Kasteel vermist

In De elzenkoning beschreef Michel Tournier Oost-Pruisen zoals dat is verdwenen met de ineenstorting van het Derde Rijk: een sprookjesland met grote boerderijen, vet vee en volle akkers. De schrijver is er zelf nooit geweest.

Gedenkteken voor een jachtsucces van Keizer Wilhelm II op de Rominter Heide Foto Stéphane Alonso In Mazurie, het Poolse merengebied, zijn nog voolop sporen te vinden uit de tijd dat het hier Oost-Pruisen heette. De Rominter Heide was het voormalige jachtgebied van de Duitse keizer en later van Hermann Goring. Op de steen staat: ,,Op deze plek schoot keizer Wilhelm II op 23 september 1908 een kapitale 20-ender.'" Ofwel een volwassen hert waarvan het gewei 20 punten telde.
Gedenkteken voor een jachtsucces van Keizer Wilhelm II op de Rominter Heide Foto Stéphane Alonso In Mazurie, het Poolse merengebied, zijn nog voolop sporen te vinden uit de tijd dat het hier Oost-Pruisen heette. De Rominter Heide was het voormalige jachtgebied van de Duitse keizer en later van Hermann Goring. Op de steen staat: ,,Op deze plek schoot keizer Wilhelm II op 23 september 1908 een kapitale 20-ender.'" Ofwel een volwassen hert waarvan het gewei 20 punten telde. Alonso, Stephane

We staan in de modder. Zomaar. Tien minuten geleden was dit nog een vriendelijk bos, maar een wolkbreuk heeft de Heide van Rominten veranderd in een spookachtig moeras. „We moeten daarheen”, zegt Ryszard Dutkiewicz, de gids. Hij wijst naar een open rietveld, waarvan de stengels buigen onder de slagen van de regen, de laatste plek waar ik nu naar toe wil. Maar Dutkiewicz is al weg.

Daar gaan we dan, balancerend op dode boomstronken, drijfnat, steeds dieper de modder in. Net als Abel Tiffauges, de protagonist uit De elzenkoning van Michel Tournier, de historische roman waarmee deze reis door het noordoosten van Polen is begonnen. In zijn voetsporen lopen we in een moeras dat lurkt en lokt.

Eindelijk bereiken we een bosrand. Daar, tussen de stammen, doemt op waarvoor we gekomen zijn: een grote zwerfkei met een Duitse zin: „Op deze plek schoot Zijne Majesteit Keizer Wilhelm II op 28 september 1908 een kapitale 20-ender.” Ofwel: een hert met een prachtig gewei. Op de Rominter Heide, „paradijs van de mooiste herten van Europa” (Tournier), staan vijftien van zulke keizerstenen, stille getuigen uit de tijd dat het hier Oost-Pruisen heette.

Tourniers De elzenkoning uit 1969 speelt zich af in dit verdwenen land, dat na 1945 opging in Polen, Rusland en Litouwen. Tiffauges is een Franse garagehouder, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene in dit afgelegen deel van Duitsland terechtkomt. Dankzij goed gedrag krijgt hij een baantje op de Rominter Heide, op het jachtverblijf van nazikopstuk Hermann Göring, groter en pompeuzer dan dat van Wilhelm II. In de Poolse volksmond wordt nog steeds gesproken over de Heide van Göring.

Van het jachtslot zijn nog slechts ruïnes over. Het ligt vlak over de grens, in de Russische enclave Kaliningrad. Göring liet het in brand steken toen het Rode Leger aan de poorten van Oost-Pruisen rammelde. Maar tot die tijd hield hij hier kostbare jachtpartijen, terwijl elders miljoenen mensen werden afgeslacht. Göring had andere problemen: hij kon het niet hebben dat zijn gasten de mooiste herten schoten. Hij verbood dit dan ook, per decreet, een historisch gegeven dat bij Tournier ook terugkeert.

„De oude grens tussen Polen en Oost-Pruisen is nog steeds haarscherp zichtbaar”, zegt Dutkiewicz als we de Rominter Heide weer uitrijden. Even later begrijp ik wat hij bedoelt: het ene moment zoeven we door een landschap van rode daken en bakstenen boerderijen. Het volgende staan we stil in een dorp van houten huisjes, met pittoresk snijwerk. Welkom in Polen.

Tournier kreeg indertijd kritiek, omdat de Holocaust in De elzenkoning nauwelijks aan bod komt. Maar in Oost-Pruisen wás de oorlog ver weg. Duitse zonen moesten het leger in, maar oorlogsgedruis klonk hier pas aan het einde van 1944. In Berlin: The Downfall 1945 beschrijft Anthony Beevor het ongeloof van Russische soldaten over het Oost-Pruisen dat ze aantroffen: een sprookjesland met grote boerderijen, vet vee en volle akkers. Wat hadden die Duitsers in godsnaam in Rusland te zoeken?

Het ongeloof sloeg om in waanzin: tijdens de opmars naar Berlijn werden volgens Beevor twee miljoen vrouwen verkracht, vooral Duitse, maar ook Poolse en zelfs Russische vrouwen, net bevrijd uit krijgsgevangenschap. „In deze regio spreken ze positiever over de Duitsers dan over de Russen”, zegt Dutkiewicz. Het wild op de Rominter Heide werd opgegeten, inclusief de speciaal gefokte ‘oerossen’ van Lutz Heck, zoöloog in dienst van de nazi’s.

