kwesties@nrc.nl

Vele reacties op de oproep om ervaringen met Jeugdzorg te beschrijven, waren anoniem. Meestal waren het felle aanklachten tegen Jeugdzorg. Hieronder volgen mildere reacties van lezers die wel met hun naam in de krant wilden.
Illustratie Olivia Ettema
Illustratie Olivia Ettema

Vechten is zinloos

De situatie in het artikel ‘Zachte feiten, harde lading’ in Zaterdag&cetera van 31 augustus is mij van binnenuit geheel bekend. Sinds het begin van de problematiek treed ik op voor een van de kinderen in het artikel, in het kader van de ‘gesloten jeugdzorg’. Het artikel is zonder meer met veel zorg geschreven en beschrijft naar mijn mening duidelijk met welke enorme problemen de familie B. kampt.

Voorzover ik echter heb kunnen bezien, zijn juist in deze situatie de hulpverleners van zowel de Raad voor de Kinderbescherming als van Bureau Jeugdzorg met man en macht bezig geweest een opening te krijgen voor hulpverlening, voor communicatie met ouders; alles juist in het belang van de kinderen.

Het is zonder meer spijtig (en dat is een eufemisme) dat de ouders zulks niet hebben kunnen oppakken en samen met hun advocaat hebben gekozen voor een gevecht; een gevecht waarbij naar mijn visie het juist de kinderen zijn die het slachtoffer worden.

Was gekozen voor een andere aanpak, namelijk een waarbij de ‘kinderen eerst’ zouden zijn gesteld, dan zou de situatie thans in mijn visie een geheel andere zijn geweest. Een aanpak van een strafzaak (zie het artikel) is in zijn algemeenheid een geheel andere dan de aanpak in een zaak als deze. Naar mijn mening maakt deze zaak duidelijk dat advocaten zich daarvan bewust dienen te zijn, zodat zij hun cliënten (die immers vaak die verschillen niet weten en in goed vertrouwen zich tot ‘de’ advocaat wenden) naar behoren kunnen bijstaan.

De cliënten komen niet naar de advocaat voor wellicht goede bedoelingen of een breder gevecht over maatschappelijke verschillen. Na 25 jaar praktijkervaring weet ik dat cliënten gewoon graag goed geholpen willen worden, willen worden gehoord en bijgestaan, zeker waar het hun kinderen betreft! Ze zijn in paniek, verdrietig, onwetend over ‘het systeem’....

In Rotterdam is dit probleem (waarbij ‘de kinderzaken er maar bij worden gedaan’) dan ook aangepakt door oprichting van een werkgroep Jeugdrechtadvocaten, zulks in aansluiting bij de de VJAN (Vereniging Jeugdrecht Advocaten Nederland) Juist vanwege die speciale aandacht die ouders en kinderen verdienen.

Gevechten leveren naar mijn mening slechts slachtoffers op; zinloos en niet nodig.

Marjolein P.G. Rietbergen,

Jeugdrechtadvocaat

Stasi-praktijken

Het artikel ‘Zachte feiten, harde lading’ was zeer herkenbaar. Zelf zijn wij onlangs, ongewild, met de stasi-praktijken van Jeugdzorg geconfronteerd. Dit zijn mijn ervaringen: in mei van dit jaar werd mijn dochter van zeven ruw uit haar klas gehaald door medewerkers van Jeugdzorg. Toen mijn dochter daarna wegliep en twee uur zoek bleef, werd de politie ingeschakeld, waarna mijn dochter alsnog meegenomen werd en geplaatst werd in een pleeggezin. Dit gebeurde allemaal zonder rechterlijke machtiging en zogenaamd met vrijwillige medewerking van de moeder.

