Gelijke klachten

De Commissie Gelijke Behandeling is omstreden. Critici noemen haar uitspraken politiek. „Het idee dat het zou gaan om puur juridische afwegingen is zeer naïef.”

Illustratie Olivia Ettema
Illustratie Olivia Ettema Ettema, Olivia

Hotel Van der Valk in Akersloot aan de A9 is een keurig familiehotel. Gasten keken een beetje vreemd op toen ze op een avond in 1998 als vrouw verklede mannen door het hotel zagen lopen: in het hotel was een travestiefeest aan de gang. „Ze waren nogal aanwezig”, zegt manager René Switser van het hotel. „Ze paradeerden door het hotel, sommigen zelfs met zo’n voorbinddildo om. En ze waren luidruchtig in het restaurant.” Dat was „onplezierig voor oma van tachtig” die met familie een nachtje kwam logeren. Niet meer doen dus, nam het hotel zich voor.

In januari 2007 ‘googlede’ Switser de naam van zijn hotel, omdat hij regelmatig controleert of het hotel niet wordt misbruikt door escortbedrijven. En tot zijn verbazing kwam hij een aankondiging tegen van een groot travestiefeest in zijn Hotel Akersloot. Wat bleek: de organisatie achter het feest – dezelfde als in 1998 – had onder privénaam gereserveerd voor een ‘bedrijfsfeest’. Switser stuurde een brief dat de reservering was geannuleerd: „Het geven van een travestieparty is niet in lijn met het karakter van ons hotel”, stond te lezen.

Een half jaar later moest Switser zich melden in Utrecht bij een zitting van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). Het Meldpunt Discriminatie Amsterdam had een klacht tegen Hotel Akersloot ingediend. „Er zaten twee dames en een heer die allemaal heel speculatieve vragen stelden. De eerste vijf minuten heb ik nog mijn best gedaan om het uit te leggen. Daarna heb ik maar gezwegen. En toen de zitting was afgelopen ben ik meteen weggerend.”

Op 15 november 2007 deed de CGB uitspraak: Switser en zijn hotel hebben „direct onderscheid op grond van travestie” gemaakt. En omdat een travestiet zich presenteert als iemand van het andere geslacht, maakte het hotel onderscheid op grond van geslacht, zo redeneerde de commissie. En dat is verboden. Dat het niet om travestie als zodanig ging, zoals het hotel beweerde, maar om de overlast die het veroorzaakte vond de commissie onvoldoende aangetoond. „De klachtenbrieven van hotelgasten hadden wij na vier jaar weggegooid”, zegt Switser. Discriminatie dus. „Flauwekul. Ik heb niks tegen homo’s, lesbo’s of travestieten. Maar als ze open kaart hadden gespeeld, hadden we erover kunnen praten, want ik wil best wat verdienen. Dan hadden we een aparte zaal geregeld met buffet en had niemand er last van gehad.”

„Eindelijk erkenning”, juichte partyorganisator Mariposa na de uitspraak op haar website. Was er sprake geweest van overlast in 1998? „Dat is gelogen”, zegt Mary van den Brink, eigenaar van Mariposa: „Onze klanten zijn helemaal niet van die showtravestieten en zijn juist op hun eigen privacy gesteld. Zo’n voorbinddildo heb ik zelfs nog nooit gezien.”

Discriminatie is in Nederland verboden. Hier mag geen onderscheid gemaakt worden op basis van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras of geslacht, zo staat in artikel 1 van de grondwet. De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) ziet daarop toe, sinds dat principe in 1994 bij wet werd uitgewerkt. Maar wet en commissie zijn omstreden. Socioloog Jolande Withuis beschuldigde de CGB onlangs van „juridisch fetisjisme” en Rita Verdonk pleitte als minister in 2006 nog voor de opheffing van de commissie. Dat waren reacties op omstreden uitspraken van de CGB die moslims in het gelijk had gesteld die mensen van het andere geslacht op basis van hun geloof geen hand wilden geven.