Het bloedbad werd nog groter omdat Hitler een evacuatie van burgers verbood, ook toen hij zijn eigen hoofdkwartier in Oost-Pruisen, de Wolfsschanze bij Rastenburg (het huidige Poolse Ketrzyn), al lang had verlaten. Goldap, het stadje naast de Rominter Heide, mocht zich onder geen beging overgeven en dat is te zien: de stad raakte compleet vernield, het huidige centrum is een opeenstapeling van communistische wansmaak. „Er staan nog drie originele gebouwen”, zegt Aleksandra Rataszewicz, de curator van het plaatselijke museum.

Haar museum is piepklein en vertelt vooral de geschiedenis van de oorlog: doorboorde sovjethelmen, doorboorde Duitse helmen, kogels, een paar rieten winterklompen uit Stalingrad, een porseleinen bord met hakenkruis en een oude Pruisische krant, met een lokale regeringscrisis op de voorpagina. „Er is zoveel kapotgemaakt”, zegt Rataszewicz. „Tijdens de oorlog, maar ook daarna: alles wat los zat werd meegenomen.” En alles zat los.

Toch behoren Ermland en Mazurië (Warmia i Mazury) nog steeds tot de mooiste streken van Polen, met overdadige, Wagneriaanse heuvels, meren als spiegels, moerassen als olieplassen, eindeloze berkenbossen, reusachtige Pruisische boerderijen en ontelbare gotische kastelen. En overal originele, kronkelende kasseiweggetjes, alsof de tijd heeft stilgestaan. „Een maagdelijke ruimte”, zoals Tournier schrijft. In dat decor rijden we van Goldap naar Kaltenborn, waar Tiffauges als monster begint en als engel eindigt.

„Hallo, spreek ik met de grote schrijver Michel Tournier?”

„Jazeker, wat kan ik voor u doen?” Hij is 84 jaar, maar door de telefoon klinkt hij jonger. Zijn nummer heb ik opgeduikeld op internet.

„Ik maak een reis door het noordoosten van Polen, aan de hand van De elzenkoning. De meeste plekken die u beschrijft, heb ik kunnen vinden, maar in het plaatsje Kaltenborn raakte ik op een dood spoor. U schrijft dat daar een kasteel staat, waarin tijdens de oorlog een nazischool was gevestigd. Maar er is geen kasteel te bekennen.”

„Dat kan heel goed kloppen. Maar het is wel een mooie naam voor een kasteel, vindt u niet?”

Het spoor liep al eerder dood, in Drosselwalde, het huidige Drozdowo. Tournier schrijft hoe Tiffauges bij het verlaten van dat dorp in de verte kasteel Kaltenborn ziet. Maar naar Zimna Woda, zoals Kaltenborn tegenwoordig heet, is het dan nog honderd kilometer. In Kaltenborn zal Tiffauges in dienst treden van een Napola, een school voor de toekomstige nazi-elite. Hij wordt belast met het ronselen van leerlingen in de buurt, omdat de strijd aan het oostfront de Oost-Pruisische jeugd opslokt.

„Nee, een kasteel heeft hier nooit gestaan”, zegt Piotr Pasturski, eigenaar van een paardenmanege in Zimna Woda. Hij is te jong om zich de vooroorlogse tijden te herinneren, maar hij heeft er wel verhalen over gehoord. „Het moet een behoorlijk uit de kluiten gewassen dorp zijn geweest, met houtzagerijen, winkels en twee eetgelegenheden.” De houtkap gaat onverminderd door, maar winkels heeft Zimna Woda al lang niet meer.

Tournier komt uit een familie van Franse germanisten en bracht als kleine jongen vele vakanties door in Duitsland, nog voor de oorlog. Maar in Oost-Pruisen is hij nooit geweest, zo schreef hij al in 1977, in zijn ‘literaire autobiografie’ Le Vent Paraclet (in het Nederlands vertaald als Een vlaag van bezieling). In de Rominter Heide was daar niets van te merken: zijn beschrijving van de natuur en van de dorpen daar is zeer accuraat, het resultaat van uitgebreid literatuuronderzoek en vele interviews met voormalige bewoners van het gebied. Maar het echte Kaltenborn wijkt sterk af van het fictieve. „Kaltenborn is een kunstmatige synthese van alles wat ik gelezen en gehoord heb”, legt Tournier uit.

In Mazurië staan overigens genoeg kastelen die voor dat van Kaltenborn zouden kunnen doorgaan. En in het nabijgelegen Sztum (Stuhm) was inderdaad een Napola-school gevestigd, de enige in Oost-Pruisen. Nu wordt de burcht daar gebruikt voor bruiloften en partijen. In Zimna Woda zelf staat nog precies één origineel Pruisisch huis. Het overleefde, dankzij de Russische geheime politie, de NKVD, die zich in het pand nestelde om de volksverhuizing in het gebied te overzien. Duitsers eruit, Polen erin. De rest van het dorp, dat prachtig moet zijn geweest, stierf in het oorlogsgedruis.

Ook in De elzenkoning verdrinkt de wereld in bloed en wapengekletter, terwijl de Franse garagehouder met een joods kind op de schouders het moeras in vlucht. „De geschiedenis en de geografie zijn de twee belangrijkste thema’s van de literatuur”, zegt Tournier. „Het eerste verhaalt over een opeenstapeling van misdaden en catastrofes. Het tweede is een lofzang op de natuur, op de aarde, in de geest van Jules Verne. In De elzenkoning laat ik die twee samenkomen. Het boek gaat over de geografie die wordt vernietigd door de geschiedenis.”

De stenen van Zimna Woda werden gebruikt voor de wederopbouw van Warschau, de eveneens compleet vernietigde Poolse hoofdstad. Oog om oog, tand om tand. De geschiedenis kan tevreden zijn.