Nederlanders

Eén leerling maakt een hoed, een andere leest Dahl. Allen spreken verplicht Nederlands.

‘Zij die niet van lezen houden groeten u.” Zo begroette Eric mij altijd als hij samen met zijn klasgenoten het lokaal binnenliep. Eric is een van de weinige autochtone leerlingen die ik in de loop der jaren heb lesgegeven. Hij zat in een zogenaamde ‘zorgklas ’. Eric zou nu waarschijnlijk autist worden genoemd of een ander stempel hebben gekregen. Hij liet altijd tekeningen vol met geslachtsdelen achter op tafel en vond het prima om vooral met rust gelaten te worden. Aangezien de andere elf er vooral voor zorgden dat je ze geen minuut lang géén aandacht kon geven, kon ik gemakkelijk toegeven aan die wens.

Eén keer heeft Eric ons allemaal op ongeëvenaarde wijze te grazen genomen. Bij handvaardigheid had hij wekenlang hard gewerkt aan het maken van een hoed. Hij was langdurig in de weer geweest met roze, zalmkleurige en aubergine stoffen en had een hoed gemaakt met verschillende randen en lagen.

In de docentenkamer was er, door de veelal vrouwelijke docenten, over gepraat en Eric werd geprezen om zijn werkdrift. Het was ‘ook fijn dat hij minder gefixeerd is op je weet wel’.

Bij de beoordeling stond de hele klas om de tafel van de juf. Toen Eric’s hoed aan de beurt was en ze hem vroeg of hij nog iets wilde zeggen haalde hij zijn schouders op en zei: „Je kunt ’m ook omdraaien.’’ En zo gezegd, zo gedaan. De lerares vouwde de hoed van binnen naar buiten en ontwaarde daar een vorm die als twee druppels water leek op het vrouwelijk geslachtsdeel. ’t Uur daarna zaten ze bij mij en het enige wat ik kon doen om ze te kalmeren was ze voorlezen. Uit Voetbal International.

Tegenwoordig beginnen we elk 1ste uur met een kwartier lezen. Ons 1ste uur is ook letterlijk een kwartier langer dan alle andere lesuren. Het is de bedoeling dat alle leerlingen een boek bij zich hebben. Dit is onderdeel van het pakket versterkt taalonderwijs dat wij proberen aan te bieden. Ze lijken het niet heel vervelend te vinden en vragen braaf een verklaring voor de woorden die ze niet kennen. In de oase van rust die de eerste 15 minuten kenmerkt moest ik denken aan Bobby, een oud-leerling die maar één boek mooi vond. Sjakie en de Chocoladefabriek. Hij had het zes keer gelezen. Een ander boek van Roald Dahl kon hem niet bekoren. Je kon praten als Brugman, hij waagde zich niet aan een ander boek van de schrijver.

Aangezien 98 procent van mijn huidige leerlingen thuis niet Nederlands praat was het even een toer om iedereen na de vakantie van schoolregel nummer 1 te doordringen: „We praten Nederlands met elkaar.”’ Ook in de pauzes. Degene die het niet doet en zo dom is om zich te laten betrappen moet een opstel schrijven met als titel ‘Waarom het belangrijk is om goed Nederlands te spreken’. De eerste opstellen zijn al binnen bij de directeur en bij recidive volgt een presentatie voor de klas met hetzelfde thema als onderwerp.

Tijdens een van de lessen kwam Schliemann/Troje/de schat van Priamus ter sprake. ’t Feit dat die ‘schat’ of wat we daarvoor aanzien via Berlijn in het Poesjkinmuseum in Rusland terecht was gekomen leidde tot grote beroering. „Waarom doet de Turkse regering daar niets aan ?”

Ze waren oprecht ontstemd en teleurgesteld in al die matte volwassenen die dit allemaal maar toestonden. Het liefst waren ze met zijn allen de klas uitgelopen om er iets aan te doen.

Omdat ik het oproer wel vermakelijk vond vroeg ik wie eigenlijk hier geboren was. 19 van de 22 zo bleek. Dus jullie zijn Nederlands ? Nee, we voelen ons Turks. Na enig doorvragen bleek dat ze zich ook wel Turks en Amsterdammer voelden. Ze zijn dan misschien wel taalzwakker dan hun autochtone havo-vwo-collega’s, maar evengoed reteslim. Ik kreeg de volgende vraag voor mijn kiezen. „Zitten uw oudste kinderen op een witte of zwarte school ?” Een witte school, moest ik bekennen. „Maar dat is mijn manier om de segregatie tegen te gaan”, probeerde ik flauw.

Ze bleven me vriendelijk aankijken, maar eentje zei: „Ja, ja.”

Joyce de Grand