Liever geen gebrek

Steeds meer kinderen met een handicap gaan naar een speciale school. In het regulier onderwijs is er voor hen vaak geen plaats. „In feite stop je mensen weg.”

Rachelle en klasgenoten tijdens de weeksluiting op Jenaplanschool De Verrekijker in Den Helder ==== Nederland, Den Helder, 13-06-2008Rachelle tussen haar klasgenootjes tijdens de weeksluiting op Jenaplanschool De Verrekijker. Rachelle heeft het Downsyndroom en gaat naar een reguliere basisschool. Uit haar PGB wordt een begeleider betaald om haar een aantal uren per week in de klas te helpen.Foto: Joyce van Belkom
Rachelle en klasgenoten tijdens de weeksluiting op Jenaplanschool De Verrekijker in Den Helder ==== Nederland, Den Helder, 13-06-2008Rachelle tussen haar klasgenootjes tijdens de weeksluiting op Jenaplanschool De Verrekijker. Rachelle heeft het Downsyndroom en gaat naar een reguliere basisschool. Uit haar PGB wordt een begeleider betaald om haar een aantal uren per week in de klas te helpen.Foto: Joyce van Belkom Belkom, Joyce van

Als we het hebben over segregatie in het onderwijs, gaat het over zwarte en witte scholen. Maar er voltrekt zich binnen het Nederlandse schoolsysteem nog een tweedeling: die tussen normale, gezonde kinderen en kinderen die niet tot die categorie behoren. Ze leren moeilijk, hebben een lichamelijke of verstandelijke handicap of ze vertonen onaangepast gedrag. Anders dan in veel andere landen gaan deze kinderen in Nederland niet naar het gewone onderwijs, maar naar speciale scholen. Steeds massaler. Op het speciaal basisonderwijs (SBO) – de voormalige lom-scholen en scholen voor moeilijk lerende kinderen – daalt het aantal leerlingen weliswaar sinds enige jaren. Maar in het speciaal onderwijs (SO) – scholen voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke handicap en scholen voor kinderen met gedragsstoornissen – stijgen de leerlingenaantallen nog altijd fors.

Het CBS meldde onlangs dat het speciaal onderwijs (inclusief het voortgezet speciaal onderwijs) het afgelopen schooljaar 65.000 leerlingen telde, bijna een verdubbeling ten opzichte van het schooljaar 1995-1996. In het voortgezet onderwijs was het leerlingenaantal bijna tweeënhalf keer zo groot als in 1995-1996. Uit onderzoek blijkt dat kinderen niet meer problemen hebben dan vroeger, maar dat het speciaal onderwijs groeit door externe factoren, zoals de toegenomen aandacht voor gedragsproblemen en gewijzigde bekostigingssystemen.

Formeel kunnen ouders van ‘zorgleerlingen’ kiezen of ze hun kind naar een speciale school sturen, of naar een gewone school. In dat laatste geval kan het kind een ‘rugzakje’ krijgen, geld dat besteed wordt aan de begeleiding van leerkrachten door experts uit het speciaal onderwijs. Maar in de praktijk hebben ouders lang niet altijd een keuze. Neem Michiel en Florence Kraak. Hun twaalfjarige dochter Aimée is anders dan de meeste kinderen. Ze kan prachtig zingen, speelt piano, schrijft fantasievolle verhalen in een keurig handschrift en met weinig spelfouten. Maar rekenen is een probleem. Daarbij heeft Aimée, zoals dat heet, een stoornis in het autistisch spectrum. Daardoor verloopt de communicatie met haar soms moeizaam. Ook heeft ze last van angsten en dwanggedachten en concentreert ze zich slecht. Juist omdat ze zo anders is, hadden Aimées ouders haar dolgraag op een reguliere basisschool willen hebben, zodat ze kon leren van, zoals Florence Kraak zegt „sociaal normale kinderen”. Dat is niet gelukt.

