Elke nacht naar het front

In de Amerikaanse staat Colorado wonen veel veteranen. Een groot aantal lijdt aan psychische stoornissen. Eerste etappe van een tour langs ‘swing states’, waar het er bij de presidentsverkiezingen om kan gaan spannen.

Leden van de Iraq War Veterans Against War protesteren op 27 augustus in Denver tijdens de Democratische Conventie Foto Newscom DENVER- AUGUST 27: Members of the Iraq War Veterans Against War protest outside the Pepsi Center during the 2008 Democratic National Convention August 27, 2008 in Denver, Colorado. U.S. Sen. U.S. Sen. Barack Obama (D-IL) was officially nominated as the Democratic candidate for U.S. president by acclamation on the third day of the four-day convention. (Photo by Max Whittaker/Getty Images) (Newscom TagID: gettyltwo733256) [Photo via Newscom]
Leden van de Iraq War Veterans Against War protesteren op 27 augustus in Denver tijdens de Democratische Conventie Foto Newscom DENVER- AUGUST 27: Members of the Iraq War Veterans Against War protest outside the Pepsi Center during the 2008 Democratic National Convention August 27, 2008 in Denver, Colorado. U.S. Sen. U.S. Sen. Barack Obama (D-IL) was officially nominated as the Democratic candidate for U.S. president by acclamation on the third day of the four-day convention. (Photo by Max Whittaker/Getty Images) (Newscom TagID: gettyltwo733256) [Photo via Newscom] Getty Images

Wanneer je Keith (43) vraagt hoe het is geweest in Afghanistan en Irak, wrijft hij over zijn kaalgeschoren hoofd en staart naar de punten van zijn schoenen. „Zand”, is het enige dat hij uitbrengt. „Overal zand. Een strand zonder zee.”

De posttraumatische stress-stoornis, PTSD, werd vier jaar terug bij hem vastgesteld in Zuid-Korea. Daar was Keith gelegerd nadat hij, sergeant belast met afluisteroperaties, in 2002 terugkeerde uit Afghanistan. Nog altijd is onduidelijk wat er in dat land met hem is voorgevallen. Ook Keiths praatgrage echtgenote, Terry (55), en zijn therapeute Kaye Baron, hebben amper een idee. Wel staat vast dat zijn ziekte vorig jaar geen beletsel vormde Keith opnieuw naar het front te sturen, nu naar Irak.

Terry vermoedt dat het eerste trauma is veroorzaakt door de mijnenvelden die Keith moest helpen schoonvegen in Afghanistan. ’s Nachts maakt ze geregeld mee dat zijn eenheid opnieuw wordt aangevallen. Hit the floor, hoort ze hem dan schreeuwen. Hij staat dan in gevechtshouding naast het bed, doortastend en autoritair. Hit the fúcking floor!

Maar wanneer ze hem er tijdens therapie aan herinnert, dringt het niet tot Keith door. En als ze de vraag herhaalt, blijkt dat hij niet eens heeft begrepen dat we het vorige onderwerp al hebben afgehandeld. „Zand”, mijmert hij. „Overal zand. Een strand zonder zee.”

Therapeute Kaye Baron hoort dit soort verhalen aan de lopende band. Mannen met imposante lichamen die, meestal vergezeld van hun echtgenote, komen uitleggen dat de oorlog niet uit hun hoofd wil verdwijnen. Dat ze rusteloos en slapeloos zijn, agressief, en bang voor alles. Dat ze zichzelf zijn kwijtgeraakt.

Baron, van oorsprong een gevangenispsycholoog, raakte in deze wereld verzeild toen ze in 2002 een eigen kliniek begon in een nieuwbouwwijk van Colorado Springs, vlakbij Fort Carson, een van Amerika’s grootste legerplaatsen. Net in die periode keerden de eerste soldaten terug uit Afghanistan. Een paar jongens met mentale problemen druppelden binnen. Een jaar later, na de invasie van Irak, stak PTSD overal de kop op. En de krijgsmacht wilde er niet van weten. Soldaten die klaagden over demonen in hun hoofd werden afgeschilderd als psychos, gekken, of anders shitbags, klootzakken die een smoes zochten om hun collega’s in de steek te laten.

