Eindelijk naar Tschinvali

IMG_0737.JPGAfgelopen weekend was ik in Noord-Ossetië om er de schade van de Georgische inval op te nemen. De Russische regering stond me in alle opzichten bij, met een bereidwilligheid die ik in de twintig jaar dat ik in Rusland kom niet eerder heb meegemaakt. Maar wat wil je, Georgië ligt nog altijd voor in de propagandastrijd en Rusland is gefrustreerd over het uitblijven van internationale erkenning voor zijn verdediging van het Zuid-Ossetische volk.

Op zaterdagochtend negen uur stond er een allervriendelijkste vertegenwoordiger van de Noord-Ossetische regering voor ons hotel in Vladikavkaz die ons met een busje naar Tschinvali zou brengen. Een speciale service voor westerse correspondenten.

Hadden ze dat nu maar eerder gedaan, dacht ik. Want in de eerste dagen na de Georgische inval kregen westerse correspondenten alleen maar te horen dat ze een lange bureaucratische weg via het Moskouse ministerie van Defensie moesten afleggen om tot Tschinvali toegelaten te kunnen worden. Die weg zou meer dan drie weken in beslag nemen.

Waarschijnlijk koos een merendeel van hen daarom voor Georgië. Maar nu was alles anders. De tocht voerde fotograaf Oleg Klimov, een Noord-Ossetische journaliste, een Turkse verslaggever, diens tolk en mij door de kronkelende kloven van het Noord-Ossetische berglandschap. Rauwe, kale bergen, die de harde wereld van de Kaukasus benadrukten. Bij iedere tunnel stonden Russische tanks en mitrailleurposten opgesteld. IMG_0764_1.JPGDe weg was bezaaid met militaire konvooien: verse troepen, nieuwe tanks en pantservoertuigen, bouwmateriaal. Naarmate we de grens met Zuid-Ossetië naderden werden het er meer en meer.

Dankzij onze gids Alan, kwamen we ongehinderd langs de controleposten. ,,Buitenlandse journalisten”, riep hij telkens als de mitrailleurs wantrouwend op ons busje werden gericht. En die twee woorden waren ineens het ‘Sesam open u’ voor westerlingen in Rusland.

De inmiddels beroemde Roksitunnel, waardoorheen op 8 augustus de Russische tanks naar Tschinvali opstoomden, was inderdaad zo smal als ik had gelezen. Een mogelijkheid om honderden tanks aan de Russische zijde van de tunnel te stationeren, zoals de afgelopen weken diverse keren is beweerd, heb ik niet waargenomen.

Na de tunnel ging het ruige landschap al gauw over in een soort Pyreneeënbegroeiing. Dorpen kwamen in zicht, met kleine kioskjes langs de weg waar voedsel werd verkocht. Voorbij het dorp Dzjava begon de Georgische enclave die geleidelijk aan in Tschinvali overloopt. En daar begonnen de Verschrikkingen van de Oorlog.IMG_0758.JPG

Ieder dorp was met de grond gelijk gemaakt. Niet door geschut, maar door Zuid-Ossetische milities, die als wraak voor de Georgische inval en de gedeeltelijke vernietiging van Tschinvali, alle huizen tegen de vlakte hebben gegooid en geplunderd. De met geld van de Georgische regering gebouwde supermarkten, sportzalen en elektronicawinkels waren in brand gestoken. In NRC Handelsblad kunt u er een reportage over lezen (de eerste, over de verwoesting van Tschinvali, stond gisteren in de krant en staat online). In Tschinvali was het oorlogsleed zo niet nog groter. De stad was veel meer verwoest dan ik had vermoed. Niet alleen de joodse wijk, maar ook veel andere straten ten zuiden van de centrale Moskoustraat waren behoorlijk door het oorlogsgeweld aangetast. IMG_0730.JPGIMG_0745.JPGIMG_0732.JPGIMG_0726.JPGHet parlement, het mooiste gebouw van de stad, is een ruïne. Flatgebouwen zijn uitgebrand. En in de westelijke parallelstraten van de Leninstraat staan weinig huizen overeind.

Hoeveel mensen er zijn omgekomen, is nog altijd niet duidelijk. Op het moment van de Georgische aanval woonden er nog maar 7.000 mensen in de stad. Volgens een lokale journaliste die ik sprak zijn het er geen 133 zoals de Georgiërs beweren, maar ook geen 1.700 zoals de Russen beweren. Zij schatte het aantal slachtoffers op zo’n 500. Hun precieze aantal doet er ook niet toe, het zijn er 500 te veel.IMG_0740.JPG

Ik logeerde in hotel Alana, dat voor een groot deel in puin was geschoten, terwijl het net een opknapbeurt had gekregen. Bij de ingang werd humanitaire hulp verleend in de vorm van het uitdelen van kleding. Vrouwen stonden er in een enorme textielberg te graaien.

Op de eerste verdieping bevond zich de administratie. Voor 700 roebel kregen we een luxekamer op de vierde verdieping, de enige verdieping die nog als hotel functioneerde. De kozijnen hadden geen glas meer, er was geen warm water, koud water en elektriciteit waren er sowieso maar een paar uur per dag. Vanaf negen uur ‘s avonds gold er een avondklok, wat betekende dat we niet de straat opmochten. ,,We schieten jullie zonder pardon neer”, zei enkele uren eerder een Zuid-Ossetische militiesoldaat tegen ons.

‘s Nachts was het donker in de stad. Slechts in een enkel huis brandde licht. Regelmatig klonken schoten. En voortdurend drilden tanks en pantserwagens door de duisternis. In die omstandigheden vierde ik op mijn hotelkamer mijn 47ste verjaardag, met een fles champagne en een stuk koude kip.