Steekvlam

Kees 't HART ,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Den Haag, 17 februari 2006
Kees 't HART ,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Den Haag, 17 februari 2006 Mentzel, Vincent

Wat zei ik precies? Misschien viel het mee, hij reageerde er in ieder geval niet op, ook later niet, maar dat zegt niks. Helemaal niks, hij is een binnenvetter. Misschien dacht hij: ik zeg liever niks. Om er dan later op terug te komen, als ik het allang vergeten ben, als ik hem ooit terugzie. En als hij durft: binnenvetters zijn angsthazen. Ik ook altijd en ik had niks op. Ik zei het gewoon, twee zinnen. Ik fluisterde ze, maar niet zacht genoeg, hij moet het gehoord hebben. Je hebt iets van een mooie plant.

Waarom zeg ik deze dingen? En daarna dat andere. Ik dacht het eerst alleen maar, of was dat geen denken? Verboden te denken. Ik zie hem misschien nooit meer, maar dan nog. Ik weet zijn adres niet eens. Als ik dat aan Daphne vraag maak ik me belachelijk, ik maakte me toch al belachelijk. Waarom zou ik mijn verontschuldigingen aanbieden? Juist dan maak ik me belachelijk, dan denkt hij er iets van. En zo erg was het niet. Wil je iets drinken zei hij. Hij heeft het vermoedelijk niet eens gehoord omdat ik het niet hardop zei, ik dénk alleen maar dat ik het hardop zei. Om mezelf te kwellen. Of hij verstond iets anders, iets nog jammerlijkers.

Bestaat dat woord: jammerlijkers? Ik wilde door de grond zakken, samen met mijn stem, ik was diep gezonken. Door niemand bezichtigbaar. Wat heb ik daarna gezegd? Als ik dat precies weet kan ik de rest beter vergeten. Ik zag je bij de ingang, wachtte je op iemand? Dat was normaler. Dat zei ik kort daarop, dat weet ik zeker, Saskia vroeg later waarom ik het zei. Om iets te zeggen, om hem zo snel mogelijk op andere gedachten te brengen, ook al had hij de zin met de plant niet gehoord. En wat dan nog als hij die wel gehoord had? Je hebt iets van een mooie plant. Het was waar. Hij stond bij ons als een mooie plant, stil, schuldeloos, hij luisterde niet eens, zoals planten niet luisteren. Aandachtige planten bestaan niet. Ik ben zelf een plant bij een gordijn.

Ik weet niet eens zeker of ik het wel gezegd heb. Over een dag of vijf lach ik erom. Schaamte is de onlust van het vergeten. God, heb ik dat ergens gelezen? Wie stonden er bij? Daphne in ieder geval, dat is één, Vincent, dat is twee, Merel en een andere vrouw, met haren zo wit als sneeuw, ze zei niks, hoe heette ze? Het beste is voortaan niks te zeggen, nooit meer iets te zeggen. Wat dan ook.

Binnenkomen en weg willen gaan. Ik moet snel weg hoor. Ik kan niet lang blijven. Mijn moeder is ziek, ik moet gauw weg. Bij de ingang vragen waar de uitgang is, maar dan maak je je helemaal belachelijk. Richard stond er later ook bij. Hij moet het gevoeld hebben: ze heeft weer eens iets gezegd. Ik fluisterde het alleen maar: je hebt iets van een mooie plant. Daarna nog iets, iets onverdraaglijks, hij keek naar me en glimlachte. Jammerlijk en onverdraaglijk. Had hij het gehoord? Of is hij gelukzalig doof, hij glimlachte als iemand die iets niet verstaan heeft. Hij was er met zijn kop niet bij. De plant was aan hem voorbijgegaan. Een fluistering was het te midden van het feestgewoel, een glimp van weten. Waar heb ik deze zinnen gelezen? Gingen we samen woordloos staan roken? Ben ik de enige die zich schaamde? Schaamde hij zich plaatsvervangend? Zag hij me zoals ik ben of zoals ik wil zijn?

Ik wilde iets anders zeggen: je hebt iets van een mooie man. Niet dat van die plant, dat wilde mijn stem zeggen, ik niet. Niet, je bént een mooie man, maar je hebt iets van een mooie man. Dat wilde ik zeggen. Ik verwarde man met plant, ik was die plant, duidelijker kon niet, ik voelde me een plant die in een hoekje stond te kwijnen. Ik was een vergeefse plant. Een dorstige plant. Zo zit het. Ik was een plant en hij was een mooie, stille man. Ik ben vergeefs en jij ook. Maar zulke dingen zeg je niet.

Kom je me straks niet vergeten? Het schoot eruit als een steekvlam, hij moet het gehoord hebben, ook al zei ik het nog zo zacht, het moet. Kom je me straks niet vergeten? Ik word er stil van. Aanbod van een vergeefse vrouw, plant tussen de andere planten. Wil je me straks in een andere bak zetten? Wil je me ontpotten? Wil je me water geven? Je hebt iets van een mooie plant, fluisterde ik, kom je me straks niet vergeten? Dat was alles. Ik had me net zo goed voor hem uit kunnen kleden. Kom je me straks niet vergeten? Ik laat je de rest van mijn leven omroepen. De man die me straks niet kan vergeten is nodig bij de uitgang. Hij zei het nog een keer: wil je iets drinken?

Kees ’t Hart (1944) is schrijver, dichter en essayist. Onlangs verscheen zijn dichtbundel Ik weet nu alles weer. Binnenkort verschijnt De keizer en de astroloog, roman over Wilhelm II in Doorn.