Mijn dochter woonde bij haar moeder. Haar moeder had eind 2007 een psychose gekregen en was daarvoor 3 weken opgenomen in het ziekenhuis geweest. Nadat moeder weer thuis was, kwam zij terecht in een zware depressie. Ondanks de problemen van moeder ging het met mijn dochter hartstikke goed. Ze haalde als eerste van haar klas de zwemdiploma’s ABC; ze behoorde tot de beste leerlingen van haar klas en werd zelfs ‘leeskampioen’ en had haar clubjes en vriendinnetjes. Ze kwam altijd op tijd op school, zag er uitstekend verzorgd uit en kwam materieel niets te kort.

Moeder kon terugvallen op een uitstekend netwerk van familie en vrienden en bleef, ondanks haar problemen, goed voor mijn dochter zorgen.

Dat mijn dochter toch werd weggehaald, was het gevolg van drie opeenvolgende meldingen van het AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) , die gebaseerd waren op warrige verhalen die moeder aan haar ‘hulpverleners’ vertelde. Achteraf bleken alle meldingen op drijfzand te zijn gebaseerd. Toch was dit voor Jeugdzorg geen aanleiding om mijn dochter weer bij haar moeder te plaatsen.

Integendeel, mijn dochter kwam terecht in een ‘observatietraject’ en er bleek plotseling van alles mis met haar te zijn. Met name de pleegouders bleken heel sterk in het verdraaien van feiten en het negatief interpreteren van alle gedragingen van mijn dochter. Dat mijn dochter goed presteerde op school, kwam doordat wij als ouders een te grote prestatiedruk op haar legde. Ik mocht ook niet tegen mijn dochter zeggen dat ze goed naar moeder moest luisteren, want dan legde ik haar een te grote verantwoordelijkheid op. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Ondertussen werd mijn bezoekrecht teruggebracht van 1 dag in de week naar 1 uur per week. Het bezoek vond plaats onder begeleiding van een net afgestudeerd meisje zonder kinderen, die wel eens even zou vertellen hoe ik met mijn dochter moest omgaan.

Inmiddels was er ook een onderzoek van de Raad gestart naar de opvoedingssituatie van mijn dochter. Ik dacht: gewoon meewerken, dan is mijn dochter het snelst weer terug bij haar moeder. Niets bleek minder waar. Hoewel er in onze situatie geen sprake was van mishandeling, misbruik en/of verwaarlozing, adviseerde de Raad toch tot het opleggen van een Onder Toezicht Stelling met Uithuisplaatsing voor de duur van tenminste één jaar. Reden hiervoor was sterke ‘parentificatie’ en ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’. De bevindingen van de Raad werden gestaafd door ‘gedragsdeskundigen’ die mijn dochter nooit hadden gezien en hun informatie dus alleen van ‘horen zeggen’ hebben, Het contact met mijn bloedeigen dochter zou beperkt worden tot twee uur in de 14 dagen, waarbij de medewerkers van Jeugdzorg er een sadistisch genoegen in schenen te scheppen zoveel macht te mogen uitoefenen.

Er stond me toen nog één weg open. Weg uit dit krankzinnige land. Ik heb dus de stap genomen om met mijn dochter te emigreren (met toestemming van moeder, zodat het geen kinderontvoering is) naar het buitenland. Inmiddels is mij gebleken dat er vele Nederlandse gezinnen net over de grens wonen om Jeugdzorg Nederland van zich af te schudden. Wellicht is dit een idee voor een vervolgartikel ‘Op de vlucht voor Jeugdzorg’. Het moet niet gekker worden in dit land.

Met mijn dochter gaat het hartstikke goed in het buitenland en zo is Nederland, dankzij een compleet doorgedraaide Jeugdzorg, weer één van haar ‘talentjes’ kwijtgeraakt.

D. Moorsel

Kwaad bloed

Door het lezen van het herkenbare handelen door Jeugdzorg bij Farid en Fatima en hun vier kinderen, werd bij mij het ellendige gevoel van wanhoop over het het contact met de Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming weer opgeroepen.