Zo gebeurde het dat steeds meer militairen die er niet klaar voor waren, terug moesten naar het front. De regel was eerst: één jaar naar het front, twee jaar rust om spanningen te verwerken. Het werd: een jaar naar het front, anderhalf jaar rust. En daarna om de surge mogelijk te maken, de extra troepen die Bush begin vorig jaar naar Irak stuurde: een jaar naar het front, een jaar rust.

De gevolgen van de overbelasting zijn jaren onderschat. Baron krijgt Irakveteranen van een jaar of twintig op bezoek die vertellen: ‘ik ga in de bergen wonen, weg van iedereen’. Een majoor die zegt: ‘behandeling voor mijn gekte heeft geen zin, over een paar maanden moet ik toch terug naar het front’. Een moeder die terugkeert uit Irak en zoveel stress heeft dat haar zesjarige dochtertje in een psychiatrische kliniek belandt.

„Het is een epidemie”, zegt Baron. En ze voorziet dat de gevolgen nog decennia gevoeld zullen worden. „Op cynische momenten zeg ik: ‘hartelijk dank, president Bush, u hebt mij voor de rest van mijn leven werk bezorgd’.”

Zelden gaat ze in op verzoeken van de media. Ze doet het alleen als de privacy van haar patiënten wordt beschermd: alleen hun voornaam mag in de krant. Maar verder werkt ze graag mee. Ze gelooft dat het helpt als ook mensen buiten de VS doorgronden wat zich hier, in Colorado, afspeelt.

Het bijzondere aan Keith en Terry, had Baron vooraf gezegd, is dat ze de Amerikaanse crises van de afgelopen jaren belichamen en allebei aan PTSD lijden. Hij door de oorlogen, zij omdat ze zich 11 september 2001 op de 58e verdieping van het WTC bevond.

Terry is de dominante van de twee. Zij is twaalf jaar ouder en aanzienlijk hoger opgeleid dan hij. In 2001 was ze in dienst van het beruchte energieconcern Enron. Ze had jaren in Houston, Texas, voor de directie gewerkt en was op eigen verzoek – omwille van een zieke vader – overgeplaatst naar New York. Ken Lay, de later in opspraak gekomen baas van Enron, regelde de overplaatsing voor haar. Ze was jarenlang een van zijn naaste medewerkers.

Keith had zijn baan bij de landmacht opgezegd nadat ze waren getrouwd. Het was haar tweede huwelijk, voor hem het eerste. Terry vond het niet nodig dat hij nog werkte. „Ik verdiende een miljoen per jaar.”

Van 9/11 herinnert ze zich alleen de mensen die uit het raam sprongen. Ze heeft nooit geweten hoe ze er zelf in slaagde de eerste etage te bereiken, waar ze werd gered. Maar de gevolgen zullen nooit meer verdwijnen: doof aan één oor, plastic schouders, een onwillige enkel, evenwichtsstoornissen. En PTSD. „Ik zag meteen wat er met Keith aan de hand is, begrijp je?”

In het najaar van 2001 ging Enron over de kop, een van de pijnlijkste bedrijfsschandalen uit de moderne geschiedenis. Het energieconglomeraat, nauw verwant aan George W. Bush en andere Republikeinen, had zijn resultaten jarenlang opgeleukt. Na het faillissement werd duidelijk dat de bedrijfsleiding ook het pensioenfonds had leeg gehaald. Terry verloor niet alleen haar baan, pensioen en ziektekostenverzekering; ook haar aandelenpakket in Enron, met een geschatte waarde van drie miljoen dollar, was in één klap waardeloos.

Voor hun levensonderhoud moest Keith zijn baan bij de landmacht hervatten, waardoor ze uit New York vertrokken. Ze vestigden zich eind 2001 in Texas, in de legerplaats Fort Hood.

