Vuisten

Hope 8, 2005 Foto Erwin Olaf
Hope 8, 2005 Foto Erwin Olaf Olaf, Erwin

Mijn moeder huilde toen ik mijn eerste gevecht won. Ze had gezien hoe ik van binnen was. Hoe hard. Dat was misschien niet mooi, maar wel echt. Ik koesterde dat moment.

Al sinds mijn vijfde wist ik dat de ring een miniversie van de wereld was. Je begon een gevecht met een respectvolle groet, daarna mocht je alles geven. Wie het meeste gaf, won.

‘De wereld volgens Rufus’, noemden mijn vrienden het. Ze zeiden dat mijn theorie te simpel was, maar ze durfden het gewoon niet te zien: in de ring was geen plaats voor nuances. En in het leven, uiteindelijk, ook niet. Je zei ja of nee. Je ging of je ging niet.

‘Ik sla dus ik besta’, legde ik mijn vriendin uit.

‘Ik mis de humor in jouw theorie’, zei ze.

‘Ik lach heus wel eens.’

Zij begreep me ook al niet. Ze zag alleen de roem en mijn gespierde lijf. Gelukkig was ze zelf ook aantrekkelijk. Ik aaide eerst haar been, liet toen mijn hoofd op haar schoot zakken.

‘Lief dat je ‘moeder’ achter je oor hebt laten tatoeëren’, fluisterde ze.

Toen ik klein was kroop ik na de training altijd bij mijn moeder in bed. Daar at ik mijn boterham met banaan en pindakaas en vertelde wat ik had geleerd.

‘Dat is mooi’, zei mijn moeder dan, verder niets. Maar liefde ging niet over woorden, ook dat wist ik al vroeg. Het ging om de dingen die je samen deed.

Ik lag graag tegen haar aan en luisterde hoe ze mopperde over buren, onbetrouwbare vrienden en natuurlijk mijn vader, die ik nooit had gekend.

Ik vond het fijn om tijdens haar klagen haar mond aan te raken. Ik hield van die lichtgerimpelde huid om die zachte lippen, het vlees dat zich opende en sloot.

Het enige nadeel van het vechten was dat ik al op mijn tiende geen gevoel meer in mijn vingertoppen had. Dat kwam omdat ik van mijn trainer dagelijks mijn handen in grint moest stoten, om ze te harden. ‘Daar word je kampioen van’, zei mijn trainer.

Ik vertelde mijn moeder niets van mijn stompe vingers, het zou haar alleen maar verdrietiger maken.

‘Het leven is zo oneerlijk’, zuchtte ze vaak. ‘Alsof ik de ellende krijg en de rest al het geluk.’

Dan bleef ik wat langer bij haar liggen.

‘Rufus’, zei mijn moeder na dat eerste echte gevecht. Ik was de jongste in de ring geweest en had een berg geld gewonnen.

De trainer bracht een glimmende paarssatijnen winnaarsjas naar de kleedkamer. Op de rug stond ‘Rake Rufus’, in gouden letters. ‘Van tevoren laten maken’, zei hij, ‘ik wíst het.’

Ik kreeg een klap op mijn schouder en weg was hij weer, terug naar de ring. Ik wou hem achterna, wou nog een rondje door de dampende zaal met het uitzinnige publiek. Het voelde verkeerd dat ze met nieuwe gevechten waren doorgegaan, ik wilde niet dat er meerdere kampioenen waren.

‘Rufus’, zei mijn moeder nog eens. Ik keek haar aan met mijn ene oog dat nog open kon. Ze had me gezien, daar ging het om.

‘Ik moet nog iets zeggen’, zei ze.

Het was zo stil in de kleedkamer. Ik had trek in een boterham met banaan en pindakaas.

‘Ik ben ziek’, zei ze.

Ik wendde mijn hoofd af. Lachen of huilen.

‘Luister liefje. Je zult het binnenkort zonder mij moeten doen.’

Leven of sterven.

Ze kreunde toen ik uithaalde.

Wel een uur lang douchte ik. Ogen dicht, alleen het geluid van water en het kloppen van mijn kapotte oog. Je doucht of je doucht niet. Toen ik tenslotte de kraan dichtdraaide klonk aan de andere kant van de muur de bel van de laatste ronde. Het publiek loeide, de vechters moesten de zure pijn in hun spieren voelen. Degene die nu het langste volhield won.

Een druppel douchewater liep vanachter mijn oor over mijn rug naar beneden. Het kietelde.

Ik luisterde naar het lawaai in de zaal en de stilte in de kleedkamer. Alles en niets. Groot en klein.

Het kan zijn dat de gouden letters op mijn rug glinsterden toen ik de kleedkamer uitschreed. Mijn trainer stond in de ring en omhelsde de nieuwe kampioen. Ik ging zo dicht mogelijk bij hem staan. Ik keek naar mijn handen, de windsels zaten er nog omheen, blijkbaar was ik ze vergeten af te doen – misschien dat ik op dat moment even aan de rode mond van mijn moeder dacht.

Daarna maakte ik vuisten, stak mijn armen in de lucht en juichte.

Jowi Schmitz (1972) is schrijver en (cultuur)journalist. Vorig jaar verscheen haar tweede roman, Kus van je zus.