„Het gelijkheidsbeginsel in de relatie tussen burgers onderling is een onuitputtelijke bron van problemen”, aldus Tijn Kortmann, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit (Nijmegen) die zegt namens veel vakgenoten te spreken. „Natuurlijk, een overheid mag geen onderscheid maken tussen zwart en blank, man en vrouw, die moet volstrekt neutraal zijn. Maar burgers onderling hoeven niet neutraal te zijn. Als je dat probeert vast te leggen, krijg je een hele hoop gedoe. Het gelijkheidsbeginsel staat op gespannen voet met de vrijheid van het individu. Als je dat gaat formaliseren, krijg je ridicule kwesties voorgelegd.” Wat Kortmann betreft had de commissie er nooit moeten komen en mag zij zo snel mogelijk weer afgeschaft worden.

Maar er zijn ook aanhangers van de CGB. Titia Loenen, bijvoorbeeld, hoogleraar vrouw en recht in Utrecht: „Ik denk dat de commissie een belangrijke maatschappelijke rol vervult, waarbij het onontkoombaar is dat ze als controversieel wordt gezien. Ze geeft vele oordelen over gevoelige vraagstukken. De antidiscriminatiewetgeving is er primair voor de underdog. Het is dan ook logisch dat de oordelen regelmatig indruisen tegen opvattingen van de gevestigde orde. Het voordeel van de commissie is dat ze specifieke deskundigheid over discriminatie in huis heeft. Meer dan een doorsnee rechtbank. Ze geven vele oordelen en zo ontstaat er ook een soort jurisprudentie.”

Jaarlijks worden er zo’n zeshonderd zaken aan de CGB voorgelegd. Uitspraken van de commissie zijn niet bindend, er zijn geen sancties aan verbonden. In de meeste gevallen gaat het om vermoedens van leeftijddiscriminatie (2007: 26 procent), gevolgd door discriminatie op grond van ras (19 procent), geslacht (17 procent) en handicap (13 procent).

‘Slechts’ bij 8 procent van de zaken speelt godsdienst een rol. Maar die zaken zorgen wel voor de meeste ophef. Een paar weken geleden nog, toen de rechter een uitspraak van de CGB terzijde schoof. De commissie had geoordeeld dat de gemeente Rotterdam in de fout was gegaan door de orthodoxe moslim Mohammed Enait niet aan te nemen als klantmanager van de Sociale Dienst omdat de man weigerde vrouwen de hand te schudden. Volgens de commissie maakte de gemeente daarmee een verboden onderscheid op grond van godsdienst. Enait had zich bereid getoond een alternatieve begroetingsvorm te kiezen – een vriendelijk hoofdknikje – en ook mannen geen hand te geven. Zo maakte hij geen – eveneens verboden – onderscheid tussen mannen en vrouwen. De rechtbank was het er niet mee eens, „omdat de Gemeente er voor mag kiezen de in Nederland gebruikelijke begroeting- en beleefdheidsvorm jegens alle burgers in acht te nemen”. Enait liet meteen na de uitspraak weten in beroep te gaan. Kort daarop werd Enait zelf beëdigd als advocaat en haalde hij opnieuw het nieuws door te weigeren op te staan voor rechters.

Voor verklaarde tegenstanders van de commissie als Kortmann zijn de uitspraken over al dan niet handen schuddende moslims exemplarisch voor de ridiculiteit van sommige zaken. Eerder gaf de commissie een geschorste economiedocente op een Amsterdamse school gelijk die in de zomervakantie besloten had op grond van haar geloof mannen voortaan geen hand meer te schudden: „Met recht heeft het allemaal weinig van doen”, aldus Kortmann.