Nog geen maand waren ze eind 2001 in Texas of Keith kreeg te horen dat er werk aan de winkel was. Serieus werk. In reactie op 9/11 bereidden de VS een invasie van Afghanistan voor. Terry weet nog hoe blij ze werd toen ze van de aanval hoorde. Ze wilde wraak, en als ze het vertelt probeert ze haar man in herinnering te roepen hoe optimistisch ze destijds waren. Maar hij zit nog steeds voor zich uit te kijken. „Overal zand. Een strand zonder zee.”

Om de spanning te breken besluiten we een stukje te gaan rijden. Achter het stuur komt Keith een beetje tot leven. Hij praat over de Rocky Mountains die we passeren, over de schoonheid van bomen, en over de kazerne. Terry en hij hebben een woning op Fort Carson, waar duizenden militairen gehuisvest zijn en waar percelen met tanks en ander materieel grenzen aan woonwijken en winkels. Hier McDonald’s en Taco Bell, daar het veld voor schietoefeningen. Hier gereedstaande gevechtsvliegtuigen, daar een jonge vader in camouflagekleding die een kinderwagen voortduwt.

Het huis van Terry en Keith staat in een villawijk aan de rand van de legerplaats, tussen die van gezinnen van hogere militairen. Kinderen spelen in hun straatje, de ijscoman rijdt langs, een buurman schrobt zijn zeilboot. Binnen lopen twee servicehonden, afgerichte koningspoedels die huishoudelijke taken doen waartoe Terry niet meer in staat is.

Ze wilden naar Colorado om aan legerplaats Fort Hood in Texas te ontsnappen, ook bekend als Fort Hell. Nadat bij Keith vier jaar terug de diagnose PTSD was gesteld zeiden zijn superieuren daar dat het niet zo’n vaart zou lopen: hij moest gewoon wat ontspannen. Na zijn werk eens wat gaan wandelen; dat soort dingen.

Werktijd spenderen aan herstel was onmogelijk: wie in Fort Hood zijn taken niet meer uitvoert wegens PTSD, zegt Terry, komt vanzelf op straat te staan. Eerst krijgen soldaten die in therapie zijn te horen dat ze te labiel zijn om nog een vuurwapen te dragen, waarna ze korte tijd later arbeidsongeschikt worden verklaard omdat ze geen vuurwapen meer kunnen dragen. Wat ze recht geeft op een uitkering van 200 dollar per maand. „Niemand wil PTSD in Fort Hood.’’ Zodoende vertrok ook Keith vorig jaar naar Irak. „Ik zoek nog in mijn hoofd wat er allemaal is gebeurd’’, zegt hij.

Soms zegt hij dagen niets. En zo wanhopig en willoos als hij vandaag oogt, zo geïrriteerd en driftig kan hij morgen zijn. „De ene dag is hij bang voor wat er op televisie komt, de volgende dag voor wat er niet op televisie komt’’, verzucht Terry.

Ze wilden per se naar Colorado omdat PTSD-patiënten zich hier tegenwoordig kunnen laten behandelen zonder dat de krijgsmacht er een probleem van maakt. Anders dan in Texas heeft de legerleiding in de staat geleerd van haar fouten, zegt Terry. Therapie is er voor de meeste veteranen gratis beschikbaar. Daarom heeft Terry de bureaucratie net zolang bewerkt totdat de landmacht haar man overplaatste naar Fort Carson, zodat ze nu bij Kaye Baron in therapie zijn. En eindelijk, na jaren, ziet ze Keith een beetje vooruitgaan. Soms lijkt het de laatste tijd zelfs dat hij dingen van betekenis gaat zeggen. Maar steeds houdt hij zich weer in. „Hij is in zijn eigen cel gaan wonen”, zegt Terry. „Hij kan er nog niet uit.”

Misstanden bij de behandeling van veteranen komen sinds de oorlog in Irak bijna elk jaar aan het licht. Al in 2003 verschenen berichten over gewonde militairen die na hun terugkeer uit de oorlog maandenlang op een arts moesten wachten in barakken zonder stromend water. Vorig jaar bleek dat veteranen in het Walter Reed ziekenhuis in Washington woonden in kamertjes met beschimmelde muren.

