Romeo en Julia in Tbilisi

In een Londens antiquariaat diept een Britse uitgever Timeless op, een vertaling uit 1949 van een door een Georgische prins geschreven roman. ‘De ziel van een natie zit erin.’

Landschap in Georgié
Landschap in Georgié

Nicholas Tchkotoua: Timeless. Mta Publications, 200 blz.. € 11,–

Op een koude, nevelige middag in de nadagen van het Sovjetrijk verschaften twee verwanten van een in ballingschap gestorven Georgische prins zich in Tbilisi toegang tot een oude, boven de stad gelegen begraafplaats. Ze hadden een kostbaar, met snijwerk versierd kistje bij zich, en op het terrein van een legendarische orthodoxe kerk was hun missie een volstrekt illegale, rebelse betuiging van liefde.

De prins heette Nicholas Tchkotoua. In 1921, toen de bolsjewieken het onafhankelijke Georgië binnenvielen, had hij als jongen van zestien door te vluchten het vege lijf gered, net als de meeste andere aristocraten die de kans kregen. In een lang, veelbewogen leven bereisde hij de wereld, trouwde hij een rijke Amerikaanse , werd hij ambassadeur van de katholieke Maltezer ridders en schreef hij een aangrijpende roman over een uitzichtloze liefde.

Nicholas Tchkotoua heeft zijn vaderland nooit weergezien. Hij is in 1984 in Zwitserland gestorven, met als laatste wens dat zijn hart uit zijn lichaam zou worden gesneden en thuis, in Tbilisi, zou worden begraven. De Sovjetautoriteiten stonden dit niet toe, maar de familie van de prins gaf het niet op. In het kille voorjaar van 1988 wist een van zijn zoons met zijn nicht ten slotte – op het gevaar af te worden gearresteerd en gevangengezet – het kistje met het hart erin via de luchthaven van Moskou de Sovjet-Unie binnen te smokkelen, waarna een lange reis naar het zuiden volgde. Na aankomst in Tbilisi slopen ze het in duisternis gehulde kerkhof op en begroeven het kistje daar in het oude familiegraf, bij de grote ronde toren van de kerk van de H. Panteleimon.

Daar ligt het hart van Tchkotoua nog altijd, nu onder een trotse grafsteen. Zijn fraaiste schepping, de roman Timeless (‘Tijdloos’), die van de aardbodem verdwenen leek, trekt inmiddels de aandacht. Tchkotoua heeft die roman na de Tweede Wereldoorlog in het Engels geschreven en in 1949 in Londen gepubliceerd. Het maakte geen indruk en raakte in de vergetelheid, tot reisauteur, uitgever en Georgië-expert Peter Nasmyth vorig jaar in een antiquariaat in Camden Town in Londen een exemplaar in handen kreeg.

Nasmyth heeft veel over Georgië geschreven, is eigenaar van een boekwinkel in Tbilisi en leidt een liefdadig onderwijsproject in Gori. Al jaren zocht hij naar een moderne Georgische roman die geschikt was voor het Engelse taalgebied, maar het lukte hem niet iets geschikts te vinden. Vorig jaar september kreeg hij een tip van een vriend, David Tobin, de eigenaar van een boekwinkel in Camden Town. „David belde me en zei dat hij een geweldig oud boek in zijn winkel had, Timeless, dat hij in één keer uit had gelezen. Hij vroeg zich af of ik iets van de schrijver wist, ene Tchkotoua. Ik kende hem niet. Maar zodra ik begon te lezen, was ik verslingerd. Het gebeurt niet vaak, maar dit was één van die boeken waarvan je zoveel houdt dat je gewoon niet wilt dat ze eindigen.”

Nasmyth besloot het boek opnieuw uit te geven, via zijn onderneming Mta Publications – mta is Georgisch voor ‘berg’. Oorspronkelijk had hij het boek in Georgië willen laten drukken, maar de Russische inval van vorige maand noopte hem de productie te verplaatsen naar Londen, met als gevolg dat Timeless nu een bijzondere positie inneemt. Terwijl de ogen van de wereld gericht zijn op de Kaukasus, is dit zo’n beetje het enige specimen van de Georgische literatuur dat in het Westen in de handel is, naast onder meer twee Nederlandse Achvlediani-uitgaven.

Deze betoverende curiositeit, die zich afspeelt in de jaren negentig van de 19de eeuw, onthult iets van de ziel van een natie. Het is het veelbewogen, hoogst emotionele verhaal – dat vagelijk doet denken aan Romeo en Julia – van de ongelukkige liefde tussen de Georgische prins Shota d’Iberio en de Russische prinses Taya Rurikova. Door een wonderlijke samenloop van omstandigheden begint de roman zoals Tchkotoua’s stoffelijk overschot is geëindigd: met een heimelijk bezoek aan een kerkhof, ditmaal in Parijs, waar een bejaarde Russische gravin – Taya op haar oude dag – een bericht ontvangt uit het hiernamaals. De handeling jaagt voort van Zwitserse herenhuizen naar kastelen, kloosters en bouwvallen in de Georgische bergen. Spookachtige monniken en hartstochtelijke violisten figureren als boodschappers tussen levenden en doden. Het smartelijke heimwee dat de balling kwelt grijpt de lezer bij de keel.

