Meloenmysterie

Weer bleef de amateuronderzoeker zitten met half begrepen amateuronderzoek. Het begon met de aanschaf van een rijpe netmeloen die feestelijk werd aangesneden en jammerlijk vergeten. Hij lag onder een open keukenraam en was al gauw een ware ontmoetingsplek voor fruitvliegjes: roodogige tweevleugelige insectjes die ook wel bananenvliegjes worden genoemd. Na een dag of drie trippelden er honderden vliegjes heen en weer over het zachte vruchtvlees. Dat begon al snel te schimmelen en te gisten en borrelend vocht te verliezen.

Daarna braken een paar warme nachten aan. Het huis waarin de meloen op de aanrecht lag werd van voor tot achter opengezet: aan de keukenkant, waar het uitkijkt over propvolle tuintjes, en aan de achterkant waar men vanuit de slaapkamer neerziet op geparkeerde auto’s en zieke kastanjes. Het huis is opgenomen in een gesloten ring van vrijwel identieke woningen, zoals in Amsterdam eerder regel dan uitzondering is.

Er ging geen nacht voorbij zonder dat men in die slaapkamer onwel werd van de geur van de gistende netmeloen die toch vele meters verderop lag te borrelen. In de keuken zelf werd op normale neushoogte niets bijzonders waargenomen maar kennelijk trok een dun geurspoor op lager niveau van de keuken door de gang naar de slaapkamer en zo verder naar de straat met zijn kwijnende kastanjes.

Had die vieze meloen weggegooid, griezelt de lezer. Maar dat was een teleurstelling geweest voor de vliegjes en bovendien sluimerde er een voornemen om de dieren voor een of ander Interessant Experiment (IE) te gebruiken. Dat experiment wilde maar niet te binnen schieten en daarom moest de meloen nog even blijven liggen.

Na drie of vier warme nachten drong door dat er in afwachting van het IE bijna spelenderwijs in ieder geval een Interessante Waarneming was gedaan. Het kon toch eigenlijk geen toeval zijn dat het altijd in de slaapkamer naar de keuken rook. Nooit rook het in de keuken naar de slaapkamer! Altijd trok de lucht vanuit de tuintjes door het huis naar de kastanjes. Het was geen luchtbeweging die met de rook van een sigaar viel zichtbaar te maken, maar hij was er wel. Altijd. Sterker nog: in andere woningen die zijn opgenomen in zo’n gesloten woningring valt vaak dezelfde luchtbeweging van centrum naar periferie waar te nemen.

’t Is dus misschien wel een wetmatigheid en de vraag is daarom: wat zou de verklaring zijn. Zekerheid daarover is er nog niet, maar niet onaannemelijk is dat het een soort Bernoulli-effect is. Buiten de woningring waait het bijna altijd harder dan daarbinnen. De wind strijkt langs de gevels van de huizen en wekt daarmee, conform Bernoulli, een licht drukverschil op met de achterkant van de woningen waar de lucht stil staat. Van de weeromstuit komt een vereffenende luchtbeweging door het huis op gang. Het is fysisch gezien niets bijzonders, de vraag is alleen nog of het waar is.

Maar snel werd een ondersteunende waarneming gevonden. Als op hete dagen alle bewoners van de woningring hun huizen openzetten (en dat doen ze) dan trekt er als het niet volkomen windstil is (en dat is het nooit) een meetbare hoeveelheid lucht vanuit het centrum van de ring dwars door de huizen naar de straten. Die lucht moet natuurlijk van boven worden aangevuld. Zo wordt opeens begrijpelijk dat aan de binnenkant van de woningring nooit die temperatuurmaxima worden gemeten die aan de buitenkant en in het vrije veld worden waargenomen.

Van AW-wege is begin jaren zeventig op een blijvend beschaduwde plek binnen de ring een maximum-minimum-thermometer opgehangen die tot op heden nooit boven de 32 graden Celsius is gestegen. Het KNMI zelf noteerde in De Bilt al een waarde van bijna 36 (in 2006). Het woningringsysteem is ’s zomers een pomp die koele lucht aanvoert.

Enfin, er is misschien nog wat aanvullend onderzoek nodig. Just for fun is deze week onderzocht of de kennelijk permanent aanwezige luchtstroom de fruitvliegjes hindert bij hun speurtocht naar overrijp fruit. De oude meloen, die nog steeds voorhanden was, werd weer binnengehaald en kreeg een vorstelijke plaats in het midden van de keuken waarvan het raam naar de tuintjes nog steeds open stond. Binnen een dag was hij weer het centrum van fruitvliegvreugd. Kort daarop is hij in vier losse stukken gesneden die op vier verschillende plaatsen ver uit elkaar in de keuken werden uitgestald. De vraag was: zou het benedenwindse fruit snel gevonden worden? Hoe weet een fruitvlieg dat hem aan lijzijde rijp fruit wacht?

Het heeft niet veel duidelijks opgeleverd. Na een paar uur zat op elk stuk meloen een nagenoeg even grote zwerm fruitvliegjes, de luchtbeweging had ze niet gehinderd. Achteraf bezien lag dat ook niet voor de hand want hoe hadden de vliegen in de tuintjes de meloen anders zo snel kunnen vinden? Dat is het onbegrepen deel van het AW-werk van deze week.

Toch is in die paar warme dagen van vorig weekend nog een waarneming gedaan die wel voldoening gaf. Zó warm werd het in korte tijd dat de oude ijskast alle zeilen moest bijzetten om zijn binnenste koud te houden. Het is nog een echte Philips-reus uit de jaren zestig die zich behelpt met cfk’s en veel minder isolatie dan tegenwoordig gangbaar is. Hij spot op zijn gemak met alle milieu- en energiebesparing.

Opeens was daar de vraag: zouden oude slecht geïsoleerde ijskasten misschien ook meetbaar kouder zijn aan hun buitenkant dan moderne? Als hun hoge energieverbruik vooral te wijten is aan de slechte isolatie (en niet aan een koelkringloop met een slecht rendement) dan moet dat het geval zijn. Dan kan men de verkeerde kasten zó op de tast aanwijzen.

De Philips-kast voelde koud genoeg aan, maar dat was geen bewijs. Alle metalen voelen koud aan, er moest gemeten worden. Hoe meet je de temperatuur van een glad oppervlak? Er lag nog een velletje cholesterische vloeibare kristallen in de la, maar dat had een te hoog omslagpunt. Gelukkig werd een elektronische thermometer teruggevonden waarvan de sensor vroeger maximaal was geminimaliseerd. De ijskastbuitenkant was zeker anderhalve graad kouder dan de omgeving.