Op de kiezer lijken die affaires geen invloed te hebben. Militairen zijn een te kleine groep en leven te geïsoleerd van de rest van de maatschappij. Maar in Colorado is het anders. Naast Fort Carson is hier ook het opleidingsinstituut van de luchtmacht gevestigd. Bijna 15 procent van de bevolking is veteraan, zodat misstanden wél impact hebben op deze staat, die in 1992 voor het laatst op de Democratische presidentskandidaat stemde (zie Colorado en de oorlog).

Voorbeelden te over. Begin dit jaar bleek een 19-jarige sergeant op krukken naar het Midden-Oosten te zijn gestuurd hoewel zijn arts hem had geadviseerd drie maanden niet te rennen of springen. Uit een uitgelekte e-mail bleek dat 52 soldaten met mentale of fysieke problemen waren uitgezonden omdat anders van hogerhand opgelegde doelen niet gehaald zouden zijn. Een van de uitgezonden militairen bleek zelfs van het ziekenhuisbed te zijn gelicht, waar hij werd behandeld voor depressie en alcoholmisbruik.

Het bijzondere in Colorado is ook dat oud-veteranen, die zelf eerder problemen hadden, zich nu opwerpen als belangenbehartigers van onjuist behandelde veteranen. Een van hen is Georg-Andreas Pogany uit Denver, een voormalige inlichtingenofficier die vijf jaar geleden het wereldnieuws haalde: Pogany was de eerste deelnemer van de Operatie Iraqi Freedom die werd vervolgd omdat hij zich lafhartig zou hebben gedragen.

Hij weigerde nog aan gevechtshandelingen mee te doen nadat een psycholoog vaststelde dat hij leed aan „stress die voortkomt uit gevechtsacties”, en hem een week rust voorschreef. Zijn superieuren legden dat advies naast zich neer. En toen Pogany volhield dat hij een gevaar voor zichzelf en zijn collega’s zou zijn, werd hij op het vliegtuig gezet en kreeg hij te horen dat „de hele wereld” zou worden geïnformeerd over zijn laffe gedrag. Bij thuiskomst trof hij de tenlastelegging in de bus: hij werd vervolgd voor lafheid en taakverzuim, maximumstraf: de dood. De volgende dag hing CNN aan de lijn: de zender zou een item aan hem wijden. De Amerikaan Die Te Laf Was Zijn Land Te Verdedigen. Had hij weerwoord?

Pogany vertelt in een coffeeshop een paar honderd meter van Kaye Barons praktijk dat hij eind september 2003 als lid van een speciale eenheid Irak werd ingevlogen. De geur van het land zal hem voor altijd bijblijven: rottend afval.

In de tweede nacht van zijn verblijf in Irak besloot hij op ontploffingen in de buurt af te gaan. Bij een aangrenzend gebouw reden ambulances af en aan. Hij stapte binnen en zag een doorzeefde Irakees. Een kamer verderop trof hij een jonge Amerikaanse soldaat aan. Bleek en trillend, verslagen leunend tegen een muur. Amerikaanse collega’s legden lachend uit dat de jongen de Irakees had gedood, onduidelijk waarom.

Het beeld van die jongen, vertelt Pogany, zou hem nooit meer verlaten. Hij had nachtmerries waarin zijn kamer explodeerde, of het plafond op hem neerdaalde. Hij sliep met een wapen in zijn hand. Het trillen van zijn lichaam wilde niet stoppen. Pogany vertelde zijn commandant dat hij een zenuwinstorting had. Het antwoord: „En jij denkt dat je de enige bent?”

Later – veel later – leerde Pogany waarom hij in paniek raakte. Het was niet (alleen) PTSD. De krijgsmacht had hem een anti-malariamiddel verstrekt, Lariam, dat berucht is omdat het depressie als bijwerking kan hebben. Maar toen de strafzaak tegen hem op niets uitliep, was er niemand meer in de krijgsmacht die hem nog te hulp schoot. Hij moest zijn eigen problemen oplossen.