Vanaf de eerste ontmoeting van de geliefden in een overvolle balzaal in Tbilisi – door iemand omschreven ‘alsof je de Openbaring van Johannes leest bij het licht van bliksemschichten’ – tot aan de wrang-zoete ontknoping in een café in Parijs laaien de emoties hoog op. De titel vormt een sleutel tot Tchkotoua’s levensvisie – hij slaat op liefde, die sterk genoeg is om de grenzen van tijd en ruimte te overstijgen.

Met de hulp van een genealoog in Tbilisi ontsluierde Nasmyth het verhaal van Nicholas Tchkotoua en zijn ooit illustere familie. Timeless bleek autobiografisch: de grote, verloren liefde uit Tchkotoua’s eigen leven was een Russische prinses – hun romance werd gedwarsboomd door haar moeder. En net als de held van de roman vond Tchkotoua een vervangend aards geluk met een Amerikaanse, de dochter van Howard Marmon, een pioneer van de auto-industrie in Indiana.

Het boek is bovendien doordrenkt van het laat-19de-eeuws romantisch nationalisme dat nog altijd de grondslag vormt van de Georgische politiek. Zo is de liefde tussen Taya en Shota bedoeld als een historische metafoor: ‘Iberia’ is een van de oude namen van Georgië. Ook worden de overeenkomsten van het paar met het romantische koppel bij uitstek uit de Georgische mythen en legenden – de middeleeuwse koningin Tamar en de dichter Shota Rustaveli – benadrukt. Met enige overdrijving zou je zelfs kunnen stellen dat de roman vooruitloopt op de huidige, 21ste-eeuwse geostrategische positie van Georgië: na een lange, tragische verbintenis met Rusland zoekt het land nu veiligheid en zielsrust in de armen van Amerika.

Maar de meest frappante boodschap is ook de meest onverwachte: Tchkotoua lijkt te willen zeggen dat Georgiërs en Russen van nature voorbestemd zijn om van elkaar te houden. Die opvatting rijmt met de geschiedenis, en weerspiegelde Tchkotoua’s eigen belevenissen. In de roman wordt de romance tussen Shota en Taya niet te gronde gericht door vijandschap tussen Georgiërs en Russen, maar door medische onwetendheid: haar moeder denkt dat de tuberculose waaraan hij – net als Tchkotoua – als kind leed, hem ongeschikt maakt als echtgenoot. Een van de belangrijkste figuren in het boek is een verlichte landeigenaar – getekend naar Tchkotoua’s grootvader – die zonder enig probleem Georgisch patriottisme paart aan volstrekte toewijding aan de tsaar. Onder de tsaren, schrijft Tchkotoua, is Tbilisi een bloeiende moderne stad geworden en is voorkomen dat Georgië ‘zou doodbloeden onder de wrede slagen van de islam’ (het land heeft inderdaad gezucht onder de overheersing van Turken, Perzen en Mongolen).

Peter Nasmyth slaagde er in Tchkotoua’s zoon Charles te traceren, een gepensioneerde zakenman in Marbella. „Voor ons waren Georgiërs en Russen één grote gelukkige familie”, vertelt Tchkotoua junior door de telefoon vanuit Spanje. „Ik had geen weet van vijandschap tussen Georgiërs en Russen tot ik vijftien jaar geleden in Georgië kwam. Mijn vader had dus een goed evenwicht gevonden. Zijn vrienden waren allemaal Russen en Georgiërs, en tussen hen is nooit één onvertogen woord gevallen. Het gaat nog verder terug: Russische schrijvers als Lermontov, Poesjkin, Gorki, Tolstoj en Bely zijn verliefd geworden op Georgië en de Georgiërs. Ze voelden zich daar thuis. De Georgiërs zijn een hartelijk volk.”

Inderdaad is de huidige vijandschap tussen de twee landen allerminst vanzelfsprekend. „De relatie tussen Georgië en Rusland”, analyseert desgevraagd Donald Rayfield, professor in de Russische en Georgische literatuurgeschiedenis aan de Universiteit van Londen, „lijkt nog het meest op een tragische liefdesgeschiedenis die uitloopt op bittere verwijten voor de echtscheidingsrechter. Het is iets heel anders dan de Serviërs en de Kroaten, of de katholieken en de protestanten in Noord-Ierland.”

Tot Rusland in 1801 de macht greep in Georgië was er tussen de twee landen weinig contact. De daaropvolgende eeuw was, onder Russische onderkoningen, een soort gouden eeuw. Het beeld dat Georgië tegenwoordig van zichzelf heeft, is het werk van Georgische intellectuelen die waren opgeleid aan Russische universiteiten.

