Escapisme

Een mooi luistermoment op de kijkbuis afgelopen zomer.

Nadat hij als co-commentator de hele middag vrij kale maar scherpe en ter zake doende woorden had gesproken – Maarten en Herbert hingen aan zijn lippen alsof de waarheid zelve was geïncarneerd – barstte Michael Boogerd opeens in schaterlachen uit.

De aanval bleek te zijn veroorzaakt door ‘die koppen’ van het handjevol coureurs dat als een regiment verdoofde dwangarbeiders de veilige zijde – de overzijde dus – van de finishlijn op L’Alpe D’Huez had bereikt.

Maarten verwonderde zich over deze heiligschennis, maar ik vond het een bijzonder goed teken. Het had iets van: heb ik dit ook allemaal gedaan, ik moet wel gek geweest zijn.

Michael leek de oversteek naar het leven na de koers succesvol te hebben gemaakt. Ik was opgelucht, om niet te zeggen: plaatsvervangend gelukkig.

Rooksignalen uit de wereld van het cyclisme hadden eerder weinig goeds beloofd.

Michael zou het spoor bijster zijn geraakt. Een gezapige maar onverbiddelijke afdaling richting bodemloosheid van het zwarte gat was ingezet. De eerste winter zonder fiets zou wel eens een winter van jaren kunnen worden.

Details gaven de rooksignalen ook. Ik werd er niet vrolijk van.

Tijdens dezelfde Tour de France zond de NOS een door Mart gemaakt portret uit. Ik zag en hoorde een volwassen mens de wielrenner in zichzelf analyseren alsof het om een ander ging.

Weer een goed teken.

Er was afstand en overzicht. Niet bepaald een geestelijk wrak dat hier sprak. Michael Boogerd had zichzelf gered, zo leek het.

Tot hij vorige week hardop begon na te denken over een terugkeer in het peloton. De snode Armstrong had hem besmet, zei hij.

Maar er was meer aan de hand. Het leven na de koers lustte hem niet. In radeloosheid had hij al zijn frustraties afgereageerd op zijn partner Nerena.

Het heet dat ze nu ‘tijdelijk uit elkaar’ zijn.

Het komt niet vaak voor dat de partner achter de topsporter aan het woord komt, maar in de krant van afgelopen zaterdag gaat Nerena uitgebreid in op het langzame sterven van Michael, van beiden eigenlijk.

„In principe gaat het niemand wat aan wat er bij ons tussen vier muren gebeurt. Maar misschien kan ik met dit verhaal een aantal mensen de ogen openen en eraan bijdragen dat het in de toekomst beter wordt voor sporters die in dezelfde situatie terecht dreigen te komen.”

Het zwarte gat na de wielercarrière, bijna niemand ontsnapt eraan. Is een bestaan in het peloton dan zo verminkend en deformerend dat het ‘echte’ leven nadien als een harnas ervaren wordt? Of is het anders. Is wielrennen een vorm van escapisme, een ontsnappen aan een gat dat er altijd geweest is? Het blijft toch een beetje een kip of het ei-vraagstuk.