Zo besloot Georg-Andreas Pogany belangenbehartiger van veteranen te worden. Samen met collega’s stelt hij misstanden aan de kaak. „Dit hele land rijdt rond met een gele sticker op de auto: Support Our Troops”, zegt Pogany. Maar de meeste Amerikanen hebben geen idee wat veteranen meemaken. „Ze staan er alleen voor.”

Zij lijden niet alleen, ook hun partners en kinderen doen dat. Het blijkt uit het bezoek dat Lester (42), sergeant eerste klasse en tweevoudig Irak-veteraan, op een middag aan de praktijk van Kaye Baron brengt. Het punt is, legt hij kalm uit, dat hij in Irak niet zoveel heeft meegemaakt. Hij was blij dat hij werd uitgezonden. Hij had nog nooit aan gewapende strijd meegedaan. Het leger was voor hem als latino ideaal om hogerop te komen in het leven.

Tijdens zijn eerste verblijf in Irak werkte hij op een luchtmachtbasis die hij nooit hoefde verlaten. Bijna dagelijks namen opstandelingen de basis onder vuur, maar het deed hem weinig. „Als ze begonnen stapten we gewoon even de bunker in.”

Zijn echtgenote, Kimberly, die tien jaar jonger is en civiele functies bij de landmacht bekleedt, hoort hem gelaten aan. Ze vertelt hoe ze na Lesters eerste jaar in Irak op de vlucht sloegen in eigen land. Eindeloze autoritten. Weken zaten ze zwijgend op de weg, met achterin Sonny, hun pasgeboren baby. Ze reden van Colorado naar Michigan: ruim 2.000 kilometer. Door naar Maryland: 850 kilometer. Terug naar Colorado: 2.500 kilometer. En Lester vond het niet eens eigenaardig. In niets leek hij nog op de warmbloedige man met wie ze was getrouwd. Hij was alleen maar schichtig, afstandelijk.

Zelf had ze het ook niet gemakkelijk toen hij weg was. Legervrouwen zijn er berucht om dat ze problemen voorwenden om hun man eerder thuis te krijgen. Ze wilde zo niet zijn. Ze hield haar ongemakjes voor zich.

Ze was al een paar maanden zwanger toen Lester vertrok. Ze volgde het nieuws uit Irak op de voet, een teken dat ze onvoorbereid was. Pas jaren later leerde ze van Kaye Baron dat dit het onverstandigste is wat je als achtergebleven echtgenote kan doen.

Ze had het hele jaar amper contact met haar man. Het bracht haar uit evenwicht. De geboorte van Sonny maakte het leven alleen maar zwaarder. De ware schok kwam voor haar toen ze op een ochtend onderweg was naar de brandweerkazerne. Ze had gehoord dat je bij een zijdeur baby’s kon afleveren. en dat ze daar geen vragen stelden. Ze begreep pas wat ze aan het doen was toen ze een telefoontje van een vriendin kreeg.

Lesters tweede keer in Irak was gevaarlijker. Hij moest Iraakse troepen trainen. Riskant werk omdat je dan veel reist. De meeste Amerikanen sneuvelen als hun konvooien onderweg worden aangevallen. Maar het aantal aanslagen was relatief laag. „Eén per week of zo.”

Een keer was hij in de buurt toen een paar kilometer verderop een benzinestation ontplofte. Hij reed erheen. De lijken werden opgestapeld. Een stuk of vijftig. „Maar het waren geen Amerikanen, dus het viel ook weer mee.”

Kimberly vertelt dat de landmacht zo attent was haar een baan te geven die aansloot bij haar belevingswereld. Ze ging militaire families voorbereiden op de periode dat vader of moeder in Irak verblijft. Dat bracht stabiliteit terug in haar bestaan.

