Meesterlijke Tsjechische films komen uit kluis

Praagse Lente – Prazské Jaro – Revisited. 11 t/m 24 september. In: Filmhuis Den Haag.Info: filmhuisdenhaag.nl

Veertig jaar geleden maakten de Russen een einde aan de Praagse Lente. De periode van dooi die onder de hervormingsgezinde president Alexander Dubcek in Tsjechoslowakije aanbrak, was toen nog maar een half jaar aan de gang. Deze gebeurtenissen worden herdacht in een programma in Filmhuis Den Haag, waar ‘kluisfilms’ worden vertoond: films die na hun inval door de Russen werden verboden en die pas weer te zien waren na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn in 1989.

Bij de meeste films is het goed te begrijpen waarom de communisten ze verboden. Zo worden in Jirí Menzels beroemde film Houd de treinen in het oog (1966) autoriteiten belachelijk gemaakt. De stationsmeester van het treinstation draagt bijvoorbeeld een uniform dat aan het begin en eind van de film helemaal door duiven ondergescheten wordt. De toch al incompetente man wordt tussendoor nog eens verder geridiculiseerd, met geestig resultaat. Want natuurlijk komt zijn meerdere net langs als hij zijn nieuwe uniform past: er mist één mouw en het donkere pak zit vol met witte stikselpatronen.

Bovendien roept Menzel op tot verzet tegen de overheersers. In de film zijn dat de nazi’s, maar vervang de Duitsers door de Russen en de allegorie is duidelijk, en dat ging eind 1968 te ver.

Menzel is ook de regisseur van de film die pas 21 jaar na voltooiing een Gouden Beer won op het filmfestival van Berlijn. Leeuweriken aan een draadje werd in 1969 gemaakt, maar verdween al snel in de kluis. De film gaat over een groepje bourgeois mannen, dissidenten, die schroot moeten sorteren bij de hoogovens. Net als het oude ijzer moeten hun opvattingen ‘omgesmolten worden’, aldus hun leidinggevende kameraad.

De mannen houden de moed erin met het citeren van poëzie, discussies over filosofie en het kijken naar vrouwen die aan de andere kant van het terrein te werk zijn gesteld. De bewaker van de vrouwen is geen kwaaie, hij knijpt bijvoorbeeld een oogje toe als zijn gevangenen stiekem naar de mannen sluipen.

De film lijkt daarmee een pleidooi voor Dubceks ‘socialisme met een menselijk gezicht’. Dus ging de film in de kluis. Net zo als een andere film die op grimmige wijze – en jaren voor Das Leben der Anderen – laat zien hoe een echtpaar er langzaam achter komt dat ze in alle vertrekken van hun huis worden afgeluisterd. Dat de hoofdpersoon een hooggeplaatste minister is, doet er duidelijk niet toe. Iedereen werd in de gaten gehouden. The Ear (Ucho, 1970) maakt de gevoelens van paranoia goed voelbaar. Veertig jaar geleden, nog steeds huiveringwekkend.