Wiebelen over scherpe kam men

Het is prachtig wandelen op de Kaapverdische eilanden. Bijvoorbeeld met de gids in de hand van een Duitse tropenarts die zijn bezoekjes op een kaart intekende. „Op een dag zei mijn vriendin: waarom maken we er eigenlijk geen boekje van?”

De kust van Santo Antão Foto Nico te Laak
De kust van Santo Antão Foto Nico te Laak

Vanuit de drukke haven van Mindelo, hoofdstad van de drie noordelijke Kaapverdische eilanden, zie je het eerstvolgende eiland Santo Antão als een hoopje land verderop in de wijde oceaan liggen. Lijnvluchten landen niet op San Antão, maar ach, het is hooguit een uurtje varen. Vliegende vissen, met een beetje geluk ook dolfijnen, begeleiden de veerpont naar Santo Antão’s havenplaats Porto Novo. Aan boord veel blije mensen, plus lekkere koffie en een warme tosti. Of alvast een glaasje grogue, Kaapverdische rum.

De gepensioneerde Duitse tropenarts Pitt Reitmaier ging al honderden keren heen en weer. Reitmaier was jarenlang gelegerd in Santo Antão. De vervoersmogelijkheden op het eiland, ongeveer vier keer Texel, maar dan meteen stijf de lucht in, waren nogal beperkt. Reitmaier legde zijn visites daarom lopend af. En tekende al die wandelingen in op een kaart. „Die kaart moest ik eerst zelf maken. Behalve een oude militaire kaart was er niets. De kaart werd steeds mooier en uitgebreider. Op een dag zei mijn vriendin: waarom maken we er eigenlijk geen boekje van?”

Het resultaat is een mooi wandelgidsje met tientallen wandelingen door de Ribeira’s, de steile stroomdalen van Santo Antão. Santo Antão is zonder twijfel het meest spectaculaire eiland van Kaapverdië. Messcherpe kammen verdelen het eiland in twee stukken. Links is het bar en droog, rechts is het groen en paradijselijk. Om van de haven aan de dorre kant naar de paradijselijke groene kant te komen vereist een barre tocht van een uur of twee. Taxibusjes wiebelen over de scherpe kammen, met adembenemend diepe uitzichten naar alle kanten. Her en der stappen mensen uit, om via geitenpaadjes te verdwijnen naar kennelijk tegen de hellingen geplakte huisjes.

In het dorpje Paul beukt de oceaan tegen de kust. Zwemmen ligt hier niet voor de hand. Visserij trouwens ook niet. Dus is het landbouw wat de klok slaat. Overal perceeltjes groente, hoge palmen en citrusbomen. Gespierde mannen snijden suikerriet, dat in de destilleerderij direct wordt omgezet in grogue. De Duitse pensionhoudster Sabine is hier jaren geleden neergestreken met haar drie kinderen. De Kaapverdische vader is er momenteel niet, wat heel goed past in de wat losse Kaapverdische huwelijksmoraal. Sabine kookt een merkwaardige mix van exotisch Kaapverdisch en degelijk Duits. In de verte klinkt een disco, muziek is alomtegenwoordig in Kaapverdië.

Sabine tovert Reitmaiers wandelgidsje voor de dag en suggereert een kustwandeling vanuit Punta del Sol, een kalm kustplaatsje dat oogt als een ansichtkaart. Het pad slingert zich omhoog langs stinkende varkenskotten, en weer omlaag langs roestrode rotsen, zacht als klei en met de prachtigste korstmossen op de schaduwzijde. In het gehucht Fontainhas verdwijnt de oceaan uit zicht en heerst het lieflijk groen. Een grootvader wipt papaja’s uit de hoge, dunne papajaboom. Zijn kleinzoon duikt achter ze aan als een volleerde keeper. Een uitbater overhandigt de wandelaars zwijgend een paar ijskoude flesjes vanuit zijn huiskamer, voor de terugtocht.

De Kaapverdiërs zetten overal in op toerisme. Veel keus hebben ze niet. Visserij is een alternatief, maar grote buitenlandse boten vissen de territoriale wateren in hoog tempo leeg. Arbeid is sinds mensenheugenis het voornaamste exportproduct van Kaapverdië. Mensenheugenis is hier trouwens nog niet zo lang. Pas toen de Portugezen de zeewinden leerden kennen vestigde de mens zich op de archipel. De eilanden deden eerst dienst als doorvoerhaven voor slaven en andere handelswaar, later om de grote vaart te voorzien van verse steenkool. Daarna kwijnde Kaapverdië langzaam weg, en begonnen de Kaapverdiërs aan hun trek over de wereld.