Alles veranderde toen Lester vorig jaar Kerstmis terugkeerde. Spanning en somberte hingen weer in huis, vertelt Kimberly. En hoewel zij kon vluchten in haar werk merkte ze aan haar tweejarig zoontje dat hij overgevoelig reageerde op de stress. Een lief jongetje werd ineens een droevig en bang kindje.

Een gesprek daarover met haar man was niet mogelijk, vertelt ze. Alles escaleerde toen ze afgelopen april telefoon kreeg van de kinderopvang. Sonny had een ander kindje in een wurggreep genomen en wilde niet loslaten. Ze hadden het net op tijd ontdekt.

De leidster vertelde dat ze een rigoureuze maatregel moest nemen: Sonny werd voortaan bewaakt; er was ook een baby in zijn groep. En omdat het niet het eerste incident met hem was, had de leidster ook een eis: ze was alleen bereid Sonny nog toe te laten als de ouders hulp zochten.

Zodoende zitten ze nu hier, bij Kaye Baron, in de hoop dat de schade gerepareerd kan worden. Lester benadrukt dat hij nog steeds niet zeker is of de problemen voortkomen uit zijn Iraakse jaren. Kaye Baron stelt alleen vragen, en houdt zich verder op de vlakte. Maar voor Kimberly is het bitter, zegt ze, dat de oorlog zelfs in het hoofd van haar kindje is gaan zitten. „Ik weet niet of ik dat ooit zal kunnen aanvaarden.”

In weinig militaire families bestaat nog steun voor de strijd in Irak, laat staan voor president Bush. Zelfs Terry, die in haar jaren bij Enron groot vertrouwen had in de familie van de president, voelde dit jaar woede opwellen toen ze las dat Bush’ oudste dochter, Jenna, haar bruiloft vlakbij Fort Hood vierde. „Dat deed de deur dicht.’’

Het wil niet zeggen dat zij en andere militairen nu massaal overstappen naar Obama. Sommigen doen dat. Maar veel veteranen blijven solidair met McCain. Niet omdat ze zijn politiek steunen, maar omdat ze, volgens de mores van de krijgsmacht, altijd een andere veteraan bij zullen staan.

Het dilemma komt het beste in beeld bij Lester en Kimberly. Ook Lester steunt McCain om zijn militaire achtergrond. Maar Kimberly heeft haar zekerheden op dit gebied verloren. In de krijgsmacht, zegt ze, kijken ze neer op Cindy Sheehan, de moeder van een omgekomen soldaat die anti-oorlogsactiviste werd. Maar Kimberly heeft bewondering voor Sheehan gekregen: voor haar lijden, voor haar moed. Ze vindt niet dat de troepen kunnen vertrekken: de Amerikanen hebben er een rotzooi van gemaakt, ze moeten het eerst opruimen. „Maar we hadden hier nooit aan mogen beginnen: op dat gebied vertrouw ik Obama.”

Ook Kaye Baron vermoedt dat de Republikeinen een sterke positie in de krijgsmacht zullen houden. Maar het valt haar ook op dat ervaren militairen de laatste jaren hun mening hebben veranderd. „Ze zeggen: het kan gewoon niet meer doorgaan.” Zelf is ze nu activistischer dan ze ooit voor mogelijk hield. Ze gelooft in Obama. In zijn oprechtheid, zijn ideeën, zijn charisma. „Hij heeft vanaf het begin de goede kijk op de oorlog in Irak gehad, dat geeft vertrouwen.”

Maar ook Obama neemt het lijden van de veteranen in Colorado niet weg. Kaye bladert door haar afsprakenboek ter voorbereiding op de klanten van vandaag. Een geamputeerde veteraan met zijn echtgenote, allebei depressief. Een vrouw en haar echtgenoot die zojuist heeft gehoord dat hij voor de derde keer in zes jaar wegmoet, nu naar Afghanistan. Een tienjarige jongen die er niet aan kan wennen dat zijn vader na vijftien maanden oorlog terug is in het gezin. Ze slaat het boek dicht. „Er komt geen eind aan.”