Mechanische bonbon

Mini Cooper Morris Minor
Mini Cooper Morris Minor

Tegen de achtergrond van de Suez-crisis van 1956, die in West-Europa een tekort aan olie veroorzaakte, gaf de directie van de British Motor Corporation opdracht een klein, zuinig autootje te ontwerpen dat toch ruim genoeg zou zijn voor een klein gezin.

In oktober 1957 leverde ontwerper Alec Issigonis, die ook verantwoordelijk was voor de Morris Minor, een eerste prototype af van wat later de Mini zou worden, de meest succesvolle Engelse auto ooit. De Mini was zowel van binnen als van buiten spartaans uitgevoerd, woog iets meer dan 600 kilo en was een fractie langer dan drie meter. Er konden vier mensen in zitten, mits de achterpassagiers niet al te groot waren.

De Mini werd voorzien van uiterst compacte, rubberen veerelementen en opmerkelijk kleine wieltjes, die in de uiterste hoeken van de carrosserie waren geplaatst. Revolutionair was dat de viercilinder motor dwars voorin was geplaatst om ruimte te besparen. Dat gaf aanvankelijk wel wat technische problemen, maar die bleken oplosbaar. Sedert de Mini hebben vrijwel alle kleine auto’s dwarsgeplaatste motoren.

Van 1959 tot 2000 werden er 5.387.862 Mini’s geproduceerd in talloze varianten, waaronder een sportieve versie, ontwikkeld door John Cooper, een succesvolle constructeur van raceauto’s. Ondanks het succes van de Mini is de British Motor Corporation op een zeldzaam ingewikkelde manier ter ziele gegaan, waardoor de rechten op de Mini ten slotte in handen raakten van BMW.

In 2001 begon BMW met de productie van een nieuwe Mini. Ondanks de geslaagde uiterlijke verwijzing naar de charmes van de Mini, had deze nieuwe Mini niets met de oude te maken. De nieuwe Mini is een prijzige, kleine BMW, met een modieus interieur, die aanzienlijk groter is dan en bijna tweemaal zo zwaar is als zijn voorganger. Waar de oorspronkelijke Mini een volstrekt utilitaire auto was, is de nieuwe meer een mechanische bonbon op wielen. Het succes van de nieuwe Mini is er bepaald niet minder om.

Sedert ruim een jaar is er een Mini Cooper met een dieselmotor, waarmee ik een weekje heb rondgereden. Deze Mini-variant is in de allereerste plaats ongelofelijk zuinig. Verbruik en CO2-uitstoot liggen op hetzelfde niveau, of zelfs lager, dan die van de Toyota Prius. De Mini gebruikt zijn brandstof zeer efficiënt: de motor wordt waar mogelijk automatisch uitgezet en de remenergie wordt hergebruikt. De Cooper Diesel is vrij kwiek en zeker niet luidruchtig bij 120 kilometer per uur.

Wie gevoelig is voor glimmende poppenkast zal ongetwijfeld zeer te spreken zijn over het interieur. Zo heeft de Mini als retroverwijzing naar de Mini van weleer een absurd grote snelheidsmeter in het midden van het dashboard, die volkomen overbodig is, omdat de snelheid ook digitaal kan worden afgelezen in een venstertje in de min of meer normaal uitgevoerde toerenteller. Ik zou, indien mogelijk, altijd kiezen voor het Spartaanse interieur van de oorspronkelijke Mini.

Waarom de dieselvariant het Cooper-etiket draagt, is mij duister. Er is niets mis met de Cooper Diesel, maar sportief is hij bepaald niet. De dieselmotor houdt het graag een beetje rustig, boven de 4.000 toeren gelooft hij het wel. Waarom niet gewoon Mini Diesel?