Met de duivel op je hielen

Een schizofreen vermoordt zijn moeder. Dankzij tbs leidt hij nu een normaal leven. ‘Hier leerde hij de noodzakelijke discipline om zich staande te houden.’

Precies twintig jaar geleden doodde mijn beste vriend Vincent P. zijn moeder. Dat gebeurde in hun bovenwoning aan een chique straat in Amsterdam-Zuid. Hij stak haar met een broodmes en wurgde haar, waarna hij de straat op ging en rondzwierf door de stad. Na een nacht te hebben rondgedoold, keerde hij terug naar de plaats delict en gaf zich telefonisch aan bij de politie.

Toen ik Vincent ’s middags belde, kreeg ik een rechercheur aan de lijn. Hij verzocht mij naar het politiebureau te komen, want hij wilde niet over de telefoon vertellen wat er was gebeurd. Het idee langer in spanning te moeten wachten was voor mij geen optie, wat ik de rechercheur in een paar woorden wist duidelijk te maken. Ik had op dat moment alle reden het ergste te vrezen. Vincent verkeerde de laatste weken in totale ontreddering en was op het suïcidale af. Ik was dan ook vooral bang voor zelfmoord.

Maar het bericht bleek schokkender. Ik belde om te informeren naar de elektrische gitaar, die ik bij hem had laten staan. De rechercheur zei: „Die zit onder het bloed van het slachtoffer.’’ Eerst dacht ik dat Vincent zijn moeder met mijn gitaar had gedood, totdat ik hoorde dat Vincents moeder in haar val op de gitaar was terechtgekomen.

Later op de dag ging ik langs het politiebureau aan de Lijnbaansgracht. In de grote, algemene ruimte kwam toevallig Vincent voorbij, begeleid door twee agenten. Hij wilde naar me toe komen, maar de agenten hielden hem tegen en duwde hem snel een kamertje in. Daar verdween mijn vriend achter slot en grendel en ik had geen idee wanneer ik hem weer zou zien.

Eén ding was mij duidelijk: Vincent zou deze tragedie niet meer te boven komen. Ik zag hem al de rest van zijn leven in gesloten inrichtingen zitten, versuft door de medicijnen, telkens weer wegzinkend in psychoses. Ik achtte ook de kans op zelfmoord niet uitgesloten.

Inderdaad deed hij kort daarop een zelfmoordpoging. Hij zat op dat moment gevangen in de Penitentiaire Inrichting Over Amstel, beter bekend als de Bijlmerbajes, in de toren die de Schans wordt genoemd. Via zijn advocaat hoorde ik dat hij met een bot tafelmes en plastic scheermesjes had geprobeerd zijn slagaderen door te snijden. Niet lang daarna viel hij een vrouwelijke bewaakster aan. Hij belandde in een isoleercel. Van daaruit werd hij binnen de gevangenis overgeplaatst naar de FOBA, de Forensische Observatie- en Begeleidingsafdeling.

Dieper en zwarter kon de afgrond niet zijn en hij leek mij op dat moment geheel afgeschreven. Vincent was twintig jaar oud – een jaar jonger dan ik. Ik had hem zes jaar eerder leren kennen toen hij met zijn Amerikaanse moeder Wendy en zieke Nederlandse stiefvader vanuit Detroit naar Amsterdam verhuisde. Vincent sprak openhartig over zijn gevoelens en nam me al snel in vertrouwen. We hielden van dezelfde muziek en speelden samen elektrische gitaar. Vincent wilde popmuzikant worden en te oordelen naar alle liedjes die hij al had geschreven, was hij daar in mijn ogen zeker toe voorbestemd. Ik was van hem onder de indruk, omdat hij hasj rookte en vriendinnetjes had en over een onafhankelijkheid beschikte waar ik nog slechts van droomde. Behalve intelligent en creatief was hij labiel en achterdochtig: hij dacht dat iedereen spelletjes met hem speelde.

Zijn stiefvader overleed. Terwijl zijn moeder hier bleef, verhuisde Vincent terug naar de Verenigde Staten, waar zijn vader en twee oudere zussen woonden. De vakanties bracht hij bij zijn moeder in Nederland door. Tijdens zijn laatste bezoek was zij echter in de Verenigde Staten waar zij ook een huis had. Vincent was uiterst gespannen. Met mij voerde hij de gebruikelijke lange, persoonlijke gesprekken, maar zodra we in groter gezelschap verkeerden, had hij het gevoel dat iedereen tegen hem samenspande. Een keer stortte hij midden in de nacht in en kwam met een verhaal dat hij als kind seksueel zou zijn misbruikt. De volgende dag was hij opeens verdwenen. Zijn zus belde vanuit Amerika, bang dat hij in het IJ zou springen op zijn favoriete plek ergens aan de Oostelijke Handelskade. Op haar verzoek zocht ik hem tevergeefs een avond lang met de taxi. Toen hij weer opdook, smeekten zijn moeder en zus me dag en nacht bij hem te blijven. Ik trok bij hem in en probeerde niet meer van zijn zijde te wijken. Maar Vincent sloot zich op in het zolderkamertje of ontvluchtte het huis en bleef urenlang weg.