Kwaad bloed deed op ruimere schaal zijn intrede in de 20ste eeuw, met de slachtingen van de Eerste Wereldoorlog, de revolutie en de burgeroorlog. Trotski’s Rode Leger en de Tsjeka rekenden af met de kortstondige onafhankelijke mensjewistische republiek Georgië. En al was Stalin een Georgiër, hij ging in de Kaukasus net zo vreselijk tekeer als overal. Maar onder Stalin werd ook volop onderling getrouwd, vooral onder intellectuelen, en werden Russen altijd hartelijk ontvangen in een Georgië dat met zijn mediterrane klimaat, lekkere eten en ontspannen sfeer een aangenaam contrast bood met de koudere, meer onherbergzame delen van de Sovjet-Unie.

Politici zijn nu eenmaal een andere zaak, verklaart Tchkotoua jr. „Je hoeft Poetin maar aan te kijken om dat te weten. Hij is hard. Hij is KGB. Hij noemt de opsplitsing van de Sovjet- Unie de ergste gebeurtenis van de 20ste eeuw. Niet de twee wereldoorlogen en de holocaust, nee, de opsplitsing van de Sovjet-Unie.”

De nieuwe editie van Timeless is fraai uitgevoerd, met sfeervolle foto’s van Georgië en van enkele van de personages op wie het boek is gebaseerd. Maar jammer genoeg heeft een van de interessantste passages hetzelfde lot ondergaan als het hart van Tchkotoua: het is eruit gesneden. In de uitgave uit 1949 sprak een monnik deze apocalyptische woorden:

„Er liggen zeer donkere dagen in het verschiet, dagen van beproeving door bloed en vuur (...) – wanneer de vader het zwaard zal opheffen tegen de zoon, en de zoon tegen de vader, en de levenden de doden zullen benijden. De aarde zal vet zijn van de begraven lijken, maar er zal niemand zijn om te zaaien of te oogsten; dan zullen moeders hun eerstgeborenen de keel afsnijden om hun het leven te besparen, en zal God in zijn genadigheid hun deze zonde vergeven. En uit die afgrond van dood en vertwijfeling zullen nieuwe legioenen strijders als overwinnaars te voorschijn komen – (...) met een simpel houten kruis in de hand en vroomheid in het hart. Zij zullen de zwaarden verpletteren en de kanonnen doen zwijgen, en op die bijzondere dag zullen de klokken van de kathedraal van de H. Basilius in Moskou, de Sint-Pieter in Rome en de Sioni-kathedraal in Tbilisi met één christelijke stem de lof zingen van de Heer, en zal die stem tot in de uithoeken van de aarde worden gehoord.”

Misschien moeten we deze alinea opvatten als een verzuchting tegen de recente verschrikkingen van het nazisme en het stalinisme, in de hoop dat de tirannie langs geweldloze, spirituele weg zou worden omvergeworpen. Maar volgens uitgever Peter Nasmyth, die haar schrapte, gaat het hier om een duistere kant van de Georgische volksaard, en volgens Donald Rayfield getuigt deze alinea van de ‘Messiaanse opvatting die de Georgiërs van zichzelf hebben dat zij altijd één van de door Christus uitverkoren volkeren zijn geweest’.

Een rampzalig pleitbezorger van dit wereldbeeld was Zviad Gamsachoerdia, de eerste president van Georgië na het Sovjettijdperk, wiens oorlogen in Abchazië en Zuid-Ossetië mede de grondslag hebben gelegd voor de huidige crisis met Rusland. Gamsachoerdia vergeleek de treurige historische lotgevallen van Georgië met ‘Christus’ doop door dood en begrafenis’ en hij voorspelde dat bij de terugkomst van Christus Georgië ‘net als vroeger een universele leider en rechter van de mensheid’ worden zou.

Dit religieus nationalisme – zij het minder virulent van aard – is opnieuw in de mode gekomen tijdens de ‘Rozenrevolutie’ van 2003, die Saakasjvili aan de macht bracht, en is sindsdien niet meer weggeweest.

Nasmyth: ,,Ik vond die passage in Timeless heel eigenaardig, achterhaald en eerlijk gezegd gevaarlijk. De rest van het boek is mooi en verzoenend, maar dit stukje lijkt aan te zetten tot een godsdienstoorlog, haast als een oproep om het Georgische rijk uit de Middeleeuwen te herstellen.’’

Ofschoon volgens velen binnen en buiten Georgië Saakasjvili’s aanval op Zuid-Ossetië de huidige crisis met Rusland heeft ontketend, legt Charles Tchkotoua, die vijftien jaar geleden kortstondig Gamsachoerdia’s vertegenwoordiger in Londen is geweest, de schuld bij Poetin. En hij is er zeker van dat zijn vader het net zo zou hebben gezien.

,,Mijn vader zou Saakasjvili van harte hebben gesteund en erop hebben aangedrongen dat Georgië zich aansloot bij de NAVO en de EU. Hij zou hebben gezegd dat als het Westen niet uitkeek en Rusland niet onder de duim hield, de Russen zouden proberen het oude Russische tsarenrijk te herstellen.’’

Vertaling: Jaap Engelsman.