Niet iedereen wil nog met spoed debatteren

In de eerste week dat de Kamer na de zomer weer bij elkaar kwam, was er kritiek op de werkwijze. Van buiten, maar ook van binnen. „Laten wij onze tijd beter besteden”.

Van bovenaf kijkt mevrouw Hurkmans – stevig, blond, met een ruimvallende jurk – met een groep buurtgenoten uit Helmond naar de blauwe stoelen van de volksvertegenwoordigers. Ze komen een dagje langs om de Tweede Kamer, die deze week terug is van zomerreces, ‘live’ aan het werk te zien. Later zullen ze ‘hun’ Kamerlid Ruud van Heugten (CDA) bezoeken, maar eerst kijken ze naar een plenair spoeddebat. Om de beurt doen Renske Leijten (SP) en Fleur Agema (PVV) hun beklag over de toestand in de zorg. Ze vechten een wedstrijdje uit in het tonen van verontwaardiging.

SP en PVV konden het spoeddebat aanvragen door een regel uit 2003, die bepaalt dat de instemming van dertig Kamerleden daarvoor volstaat. Dat moest debatten actueler en levendiger maken.

Gezien de geestdrift waarmee Hurkmans en haar vrienden het debat volgen, werkt de regel goed. De Brabantse bezoekster heeft slechts één tip voor de Kamervoorzitter: geef het publiek de mogelijkheid om sprekers openlijk bij te staan of af te vallen vanaf het balkon. Ze wil ‘yeah’ en ‘boe’ roepen. Verder heeft ze geen klachten – het taalgebruik is helder en de zaak, de tekortschietende zorg in verpleeghuizen in het weekeinde, lijkt haar urgent genoeg.

Hurkmans kwam langs in een week waarin de Tweede Kamer onder vuur lag. En wel van zichzelf. Vanuit het parlement kwam er kritiek op de eigen werkwijze, over de hausse aan spoeddebatten, over het taalgebruik en over het gebrek aan urgentie van onderwerpen.

Zelfs de minister-president toonde deze week zijn onvrede. In het spoeddebat over de steun van minister Cramer (Milieu, PvdA), twintig jaar geleden, aan de openbaarmaking van onrechtmatig verkregen publicaties, richtte hij zich aan het slot tot de Kamervoorzitter. De premier zou binnenkort eens langskomen om te praten over het spoedeisende karakter van bijeenkomsten als deze. Een curieuze opmerking, vindt Kamervoorzitter Gerdi Verbeet (PvdA). „De Kamer bepaalt zelf de gang van zaken”. De premier heeft nog niets van zich laten horen.

De kritiek gold het debat-Cramer, maar was ook te horen in het eerder genoemde debat over de zorg. Behalve de aanvragers SP en PVV maakte geen van de partijen gebruik van het spreekrecht. Uit protest. Volgens Kamerlid Agnes Wolbert (PvdA) is het ook strategie. „Ik gun de aanvragers niet de extra minuten die ze in mijn spreektijd met hun interrupties zeker hadden genomen.” Jan de Vries (CDA) heeft het zelfs over „goedkoop populisme.”

In het debat over minister Cramer werd VVD-woordvoerder Helma Neppérus stevig onder vuur genomen vanwege het spijkers op laag water zoeken. Wat zonde nou voor deze nette partij, sneerde Kees Vendrik (GroenLinks). „Laten wij onze tijd beter besteden, mevrouw Neppérus.”

Ook oud-Kamervoorzitter Frans Weisglas (VVD) vond de kwestie rond Cramer geen spoeddebat waard. Toch staat hij nog steeds achter de zogeheten dertigledenregel, waarvan hij de initiator was. „Ik ben schuldig”, lacht hij. Maar het probleem, aldus Weisglas, zit niet in de regel zelf. „Het is de partijcultuur. De omloopsnelheid van Kamerleden is zo hoog, dat de druk enorm is om je snel te profileren. Daarom is het ook niet te verwachten dat de zelfdiscipline van Kamerleden spoedig terugkeert.”

De Kamer heeft de afgelopen jaren wel over de eigen werkwijze gesproken. Bijvoorbeeld in het voorjaar van 2007, toen een commissie de regel om sneller een spoeddebat te kunnen houden evalueerde. Ze besloot het instrument niet af te schaffen.

Hoogleraar parlementaire geschiedenis Carla van Baalen, die als deskundige bij de evaluatie was betrokken, herinnert zich de teneur van het rapport. „Die was duidelijk: de regel werd misbruikt. Maar de belangrijke partijen durfden het uiteindelijk niet op hun geweten te hebben een minderheid van een recht te beroven.”

Parlementair historicus Carla Hoetink, ook verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen, meent dat „erosie” van de regel al was te verwachten bij invoering. „Maar ook dat de regel niet snel weer verdwijnt. In een tijd dat de Tweede Kamer als instituut onder vuur ligt, draai je niet zo snel een maatregel terug die is genomen om het debat levendigheid en de oppositie meer vuurkracht te geven.”

Toch denkt Hoetink dat de recente ontwikkelingen wel eens voor een verandering zouden kunnen zorgen. „Als partijen nadrukkelijk weigeren het woord te nemen in een spoeddebat, is dat natuurlijk een niet mis te verstaan politiek statement.”

Voor mevrouw Hurkmans uit Helmond is het niet nodig om het aantal spoeddebatten te verminderen. Zij weet wel wie het debat over de zorgwekkende staat van de weekendzorg die middag in de Kamer heeft gewonnen: de twee fracties die om het debat hadden gevraagd. Ze stemt trouw CDA, maar als ze vanaf de tribune had mogen meejoelen, waren Renske Leijten en Fleur Agema deze middag gesterkt door haar instemmende ‘yeahs’. Hurkmans: „Want het is toch ook verschrikkelijk wat er in de zorg gebeurt?”