Michiel Kraak: „Toen Aimée drie was hebben we haar aangemeld bij de school tegenover ons huis. Een protestants-christelijke basisschool van vrij strenge snit, die open zou staan voor de zwakkeren in de samenleving, zo hoopten wij. Dat viel enorm tegen. Het gesprek met de directeur verliep prettig, tot het A-woord viel. Daar werd hij erg zenuwachtig van, hij wist niet of ze dat wel aan konden, een kind met autisme, hij vreesde dat dit een te grote verstoring van de groep zou zijn. Dus Aimée moest eerst maar eens een paar keer op proef komen, zodat ze haar konden observeren. Een ‘toelatingsexamen’ noemde ik dat, voor een kind van drie. Het werd één groot drama. Aimée stond door haar stoornis buiten de groep, en de juf kon daar niet mee omgaan. Dat was een heel aardig mens, ze was van goede wil, maar ze kreeg geen enkele steun van de directeur. Die zat vol met ambitie, wilde de school opstuwen in de vaart der volkeren en daar kun je geen kneuzen bij gebruiken. Zo zag ik dat.”

Op een andere school in de buurt, een school ‘voor algemeen bijzonder onderwijs’ werd Aimée met open armen ontvangen, vertelt Kraak. „Er waren allerlei faciliteiten, zoals een stilteplek waar ze zich zou kunnen terugtrekken als ze daar behoefte aan had. Toch is het daar ook jammerlijk mislukt. Aimée werd veel geplaagd, en na twee jaar werd ze vlak voor de zomervakantie buiten de deur gezet. Niet omdat ze gedragsproblemen vertoonde, maar omdat er personeelstekort was en de school het niet meer aankon.” Florence Kraak: „Nu, na zes jaar, weet ze alle namen van haar klasgenootjes nog. Het ergste vind ik dat dingen voor Aimée altijd voortijdig eindigen. Nog nooit heeft ze op een natuurlijke manier afscheid kunnen nemen.”

Het verhaal van Aimée Kraak doet denken aan dat van de nu zeventienjarige Thiandi Grooff. Door een aangeboren hersenbeschadiging kan ze niet praten, niet gebaren en geen oogcontact maken. Ze werd lange tijd voor autistisch en zwaar verstandelijk gehandicapt gehouden, met een IQ van onder de 30. Toch wilden haar ouders, Trix Grooff en José Smits, dat ze naar een reguliere basisschool in de wijk ging, ook omdat de kinderen uit de buurt haar dan konden leren kennen en haar niet zouden pesten. Ze voerden vele gesprekken met directeuren en leerkrachten, zetten pedagogen in die er net als zijzelf van overtuigd waren dat Thiandi gebaat was bij regulier onderwijs. Ten slotte kon ze enkele dagdelen per week terecht op een gewone school. Maar niet voor lang, want al gauw werd haar aanwezigheid toch bezwaarlijk gevonden. Zo ging het telkens opnieuw. Na weer eens te zijn weggestuurd, besloten Smits en Grooff naar Italië te verhuizen. Daar werd het speciaal onderwijs in 1977 afgeschaft en alle kinderen met een handicap gaan naar een gewone school. Grooff vond een vervanger voor haar huisartsenpraktijk en Smits, destijds Tweede Kamerlid voor de Partij van de Arbeid, vloog in de weekends heen en weer. Na een jaar gingen ze terug; in hun oude woonplaats Almere was een nieuwe lagere school gekomen, waar ook ernstig gehandicapte kinderen welkom waren. Thiandi kon er tot haar veertiende blijven. Toen begon de zoektocht naar een school voor voortgezet onderwijs. Geen middelbare school durfde het aan, van Middelburg tot Groningen bleven de deuren dicht. Thiandi, die inmiddels dankzij allerlei methoden en therapieën had leren lezen en schrijven en veel meer bleek te begrijpen dan iedereen altijd had gedacht, week uit naar Engeland. Daar haalde ze in twee jaar een diploma op vmbo-t-niveau. Inmiddels zit ze op een school in Nieuwegein, nu gaat ze naar 6 vwo. Haar ouders hebben de stichting Inclusief Onderwijs opgericht, een vereniging van ouders, leerkrachten en pedagogen die ‘inclusief onderwijs’ in Nederland wil bevorderen.

De Radboud Universiteit Nijmegen onderzocht vorig jaar de omvang van het speciaal onderwijs in Europa. Alleen in Tsjechië blijken meer leerlingen op een speciale school te zitten dan in Nederland. Spanje, Italië, Portugal, Engeland en de Scandinavische landen lopen op kop als het gaat om ‘inclusief onderwijs’, waarbij zorgleerlingen niet in aparte voorzieningen worden ondergebracht maar samen met ‘gewone’ kinderen in de klas zitten. Behalve in Nederland en Tsjechië is ook in Duitsland en België sprake van een sterke segregatie, die bovendien stijgende is. En dat terwijl de Unesco in 1994 het Verdrag van Salamanca aannam, waarin staat dat alle kinderen, ook zij met ‘speciale onderwijsbehoeften’, toegang moeten hebben tot reguliere scholen. Omdat de integratie van gehandicapten gediend is met inclusief onderwijs, zo stelt het verdrag.

