anderen plotseling niets meer waard en wankelen zij ook. Dát is een systeemcrisis, en die was vorige week in de Verenigde Staten een eind op weg.

Duidelijk is dat de remedie van de liquiditeitsverschaffing op zo’n moment niet meer werkt. Wat een geldprobleem leek, is een vermogensprobleem geworden. Wat de autoriteiten in de Verenigde Staten nu van plan zijn gaat ook over dat vermogen. Enerzijds is er het voornemen om een fors uitgevallen fonds op te richten dat de wrakke bezittingen van de banken moet gaan opkopen. Zo wordt er een bodem gelegd onder de gevaarlijk erosie van de waarde van het bezit van de banken. Anderzijds zal het eigen vermogen van de banksector moeten worden versterkt. Dat kan door aandelen te kopen in de bancaire sector.

Zo moet worden voorkomen dat het financiële systeem, ook in Europa, daadwerkelijk instort. Zo ver is het nog lang niet, en het zal er vrijwel zeker ook niet van komen. Want het zal je toch maar gebeuren, ’s ochtends vroeg voor de geldautomaat.