Van Middelkoop wekt woede met uitspraken over diensttijd

De Tweede Kamer en de vakbonden van militairen hebben verbaasd en met verontwaardiging gereageerd op uitlatingen van minister Van Middelkoop (Defensie, ChristenUnie) in Vrij Nederland over zijn niet vervulde dienstplicht.

In het weekblad zegt de minister dat hij „heel blij” was met het uitstel dat hij tussen 1973 en 1978 kreeg wegens ‘persoonlijke onmisbaarheid’ voor de toenmalige GPV-fractie in de Tweede Kamer. Toen Van Middelkoop dertig was hoefde hij niet meer het leger in. In het interview zegt Van Middelkoop dat het woord gezag niet echt „in mijn vocabulaire” zit: „Tijdens die twee dagen militaire keuring voelde ik: dit is helemaal niets voor mij. Hier ga ik doodongelukkig van worden.” De VVD zegt „met ontzetting” kennis te hebben genomen van de uitspraken, de SP noemt het „slecht in tijd van personeelstekorten bij Defensie”, het CDA is „verbaasd”, de PvdA noemt het „geen gelukkige uitspraak”. Militaire vakbond AFMP spreekt over „het langer bestaande beeld van de verkeerde man op de verkeerde plaats”.

Vanuit Warschau zei Van Middelkoop vanmorgen in een reactie de opwinding te betreuren. Hij vroeg de vakbonden milder te reageren. Van Middelkoop wees er op zich als politicus al jarenlang met veiligheidszaken te hebben beziggehouden. „Ik ben een politicus en draag politieke verantwoordelijkheid. Je moet mij alleen niet vragen met terugwerkende kracht een uniform aan te trekken”, zei hij. De VVD wil dat hij en de premier opheldering verschaffen over de uitspraken.

Gisteren kwam ook een andere minister onder vuur te liggen. De Tweede Kamer heeft vanmiddag een debat ingelast met minister Cramer (Milieu, PvdA) omdat zij gisteren, tot verbijstering van het parlement, weigerde in te gaan op mondelinge vragen in het vragenuur. Volgens Cramer werden vragen gesteld die niet „haar terrein” waren en waren de direct verantwoordelijke bewindspersonen verhinderd. Vanmiddag schreef Cramer een brief dat haar opstelling tot „misverstanden” heeft geleid.

Gezag ministers: pagina 3

Commentaar: pagina 7