Peter de Vries en Hessel de Boer werken als consultants bij onderwijsadviesbureau CPS. Ze geven voorlichting aan scholen over inclusief onderwijs. Hessel de Boer vertelt over Langdon, een school voor voortgezet onderwijs in de Londense wijk Eastham waar kinderen met alle mogelijke handicaps en beperkingen samen met gewone kinderen in de klas zitten. „Van de 1.900 leerlingen zijn er ruim 500 met een handicap. Rolstoelers, kinderen met Downsyndroom, kinderen met een autistische stoornis, noem maar op. Ruim driekwart van de leerlingen is ook nog eens allochtoon. Maar volgens de onderwijsinspectie liggen de prestaties van de school dik boven het gemiddelde. Zorgleerlingen stromen er vaker dan normaal door naar de universiteit, omdat ze niet op hun handicap worden afgerekend.”

„Het gaat uiteindelijk om de vraag: breng je het kind naar de zorg, of breng je de zorg naar het kind? Oftewel: wie zet je in het busje?” zegt Peter de Vries. „Financieel maakt het niets uit. Een leerling in het speciaal onderwijs kost in Nederland 17.000 euro per jaar, een leerling in het reguliere onderwijs 4.300 euro. Het verschil, bijna 13.000 per jaar, is voldoende voor extra ondersteuning. In Italië is er voor elk gehandicapt kind fulltime een assistent beschikbaar. Zelfs dat is goedkoper dan het in stand houden van aparte settings. Al beseffen we dat inclusie niet van vandaag op morgen is in te voeren in Nederland, scholen moeten het willen.”

„Leerkrachten zijn bang dat een gehandicapt kind in de klas ten koste gaat van de andere leerlingen”, vertelt De Boer. „Ze zeggen: ‘Ik heb al zoveel kinderen die extra aandacht vragen.’ Dat begrijp ik best. Maar als de voorzieningen in orde zijn – vooral: voldoende geschoold personeel – is die angst ongegrond. En het gaat ook nooit om grote aantallen. In Italië zitten in elke klas hoogstens twee gehandicapte kinderen.”

Aimée heeft, nadat ze ineens te veel was op de school waar ze zat, drie jaar thuisonderwijs gehad van een voormalige pabo-studente. Haar ouders gingen weer op zoek naar een school toen ze het contact met andere kinderen erg bleek te missen. Het werd een mytylschool, bedoeld voor kinderen met motorische problemen. Die heeft Aimée ook. Ze kan niet op een gewone fiets door het verkeer. Voorlopig de minst slechte oplossing volgens haar ouders, al vinden ze dat hun dochter cognitief en creatief niet voldoende wordt uitgedaagd. Michiel Kraak: „Het reguliere onderwijs kan moeilijk omgaan met alles wat afwijkt van het grijze gemiddelde. Maar het speciaal onderwijs is veel te veel gericht op het voorkomen van teleurstellingen. Vooral niet te veel eisen stellen aan de kinderen. Als ze maar een beetje een leuke tijd hebben, is het goed. De denkfout die ze maken, is dat de kinderen zo ook geen grote successen zullen scoren. Je wordt bijna uitgelachen als je het hebt over een maatschappelijke carrière voor een kind als Aimée. Terwijl wij denken dat ze wel degelijk meer kan dan kaarsen maken in de werkplaats van een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Door haar aanleg voor muziek, haar absolute gehoor, lijkt het ons niet ondenkbaar dat ze bijvoorbeeld pianostemmer kan worden. Of assistent in een geluidsstudio. Wij zien de mogelijkheden, anderen zien altijd de onmogelijkheden.”

Dat laatste herkennen de onderwijsconsulenten maar al te goed. „Je ziet die manier van denken weerspiegeld in de taal”, zegt Hessel de Boer. „We spreken over ‘zorgleerlingen’. Daarmee druk je uit dat het kind afwijkt van het gemiddelde en zorg nodig heeft omdat het een gebrek heeft. Terwijl je zou moeten zeggen: wat kan deze leerling? Wat is zijn of haar ontwikkelingsperspectief? Hoe moeten we dat aanpakken?” Peter de Vries: „Wij Nederlanders denken in hokjes. Het heeft Hessel en mijzelf ook tijd gekost om daarvan los te komen, om anders te leren kijken naar mensen.”