Maar ook medestanders van de commissie uiten kritiek op de lijn die de CGB in deze kwesties heeft gekozen. Ben Vermeulen, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit, becommentarieert al jaren de uitspraken over ‘godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid’ in de speciale oordelenbundel die de CGB zelf uitgeeft. De opstelling van de commissie in ‘handschudzaken’ noemde hij daarin „mijns inziens rechtens onjuiste en maatschappelijk gezien contraproductieve uitspraken, waarmee de Commissie haar gezag heeft verzwakt”. Hij kan de commissie in haar uitspraken een heel eind volgen, zegt hij in een telefonische toelichting, maar zou graag wat meer „inlevingsvermogen” zien voor de positie van andere partijen, zoals de gemeente Rotterdam of de schooldirectie. „Je moet serieus en goed luisteren naar het verhaal van directie en leiding. En je moet ze een zekere benefit of the doubt gunnen. Het is toch de schoolleiding die moet zorgen dat mensen elkaar niet de hersens inslaan. Wie kan beter begrijpen hoe dat moet dan de leiding van de organisatie zelf? Datzelfde geldt voor de gemeente. Die moet toch kunnen zeggen dat ze een scala aan klanten heeft, en dat ze daarom wil streven naar uniforme fatsoensnormen.”

Laurien Koster zit in haar werkkamer in het Utrechtse gebouw van de Commissie Gelijke Behandeling. Ze was president van de rechtbank Alkmaar, en is sinds dit voorjaar voorzitter van de commissie. Ze heeft het goed naar de zin, zegt ze, ook al ligt haar commissie onder vuur. Het doel van de CGB is belangrijk genoeg. De „uitsluiting van mensen” tegengaan hield haar als rechter ook al bezig. „Ik begrijp de gevoeligheden rond het handen schudden heel goed. Het is in Nederland een wijd verbreide gewoonte om elkaar een hand te geven. Iedereen maakt wel eens mee dat een hand wordt geweigerd, een heel ongelukkig moment, je voelt je opgelaten. Maar het perspectief waarin de CGB dat moet plaatsen, is het volgende: sluit je mensen uit op grond van godsdienstbeleving, terwijl daar geen wettelijke rechtvaardiging voor bestaat? En het is in de eerste plaats aan de werkgever om aan te geven: in die functie kan dat niet. Hij moet met een plausibel verhaal komen, dan kan het verweer worden gehonoreerd.”

Volgens Koster zijn de grenzen „niet absoluut” en kan een uitspraak „verschillende kanten” op vallen. Veel is afhankelijk van het soort functie, zegt ze. „Een telefoniste in een hokje is toch een ander verhaal.” Maar dan is het toch merkwaardig dat de CGB in 2002 van een reproductiemedewerker op een school zonder al te veel sociale verplichtingen eiste dat hij vrouwen een hand gaf? Terwijl een docente en een klantenmanager van een sociale dienst met al hun intermenselijke contacten dat een paar jaar later niet meer hoeven. „De school heeft in het geval van de reproductiemedewerker heel goed kunnen uitleggen waarom het in dit geval niet kon”, zegt Koster. De school had betoogd dat ze een instelling is met leerlingen en medewerkers uit zestig landen en ‘als overdrager van waarden en normen ook over de gewenste omgangsvormen volstrekt duidelijk’ wilde zijn. Koster: „Degene die zich gediscrimineerd voelt, moet feiten aandragen waaruit hij concludeert dat hij gediscrimineerd wordt. Als die feiten er liggen, verschuift volgens de wet de bewijslast naar de andere partij. Die moet heel duidelijk zeggen: waarom dit onderscheid, wat wil ik ermee bereiken, heb ik afgewogen of het ook anders kon.” Koster maakt een uitstapje naar discriminatie op grond van ras omdat dat „meteen duidelijk” is. „Er zijn vijf werknemers: vier blanke en een zwarte. De blanken krijgen promotie, de zwarte niet. Die heeft nooit functioneringgesprekken gehad, nooit signalen gekregen dat hij zijn werk niet goed doet. Dan heeft de zwarte maar één anker: ik word gediscrimineerd. Voor een werkgever geldt in zo’n geval: zorg dat je zorgvuldiger bent, houdt functioneringsgesprekken, vertel de werknemer wat moet verbeteren.”

