Althans, ze wilden af en toe wel met een touwtje spelen

Toen mijn broer hier onlangs logeerde, sprak hij een belangrijke zin uit: ‘Ik geloof dat ik vannacht een mui.’

Ja, dat is niet een hele zin, dat weet ik, want hij is niet verder gekomen dan ‘Ik geloof dat ik vannacht een mui.’ Middenin die zin sprong ik op en riep ik verrukt uit: ‘Denk je dat ik muizen heb?’, waarop ik mij onmiddellijk naar alle asiels van Amsterdam en omstreken spoedde om twee katjes uit te zoeken.

Ik zat al een tijdje te wachten op een excuus om twee katjes te kopen, maar eigenlijk waren er alleen maar tegenargumenten te verzinnen. Ik ben vaak bij mijn vriend, ik heb een onregelmatig voederpatroon (zelf, dus mijn naasten ook), en natuurlijk was er nog die berg onverwerkte rouw omtrent mijn dode poes Suus.

Maar ineens golden deze argumenten niet meer, want heel misschien had mijn broer ergens middenin de nacht het gekrats van een muisje gehoord. Dus kocht ik Broer en Zus.

Broer en Zus zijn drie maanden oud, geboren uit een wilde moeder en een afwezige vader, gevonden bij een molen, en toen ondergebracht bij een tijdelijk gastgezin. Daar leefden ze op, althans, ze wilden af en toe wel met een touwtje spelen. En toen kwamen ze bij mij.

Ze zijn hier nu 36 uur, en ik ben doodmoe. Broer en Zus trouwens ook, die zitten bovenop elkaar achter de bank. Gisteren zaten ze daar ook, uren achter elkaar.

Vannacht kwamen ze in actie. En hoe. Ze waren luidruchtiger dan de hangjongeren die een hoek van mijn straat bevolken. Ik hoorde dingen omvallen, bankbekleding die opengekrabd werd, verwarmingsbuizen waar op- en afgesprongen werd, gordijnen die open- en dichtgesleept werden, lianen waaraan geslingerd werd, en af en toe sprong Broer of Zus afgepeigerd op bed om daar luidruchtig te gaan liggen spinnen.

Op een gegeven moment knipte ik het licht aan omdat ik iets vreemds naast mijn hoofd hoorde. Zus stond op mijn nachtkastje een glas water leeg te drinken. Ze keek me aan alsof ik haar ernstig stoorde.

Dit ging zo de hele nacht door.

’s Morgens was het stil. Ik ging op zoek naar Broer en Zus. Daar lagen zij, weer bovenop elkaar achter de bank. Alsof er niets gebeurd was. Even verderop lag een kapot Mexicaans ambachtswerkje.

En toen zei mijn vriend: ‘Misschien heb je deze poezen nog als je vijftig bent.’

Lees de columns van Aaf op nrcnext.nl/aaf