Het grijze gemiddelde, daar heeft Aaldert Goverts, directeur van basisschool de Verrekijker in Den Helder, helemaal niets mee. Op zijn school met 250 leerlingen zitten kinderen met het Downsyndroom, kinderen met een autistische stoornis, met ADHD en andere gedragsstoornissen tussen het doorsnee kroost. Kinderen met een lichamelijke handicap zijn er welkom. „Ik heb alles in huis”, zegt hij met een zekere trots. „Alleen geen rolstoelers. Zonde, want het gebouw is helemaal aangepast.” Gemiddeld heeft elke klas op de Verrekijker een of twee leerlingen met een ‘rugzakje’. Ze komen in aanmerking voor speciaal onderwijs, maar de ouders geven de voorkeur aan een gewone basisschool.

Aaldert Goverts: „Wij zijn een Jenaplanschool. Uitgangspunt van Jenaplan is omgaan met verschillen tussen mensen, omdat je daarvan kunt leren. Niet voor niets werken wij met stamgroepen: kinderen van verschillende leeftijden zitten bij elkaar. Een kind met een beperking in de klas is vanzelfsprekend. Eigenlijk is Jenaplan per definitie inclusief onderwijs. Hoe groter de verschillen, hoe beter je het doet als school.

Ik vind het dan ook erg jammer dat we geen allochtone leerlingen hebben. Niet alle Jenaplanscholen voeren die gedachte zo rigoureus door als wij, maar toch zullen ze minder snel leerlingen verwijzen naar het speciaal onderwijs.”

Om nog een andere reden is het waarschijnlijk niet toevallig dat juist een Jenaplanschool inclusief onderwijs biedt: in het Jenaplanonderwijs wordt maar beperkt klassikaal lesgegeven. Er wordt gewerkt met individuele leerroutes en er is veel instructie in kleine groepjes, wat het eenvoudiger maakt om ‘onderwijs op maat’ te geven. Scholen die de richting van inclusief onderwijs willen inslaan, zullen de ‘klassikale setting’ moeten opgeven, zegt Aaldert Goverts. „Je moet niet alles willen controleren als docent. Kinderen leren ook heel veel uit zichzelf.”

Waarom de inclusieve basisscholen in Nederland op een hand te tellen zijn? Goverts weet het niet. „Er is belangstelling genoeg. Ik word vaak gevraagd voor lezingen, en elk jaar krijg ik vijf tot tien keer bezoek van geïnteresseerde onderwijsmensen. De reactie is altijd: ‘Oké, het kan dus!’ Maar daar blijft het bij. Terwijl inclusief onderwijs zo goed is voor de integratie en de acceptatie van mensen met een beperking. Als je samen op school zit, accepteer je elkaar later in de maatschappij ook. We denken dat we het goed geregeld hebben met zijn allen, dat we kinderen met speciale behoeften de beste zorg geven, maar in feite stop je mensen weg.”

„Scholen zijn vaak bang dat de financiële middelen niet toereikend zijn, maar er is geld genoeg. Je moet er alleen creatief mee omgaan. Zo gebruiken wij, indien nodig en in overleg met de ouders, het persoonsgebonden budget van de leerling voor ‘extra handen in de klas’, of om iemand te kunnen inhuren die op afroep naar school komt om een luier te verschonen. Onlangs heb ik een Regionaal Expertise Centrum zo ver gekregen dat gelden die bedoeld zijn voor de begeleiding van leerkrachten rechtstreeks naar onze school gaan. Wij hebben die begeleiding niet meer nodig omdat ons hele team intussen al gespecialiseerd is. Het gaat om 20.000 euro per jaar. Daar kunnen wij weer een extra onderwijsassistent voor aannemen. Zo probeer ik te spelen met de budgetten. Nu werken bij ons drie special teachers – leerkrachten die gespecialiseerd zijn in kinderen met leerproblemen – en vier onderwijsassistenten. Een orthopedagoog kunnen we inschakelen via de Onderwijsbegeleidingsdienst. Als ik daarbuiten hulp nodig heb, vraag ik die gewoon. Soms bel ik een school voor speciaal basisonderwijs voor advies over een bepaalde leerling. Die scholen zijn sceptisch over hoe wij het hier doen, maar ze zijn wel hulpvaardig. Eén keer kwam er onverwachts een rekening, maar dat regel ik dan wel weer met mijn bestuur.”