’s Nachts sliep ik in een bijkamertje naast de grote woonkamer. Eén nacht bracht hij buitenshuis door. Een andere nacht stond hij opeens naast mijn bed met een keukenmes. Toen ik zei dat hij weg moest gaan met het mes, deed hij dat.

Ik had met zijn moeder afgesproken dat ik hem zou vergezellen in het vliegtuig naar Detroit. Dat zich deze reis naar Amerika aandiende, maakte het voor mij de moeite waard.

Maar op de ochtend van ons vertrek weigerde Vincent te gaan. Hij zat op de bank en zweeg. Ik belde weer met zijn moeder. Ditmaal besloot ze naar Nederland te komen. Nog een kleine twee dagen zat ik met Vincent opgescheept. Ik was opgelucht toen Wendy gearriveerd was. Dat was op een vrijdag. Zondag belde ik op en kreeg de rechercheur aan de lijn.

Ik was zelf ook maar een warhoofdige student en had niet half door hoe psychotisch Vincent was. Hij werd gekweld door wanen en hallucinaties en was elk contact met de werkelijkheid kwijt. Vincent heeft me later proberen te beschrijven wat hij in zijn psychose had beleefd. Het ene moment dacht hij dat hij Hitler was die moest boeten voor de moord op zes miljoen Joden. Het andere moment was hij een Jood wiens hersenen door twee nazi’s naar Argentinië waren gesmokkeld. Tegelijk zat de duivel hem in verschillende gedaanten op de hielen. Ook ik was door de duivel gezonden om hem te kwellen.

Een psycholoog, die betrokken was bij het gerechtelijk onderzoek, kwam met een theorie: psychoten richten zich over het algemeen tegen hun moeder, omdat de moeder nou eenmaal de bron van leven en daarmee ook de bron van alle doorstane ellende symboliseert. Dat accepteerde ik maar als bruikbare verklaring.

De rechter verklaarde Vincent ontoerekeningsvatbaar. Hij kreeg twee jaar tbs met een jaar dwangverpleging ofwel KZ, krankzinnigheidsverklaring. Na deze termijn zou elk jaar opnieuw bekeken worden of zijn tbs verlengd moest worden.

Bij elkaar heeft Vincent zes jaar vastgezeten. Na negen maanden gevangenis kwam hij terecht op de D-kliniek van psychiatrisch centrum De Grote Beek in Eindhoven, de gesloten afdeling voor tbs’ers met achtervolgingswanen. Het ziektebeeld van Vincent was schizofrenie. Dat stelde een arts in de gevangenis vast, een diagnose die herhaaldelijk door latere psychiaters in meer of mindere mate is gehandhaafd. Schizofrenen hebben veel moeite sociaal normaal te functioneren. Doorgaans slagen ze er niet in een baan langere tijd te behouden, omdat ze uiterst gevoelig zijn voor stress – en te veel stress kan weer leiden tot een psychose. Maar Vincent is een atypisch geval. Zolang ik hem ken, streeft hij naarstig naar een bepaalde orde in zijn leven. In zijn jeugd trok hij twee uur per dag uit om gitaaroefeningen te doen en ik herinner me dat hij voor Frans op school consciëntieus vijf woorden per dag uit het woordenboek leerde, beginnend bij de a. In de inrichting zorgden de omstandigheden er voor dat hij zichzelf een grote mate van discipline bijbracht. Dit was de enige manier om het monotone leven in een tbs-kliniek vol te houden.

Als ik hem opzocht, ving ik een glimp op van de wanhopig makende monotonie. Afgezien van alle vormen van therapie (creatieve therapie, muziektherapie, bewegingstherapie) leken de dagen er uit niets anders te bestaan dan roken, niets doen, televisie kijken en pingpongen. Patiënten slenterden rond en wisselden dreigende blikken uit of tikten onophoudelijk op een tafel of op de rand van een stoel. Te midden van de lusteloosheid en verveling was Vincent een toonbeeld van ijver. Hij had zich allerlei taken toebedeeld, van het schoonhouden van de kamer tot het zorgen voor de kippen in de tuin van de kliniek. Al in de gevangenis was hij vegetariër geworden – hij wilde niet verder verantwoordelijk zijn voor de dood van levende wezens – en was hij begonnen aan een schriftelijke cursus Spaans. Nu stopte hij met roken, sportte een paar keer per week in de gymzaal, mediteerde, volgde bij de Open Universiteit een schriftelijke studie rechten en schreef liedjes op zijn gitaar.