Jan Henk van der Velden, advocaat bij Wijn en Stael in Utrecht en regelmatig betrokken geweest bij discriminatiezaken, vindt die lage drempel voor klagers en de zware bewijslast voor verweerders problematisch: „Als een werknemer een eenregelig briefje schrijft dat hij door zijn werkgever wordt gediscrimineerd, dan is dat voldoende om een heel onderzoek te starten, waarbij de werkgever de hemd van het lijf wordt gevraagd en hij op aanzienlijke kosten wordt gejaagd. Dat is een veel te lage drempel. Natuurlijk kun je als werkgever zeggen: de uitspraken zijn niet bindend, dus ik doe niet mee. Maar de negatieve media-aandacht dwingt je wel om verweer te voeren. Laat zo’n zaak gewoon voor de rechter komen, dat zorgt wel voor de juiste drempels en waarborgen.”

En een doortimmerd verhaal houden is niet voor iedereen weggelegd. Hotelmanager René Switser van Hotel Akersloot ging in het volle vertrouwen van een redelijke zaak zelf naar Utrecht. Als hij een dure in discriminatiewetgeving gespecialiseerde advocaat had ingeschakeld, was de zaak wellicht heel anders afgelopen. Ook Bart Engbers dacht dat hij een goed verhaal had. Hij is directeur van het Vader Rijn College in Utrecht en schorste in 2006 de economiedocente die mannen niet langer een hand wilde geven. „Wij vonden dat echt te ver gaan. Moslima’s hier op school zeiden: ben ik dan nu een slet omdat ik mannen wel een hand geef? Wij zijn een school in een moeilijke wijk met veel allochtone kinderen en er moet hier duidelijkheid en geborgenheid zijn. Onze ervaring met Marokkaanse kinderen is dat ze geen handen geven als ze ruzie hebben, dus een docent die geen handen schudt is heel verwarrend. Wij vinden dat leraren hier een rolmodel horen te vervullen. Dat de commissie haar gelijk gaf was voor ons een big surprise.”

Volgens Laurien Koster volgt de CGB in zaken rond moslims die weigeren handen te schudden een consistente lijn. Maar anderen zien wel degelijk verschuivingen in de zienswijzen van de commissie. Titia Loenen zegt dat de commissie de afgelopen jaren is gaan zoeken naar een grens: „De eerste oordelen waren niet zo helder. Nu zegt de commissie duidelijk: er zijn meer vormen van fatsoenlijke begroeting dan alleen het geven van een hand.

Maar mannen en vrouwen moeten wel gelijk worden behandeld.” Volgens Ben Vermeulen gaat er ook een maatschappelijke ontwikkeling achter schuil: „Sinds 11 september 2001 is met moslims een heel kwetsbare relatie ontstaan. Afhankelijk van je visie op de Nederlandse samenleving, kun je twee kanten op redeneren: we hebben genoeg concessies gedaan, tot hier en niet verder. Of: het is een kwetsbare groep die we moeten beschermen tegen maatregelen die niet strikt noodzakelijk zijn. De commissie kiest bij orthodoxe moslims voor het tweede.” Volgens Vermeulen is dat anders dan bij de orthodoxe protestanten. Die mochten als trouwambtenaar van de commissie aanvankelijk weigeren homohuwelijken te sluiten, maar mogen dat nu niet meer. Vermeulen: „Daar wordt blijkbaar geredeneerd: Die zijn hier goed gesetteld, die mogen, nee die moeten mee in de vaart der volkeren, dienen zich dus aan te passen aan de moderne, meer individualistische moraal.” Maar dat zijn toch politieke afwegingen, in plaats van onafhankelijke rechtspraak? „Het idee dat het zou gaan om puur juridische afwegingen is zeer naïef”, zegt Vermeulen: „Dit soort zaken kun je niet doen zonder ethisch-normatieve uitspraken. Het blijft toch voor een groot deel een morele afweging van belangen.”