Het komt voor dat de Verrekijker een kind met een handicap of stoornis moet weigeren, vertelt Goverts. „Een half jaar geleden nog: een jongetje met Gilles de la Tourette. In de klas waar hij zou moeten komen, zaten al drie rugzakkinderen, een vierde erbij zou een te zware belasting zijn geweest voor de groep. We hebben er een maand over gedaan om alle mogelijkheden te onderzoeken, maar hebben uiteindelijk ‘nee’ moeten zeggen.”

„Als een kind hier eenmaal zit, halen we alles uit de kast om het te houden, hoe moeilijk dat soms ook is. Mijn eigen kinderen hebben hier op school gezeten, en mijn ene zoon kwam een keer thuis onder de blauwe plekken. Dat had Marvin gedaan. Marvin kwam van een andere school en heeft twee jaar lang om zich heen geslagen. We hebben veel moeite moeten doen om begrip te kweken bij de andere ouders. Die waren het op een gegeven moment helemaal zat. Twee jaar lang heeft de school staan trillen, maar toen had die jongen rust in zijn lijf, en heeft hij kunnen ervaren hoe het is om samen te werken, om te voetballen zonder conflicten. Als een rustig ventje is hij hier weggegaan.”

De groei van het speciaal onderwijs en de slechte kwaliteit ervan – de helft van de scholen voor speciaal onderwijs presteert volgens de Onderwijsinspectie zwak tot zeer zwak – baart de overheid zorgen. Bovendien staan veel kinderen met een handicap of stoornis (vorig jaar 4.800) op een wachtlijst voor een speciale school. Een klein deel zit noodgedwongen thuis. Dit alles heeft geleid tot het besluit om alle scholen vanaf 2011 een ‘zorgplicht’ op te leggen, ook wel ‘Passend Onderwijs’ genoemd. Dat betekent dat de school de verplichting heeft om voor elk kind dat er is aangemeld ‘passend onderwijs’ te vinden: onderwijs dat aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van het kind. Binnen of buiten de eigen muren. Of deze beleidswijziging een doekje voor het bloeden is (of zelfs een platte bezuinigingsmaatregel), of dat daadwerkelijk meer zorgleerlingen passend onderwijs zullen krijgen, is nog onduidelijk. In theorie is de zorgplicht goed nieuws voor inclusionisten, want scholen kunnen leerlingen niet zonder meer de deur wijzen. Maar Peter de Vries van CPS is sceptisch. „Passend Onderwijs mag vooral niet verward worden met inclusief onderwijs, hoor je zeggen in beleidskringen. Toch zijn de onderwijsbonden nu al bang voor verhoging van de werkdruk van leerkrachten. De mind set zal moeten veranderen, wil inclusief onderwijs ooit van de grond komen in Nederland.” De Vries’ collega Hessel de Boer is optimistischer. „De scholing van docenten in het regulier onderwijs, cruciaal voor meer inclusie, is een van de pijlers van de nieuwe regeling.”

Aaldert Goverts van de Verrekijker hoopt dat met de zorgplicht een ‘eerste stapje’ wordt gezet. „Het is een plaagstootje richting het klassikale onderwijs, want je zult moeten kijken naar het individuele kind. Maar het is mij allemaal veel te voorzichtig. Je laat een kind door de voordeur binnen, maar je mag hetzelfde kind vervolgens via de achterdeur gewoon parkeren op een andere school.”

De ouders van Aimée Kraak zijn door hun ervaringen cynisch geworden. Het motto van Passend Onderwijs is ‘het kind centraal’. Juist die slogan staat voor hen symbool voor de onmacht van het onderwijs. „Zodra een school of een zorginstantie zegt dat het kind bij hen centraal staat, moeten alle alarmbellen gaan rinkelen. Want dan weet je dat ze eigenlijk bedoelen dat het apparaat centraal staat”, zegt Michiel Kraak. Hij en zijn vrouw Florence hebben nog geen idee naar wat voor school voor voortgezet onderwijs Aimée zou moeten. Ze hopen nog altijd een reguliere school te vinden waar ze welkom is. Florence Kraak: „Bij mij op de basisschool zat een jongen die helemaal niet kon meekomen. Hij moest naar de lom-school. Uiteindelijk heeft hij rechten gestudeerd en is priester geworden. Ik geloof in de kracht van ieder individu. Maar dan moet de omgeving er ook in geloven.”