'Bij de blues gaat het om het overleven'

In Indianola (Mississippi) is opende vorige week het B.B. King Museum. De nu 83-jarige ‘King of Blues’ leverde zelf veel attributen zoals de rode Gibson gitaar die hij Lucille doopte.

B.B. King bij de opening van zijn museum Foto Dirk W. de Jong
B.B. King bij de opening van zijn museum Foto Dirk W. de Jong Jong, Dirk W. de

„Als de hemel net zo mooi is als dit museum”, sprak B.B. King voor de verzamelde internationale pers, „dan ben ik klaar om morgen naar de hemel te gaan.” De 83-jarige blueszanger en -gitarist werd uitgebreid gehuldigd bij de opening van het B.B. King Museum in zijn vroegere woonplaats Indianola (Mississippi). Onderdeel van het 14,2 miljoen dollar kostende project is de gerestaureerde katoenschuur waar King zelf gewerkt heeft, in de jaren veertig van de vorige eeuw toen hij het spelen van blues op de straathoeken van Indianola noodgedwongen combineerde met werk als katoenplukker en tractorchauffeur.

Enkele honderden schoolkinderen met mondharmonica’s marcheerden met veel kabaal door de straten van Indianola, ter ere van de Koning van de Blues. Een blanke en een zwarte fanfare met cheerleaders en kleurige uniformen namen het tegen elkaar op in een ‘Battle of the Bands’. Het B.B. King Museum and Delta Interpretive Center wil niet alleen een overzicht bieden van de meer dan zestigjarige carrière van de afgelopen dinsdag 83 geworden bluesman. De levensloop van Riley ‘Blues Boy’ King leent zich voor uitleg en uitstallingen over de katoenvelden in het stroomgebied van de Mississippirivier, de opkomst van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en de invloed die de blues had op de ontwikkeling van de rockmuziek.

Het museum is indrukwekkend om dezelfde redenen waarom het Stax Museum in Memphis dat is. Het is een feest voor oog en oor. Hier wordt een verhaal verteld dat aanleiding geeft tot uitgebreide contemplatie bij de ontstaansgeschiedenis van de blues, maar het biedt ook een vrolijk overzicht dat geschikt is om er met schoolklassen in korte tijd doorheen te lopen. Anders dan bij Stax is het een handzaam verhaal over de levensloop van één artiest, die zelf nog volop in het muziekleven staat en honderd concerten per jaar geeft.

B.B. King zelf leverde veel van de uitgestalde attributen zoals podiumkleding, Grammy Awards en gitaren. Eén daarvan is Lucille, de rode Gibson gitaar die hij liefkozend de naam van een vrouw gaf en die sindsdien in verschillende gedaanten niet van zijn zijde is geweken.

In een grote vitrine is de authentieke huisstudio van King nagebouwd, compleet met mengpaneel, faxmachine en vergeelde bladmuziek van klassiekers als The Thrill Is Gone en Everyday I Have The Blues. Bezoekers kunnen plaatsnemen in een nagebouwde toerbus voor een film over het leven on the road. Onderweg wordt door middel van geluidsfragmenten gememoreerd aan zijn invloed op en samenwerking met Eric Clapton, Jimi Hendrix en U2.

Als hem tijdens de persconferentie gevraagd wordt hoe het was om in de sixties met Hendrix en Clapton te spelen, antwoordt King fijntjes: „Ik ben ouder dan zij. Ik geloof dat ze met míj mochten spelen.” Nederig vertelt hij over de invloed die oude bluesmannen als Blind Lemon Jefferson en Lonnie Johnson op zijn muziek hebben gehad. Maar de vitale tachtiger toont ook zijn humoristische kant: „Zeg niet tegen de dames hoe oud ik ben. Ik probeer nog altijd een huwelijkspartner te vinden!”

Tegelijk met de opening van het museum verschijnt Kings nieuwe cd One Kind Favor, geproduceerd door T. Bone Burnett en met Dr. John op piano. Het album met doorleefde versies van de bluesklassiekers See That My Grave Is Kept Clean (Blind Lemon Jefferson) en How Many More Years (Howlin’ Wolf) zou een vergelijkbare rol in Kings nadagen kunnen spelen als American Recordings dat deed voor Johnny Cash, die op latere leeftijd een artistieke opleving doormaakte toen zijn muziek nog eens ongekunsteld en puur werd vastgelegd. Op One Kind Favor klinkt B.B. King misschien wel ruiger en echter dan ooit, ver verwijderd van de gepolijste orkesten die hij in het verleden meenam naar North Sea Jazz.

De opleving in de aandacht voor authentieke blues uit de Mississippidelta is voor de autoriteiten en toeristenbureaus uit de regio aanleiding om verwante evenementen te bedenken. Er was al een ‘Blues Trail’ langs pleisterplaatsen als het graf van Robert Johnson, het fameuze Riverside Hotel waar Bessie Smith aan haar droeve einde kwam en waar nog steeds gelogeerd kan worden, het Delta Blues Museum in Clarksdale en de immense katoenplantage Dockery Farms waar bluespionier Charley Patton woonde en werkte. Vorige week kwam daar een herdenkingsplaquette bij aan de rand van een katoenveld in het gehucht Berclair, de geboorteplaats van B.B. King. Het ‘bluestoerisme’ levert de regio elk jaar 80 miljoen dollar op en is een belangrijke economische factor geworden.

Belangrijker nog, benadrukte B.B. King tijdens de persconferentie, is dat liefde voor de blues aan jonge kinderen wordt bijgebracht. Hijzelf groeide op met de magische, krakende 78-toerenplaten die zijn grootmoeder hem voorzichtig op de opwindbare Victrola-platenspeler liet leggen. In deze tijd van hiphop en gangsterrap zien kinderen het belang van de blues niet meer, klaagt een voormalige schooljuffrouw van Kings generatie onder de schaduw van een boom aan de overkant van het museum, waar kleuterschool Be Be Kids is gevestigd. Europeanen weten vaak meer van de blues dan onze eigen kinderen, is de heersende gedachte onder ouderen. Daar moet verandering in komen, vindt King. Het museum is daarbij een geschikt startpunt. Zelf komt hij nog jaarlijks terug naar Indianola om een gratis concert te geven voor 5- tot 14-jarigen. De blues is niet zomaar een muziekstijl, zegt B.B. King in een recente biografie, „het gaat om overleven.”

B.B. King Museum and Delta Interpretive Center, Indianola, di-za 10-18u30, zo 13-19u. Entree $ 8.

Meer informatie op www.bbkingmuseum.org.