Vincent vermoedt dat zijn Amerikaanse achtergrond met zijn actieve houding te maken heeft. Zijn Nederlandse medepatiënten schikten zich in hun lot en gaven zich over aan de verveling in de inrichting. In Amerika wordt je van jongs af aan bijgebracht dat je elke situatie moet gebruiken om iets te ondernemen. Dat neemt niet weg dat de omstandigheden in een Nederlandse forensische kliniek beter zijn dan in een Amerikaanse, op het gebied van woonruimte, hygiëne, opleidingsniveau van het personeel, budget per patiënt, etcetera. Volgens Vincent zou hij het nooit hebben gered in een kliniek in de Verenigde Staten.

De medicijnen hielpen hem ook. Hij kreeg antipsychotica, waardoor hij zich beter voelde dan ooit tevoren, alleen al doordat hij er helder van ging denken. De vrijheidsbeperkingen drukten op hem. Hij leed aan angstaanvallen en klaagde over alle spelletjes en manipulaties van medepatiënten, verplegers en psychiaters, waar hij in zijn beleving telkens weer slachtoffer van was. Maar nooit liet hij de negatieve aspecten de overhand krijgen, hoezeer hij daartoe, net als alle andere patiënten, ongetwijfeld geneigd was: hij was zich volledig bewust wat de desastreuze gevolgen daarvan zouden zijn.

Aan het eind van zijn verblijf in de inrichting besloot de Vreemdelingendienst hem wegens zijn Amerikaanse nationaliteit ongewenst vreemdeling te verklaren, wat betekende dat hij na zijn vrijlating het land zou worden uitgezet. Juridisch gesproken was er sprake van een paradox: zijn tbs zou worden opgeheven als hij geen gevaar meer vormde voor de maatschappij, maar hij zou het land worden uitgezet omdat hij een gevaar vormde. Vincents advocaat vocht de ongewenst-vreemdelingenstatus aan, maar na een lange en ingewikkelde juridisch procedure besloot de Raad van State in te stemmen met de uitwijzing.

Dit was uiterst zorgelijk. In de Verenigde Staten had Vincent niets of niemand om op terug te vallen, terwijl er in Nederland allerlei opvangmogelijkheden waren en hij er beschikte over een netwerk van vrienden. Er bestond de angst dat hij in de VS weer vast zou worden gezet. Zijn eigen vader wilde dat hij permanent opgesloten zou worden en probeerde te voorkomen dat hij zich als vrij man in zijn buurt zou vestigen. En als hij niet werd vastgezet, zou hij dan op eigen benen kunnen staan? Zou hij bestand zijn tegen het veel hardere Amerikaanse leven?

Inderdaad werd hij meteen na aankomst in de VS in de handboeien geslagen en ter observatie naar een gesloten inrichting gebracht. Maar hij kwam daar na een week weer uit en is kort daarop naar New York verhuisd. Inmiddels is hij veertien jaar vrij. Na een studie aan een Amerikaanse topuniversiteit is hij gaan werken in de juridische sector, zorgt voor regelmaat en haalt voldoening uit zijn vrijwilligerswerk voor een mensenrechtenorganisatie. Zijn uitwijzing pakte al met al goed uit, misschien juist wel doordat hij helemaal op zichzelf werd teruggeworpen.

Voor Vincent bleek de tbs-kliniek een harde leerschool waar hij de noodzakelijke discipline heeft gekregen om zich in de samenleving staande te kunnen houden. De omgang met zijn medepatiënten – vanzelfsprekend niet de makkelijkste types – heeft hem sociaal weerbaar gemaakt.

Wat ik niet voor mogelijk had gehouden, is gebeurd: Vincent leidt een normaal leven. Met bewonderenswaardige kracht heeft hij zich door de grootst denkbare misère heen geslagen. Hij had het vermogen te bepalen wat goed voor hem was, wat niet veel tbs’ers is gegeven. Vincent acht zichzelf niet schuldig aan moord, zoals ook de rechter heeft geoordeeld. Maar hij draagt, zoals hij zelf zegt, de verantwoordelijkheid niet meer in een toestand te raken waarin hij nogmaals tot zoiets in staat is.

Hij heeft een allesoverheersende drang zijn verhaal te vertellen. In psychiatrisch centrum De Grote Beek was hij al begonnen met het schrijven van een boek over zijn delict en de gevolgen. Hij is nu tientallen versies verder. Hij blijft maar schrappen en opnieuw beginnen. Het maakt hem niet uit hoeveel tijd het hem gaat kosten. Het is voor hem van essentieel belang het onmogelijke uit te leggen aan de wereld: waarom heeft hij het gedaan? Want bovenal blijft zijn grootste verdriet: de tragische dood van zijn moeder.