Nu heerst het inzicht dat Kaapverdië groot toeristisch potentieel herbergt. De negen eilanden zijn enorm divers. Bovenwinds is er naast Santo Antão ook nog het grotendeels onontdekte São Nicolao. São Vicente heeft met Mindelo een stad met heerlijke restaurants en fijne muziek. Benedenwinds is het eiland Sal plat, droog en dor, maar met een fantastische oceaan voor de zwemmer en surfer. Op Fogo rijst een bijna drieduizend meter hoge vulkaan op spectaculaire wijze op vanuit zee. Boavista heeft eindeloos veel zand en duinen. Op Santiago woont veel volk, dus is er veel cultuur.

Voor de hikende toerist blijft Santo Antão het summum. Duitse Sabine suggereert een daglange wandeling bergop, de rurale rust van de Ribeira de Paul in. Ruim 1.400 meter naar boven torent het dagdoel: Pico de Cruz. Hanen kraaien, hondjes blaffen, vogeltjes fluiten de ganse dag. Bananen alom, naast palmbomen, bonen, kolen, cassave, papaja’s, sla, abrikoosjes, zuurzak en steile hellingen vol koffiestruiken. Mooie meiden wassen hun haren onder de dorpspomp. Hogerop maakt de uitbundige vegetatie eerst plaats voor geiten en lage struikjes, later voor hoge pijnbomen. Met hun lange naalden vangen de pijnbomen het vocht uit de wolken die ’s nachts over de kam scheren. Boeren tappen het water van de bomen af, en bergen het in grote bassins, waar ze de verdere dag uit kunnen putten.

Ruim driehonderd kilometer verder gebeurt hetzelfde, maar dan manmade. Hoge netten op de kam van de Serra Malagueta melken de wolken die hier elke nacht overjagen, maar nimmer uitregenen. De Serra Malagueta is een even klein als spectaculair berggebied op het grootste Kaapverdische eiland Santiago. Berg en directe omgeving zijn gebombardeerd tot Parque Natural, wegens de biodiversiteit: op de berg groeien unieke plantjes in een uniek ecosysteempje. Parkdirecteur José Luís Elba Martins hijst zijn ruim twee meter lange lichaam de glibberige helling op, naar een schaduwrijk hoekje. Onder een rots bedekt met gele en groene korstmossen, zet hij zijn grote voeten bijna bovenop een wat onaanzienlijk vetplantje. „Kijk”, zegt Martins, „hier zijn er nog dertien van op de hele wereld. Daar moeten we zuinig op zijn.”

Geld om het park smoel te geven komt uit allerlei buitenlandse potjes. Smoel moet er komen om ecotoeristen te trekken en zo de ecodiversiteit te waarborgen. Wandelpaden moeten worden uitgezet. Een lodge staat gepland in het binnenkort te restaureren oude, koloniale pand waar ooit de Portugese gouverneur huisde. Bewoners mogen niet meer grootschalig boeren. Als alternatief worden ze ingezet bij het beschermen van de zeldzame plantjes, en het uitroeien van woekerende agaves. Het parkje is wel erg klein. Als de toeristen zijn uitgewandeld kunnen ze terug naar de kust, naar een van de mooie stranden van Santiago.

Alleen worden die stranden soms gejat. Er wordt flink gebouwd op Santiago, en bouwzand is schaars. Ribeira de Barca is een vissersdorpje van duizend zielen. Verse vis, palmbomen, prachtige vissersbootjes, kaartende vissers, kortom: een toeristisch paradijs. Op wat vroeger het strand was staat een groepje vrouwen wat nurks naast bergjes strandzand, wachtend op kopers. Het oogsten van zand mag niet, dat weten ze ook wel, ze zijn er zelfs mee op de televisie geweest. En dat de kusthuisjes met hoogtij onderlopen doordat het strand gestolen is, dat is best lastig. Maar de witte man heeft makkelijk praten, zegt de woordvoerster: „Wat zouden we anders moeten doen. Onze kinderen moeten wel eten en wel naar school.”