De meeste ‘godsdienstzaken’ bij de commissie draaien overigens om het mogen dragen van hoofddoekjes. Daarin is de lijn duidelijk: slechts in uitzonderlijke gevallen – bijvoorbeeld als de veiligheid in het geding is – mag een werkgever een werkneemster verbieden een hoofddoek te dragen. Soms worden er door de commissie praktische oplossingen aangedragen. Zoals bij het callcenter waar een moslima geen hoofddoek mocht dragen omdat die het geluid van de koptelefoon zou belemmeren. De commissie suggereerde de hoofddoek over in plaats van onder de koptelefoon te dragen, beide partijen tevreden naar huis. Een winkelier die zegt dat een hoofddoek niet bij de uitstraling van zijn zaak past, krijgt van de CGB geen gelijk. Volgens Paul te Grotenhuis, jurist bij Mitex, brancheorganisatie voor de modedetailhandel, blijkt het in de praktijk goed op te lossen. Mitex adviseert haar leden in het personeelshandboek of in de kledingvoorschriften op te nemen dat een hoofddoek moet passen „binnen het modische karakter van de artikelen in de winkel”. Te Grotenhuis krijgt er zelden nog vragen over.

Toch zou hoogleraar staats- en bestuursrecht Vermeulen ook hier nog wel graag iets meer soepelheid van de commissie zien richting werkgever: „Het risico van zo’n scherpe lijn is dat ondernemers gaan ontduiken en zullen zeggen: ik ga nog eens goed kijken bij de sollicitatie. En dan worden draagsters van een hoofddoek afgewezen onder het mom van: ze past niet zo goed in het team, of zoiets. Maar het is een lastige afweging. De overheid moet bij gezagsfuncties soms gewoon kunnen zeggen: we staan voor neutraliteit en daar past de hoofddoek niet bij. En ik snap wel dat het bedrijfsleven in principe hoofddoekdraagsters niet mag uitsluiten, maar ik voel ook mee met bepaalde ondernemers die een neutrale zakelijke uitstraling willen handhaven.”

Voor Titia Loenen is de hoofddoek geen kwestie meer. Dat een winkelier op grond van uitstraling een hanenkam wel, maar een hoofddoek niet mag weigeren, is nou eenmaal het rechtstreekse gevolg van de grondwet waarin godsdienstige uitingen worden beschermd en hanenkammen niet. Maar er is in haar ogen wel sprake van een glijdende schaal: „Vrouwen weigeren een hand te schudden, vind ik een grensgeval. Maar het echte probleem ligt nog een stap verder: wat zeg je tegen moslimmannen die op het werk niet met een vrouw willen samenwerken, niet met haar op één kamer willen zitten. Of in de zorg: moslims die patiënten van het andere geslacht niet willen helpen.”

Niet iedereen is ervan overtuigd dat de Commissie Gelijke Behandeling in staat is over dit soort heikele zaken een onafhankelijk oordeel uit te spreken. In november 2006 zei Alex Castermans, de vorige voorzitter van de CGB in deze krant: „Het is wel zo dat we bewust tegengas geven aan het verbieden van islamitische uitingen.” „Met name de gedrevenheid een boodschap uit te dragen, vind ik maar moeilijk te rijmen met onafhankelijke oordeelsvorming”, zegt advocaat Jan Henk van der Velden: „De CGB wil beleid maken, tegen discriminatie optreden, actief ambtshalve onderzoek doen naar misstanden en dan ook nog rechtspreken. Dat is gedrag dat niet bij rechters hoort. Wat mij gebeurde, is dat de CGB al een persconferentie gaf voordat mijn cliënt de uitspraak had gekregen. Dat speelde bij een disco die zou hebben gediscrimineerd. Kennelijk wilde men zo graag uitdragen dat dat niet kan, dat men onzorgvuldig werd.”