Onze casus is totaal afwijkend en wij zijn opgeleide Nederlanders, maar het falen van de Raad en de Jeugdzorg is volledig overeenkomstig.

De Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdzorg, onder verschillende ministeries werkende maar wel genoodzaakt samen te werken, zijn onbegrijpelijke en ongrijpbare bolwerken die goed vertrouwen beschamen, gebeurtenissen vertekenen, geen wijsheid tonen in de praktijk, beslissingen nemen in een multidisciplinair team (theoretisch volgens het boekje) en vooral uit zijn op zelfbescherming.

Wanneer je met de Raad of de Jeugdzorg te maken krijgt, gaat je meeste energie zitten in het recht zetten en uiteindelijk bestrijden van uitspraken. Dit zet kwaad bloed en leidt tot machtsmisbruik door Jeugdzorg.

Het is verontrustend dat rechters met deze instrumenten werken moeten.

Thea Ligtenberg

Serieus en geduldig

Maart 1999 werd onze dochter geboren, een meisje dat zich goed ontwikkelt. Ze is snel van begrip en sociaal voelend.

Snel daarna, september 2000, wordt onze zoon geboren. Het is duidelijk een ander kind. Wij als ouders redeneren dit weg met het idee dat het neerkomt op het verschil jongen-meisje. In oktober 2004 wordt ons derde kind, een zoon geboren. Gelijktijdig gaat ook onze oudste zoon naar school. Al gauw blijkt dit niet goed te gaan.

Vanaf dat moment komt Bureau Jeugdzorg in beeld.

Onze hulpvraag wordt goed opgepakt. Na een aantal huisbezoeken en onderzoek door een orthopedagoog wordt duidelijk dat onze oudste zoon autisme heeft. Ons wordt door Bureau Jeugdzorg aangeraden hem te plaatsen op een medisch kleuterdagverblijf (mkd). Met name zijn vader heeft het moeilijk met deze stap. De medewerkster van Bureau Jeugdzorg neemt alle tijd voor ons. Ze legt alle voor- en nadelen duidelijk uit. Eind 2006 is de plaatsing op het medisch kleuterdagverblijf beëindigd en daarmee ook de contacten met Bureau Jeugdzorg.

Wanneer in de periode daaropvolgend ook onze jongste zoon afwijkend gedrag laat zien, neem ik direct weer contact op met Bureau Jeugdzorg. Mijn vragen worden volstrekt serieus genomen. De jongste zoon wordt geplaatst op een mkd met behulp van Bureau Jeugdzorg.

F. Soffers

Wanhopig en rampzalig

Een voogd van Jeugdzorg (de Willem Schrikker Stichting) heeft Remzi, een Turkse jongen, die nu 15 jaar is, vanaf zijn vierde tot zijn veertiend in een instelling voor verstandelijk gehandicapten geplaatst. Remzi en zijn moeder waren beiden wanhopig, omdat de uithuisplaatsing zonder voorbereiding geschiedde. Remzi werd op een dag gewoon van zijn moeder gescheiden. De gevolgen waren rampzalig. Remzi was wanhopig en maakte in de instelling alles kapot en sprak niet meer.

Vele instellingen volgden, omdat Remzi nergens te handhaven was. Voogden, psychologen, psychiaters, begeleiders, zij allen beweerden dat hij verstandelijk gehandicapt was en niemand zag dat dit kind wanhopig was. Ik ontmoette Remzi toen hij bijna 9 jaar was en ontdekte dat hij niet verstandelijk gehandicapt was, maar juist intelligent.

Daarmee begon een strijd via de rechtbank, die eindigde met het overplaatsen van Remzi naar een instelling voor kinderen met gedragsproblemen. Hij is nu ieder weekend bij zijn ouders en wil het liefst thuis wonen. Remzi heeft door deze situatie tot zijn elfde weinig onderwijs genoten. Desondanks zit hij nu op het VMBO-T in de derde klas. Dus je kunt wel nagaan hoe slim hij is.

A. Weeteling