Judaspenningen

Remco CAMPERT,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH "Een liefde in Parijs" ==F/C==Amsterdam, 28 januari 2004
Remco CAMPERT,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH "Een liefde in Parijs" ==F/C==Amsterdam, 28 januari 2004 Mentzel, Vincent

Van Franks familie was alleen zijn oma aanwezig geweest, toen Rufino en hij trouwden. Aan Rufino’s familie, die in een afgelegen dorpje in Mexico het land bebouwde, ging hun hoogtijdag zelfs geheel voorbij. Franks ouders hadden zijn ‘geaardheid’, zoals ze het noemden, ten slotte geaccepteerd, maar het bijwonen van zijn huwelijk bleek toch een brug te ver.

Rufino was dol op Franks oma. Hij ging vaak bij haar theedrinken, als Frank naar zijn werk was, en nam haar soms mee naar de opera waar ze allebei liefhebbers van waren. Frank was niet zo’n uitgaander en hij vond opera ‘gegil van dikke wijven’. Toen oma onverwachts stierf, was Rufino dagenlang ontroostbaar geweest. Uit het sterfhuis, volgepropt met donkere meubeltjes, namen ze als herinnering aan oma de vaas met judaspenningen mee, die zolang Frank heugde op het dressoir had gestaan. Rufino was gefascineerd geweest door de zilverachtige bloemen die hij nooit eerder had gezien en die het eeuwige leven leken te hebben. En ze misstonden niet in hun moderne nog door Benno als vriendendienst ingerichte appartementje.

Frank had Rufino ontmoet laat op een avond in een Amsterdamse bar. Rufino was daar aangespoeld na een overhaast vertrek uit Berlijn dat volgde op een slaande ruzie met zijn Amerikaanse vriend Jim. Vriend was misschien een te groot woord. Toen Rufino pas uit Mexico in New York aankwam en al gauw de plekken had gevonden waar hij zich het beste kon vertonen, had Jim hem op een opening aangesproken. Wilde jaren braken aan. Jim was een welgestelde bankierszoon en art dealer. Samen met hem reisde Rufino de halve wereld af, als Jims secretaris, lijfwacht en minnaar. Rufino regelde de afspraken, de hotels en de vliegreizen en hield ongewenst volk buiten de deur. Dat laatste was nodig, want in het schemergebied van de internationale kunsthandel opereerden duistere figuren.

‘Zo’n avontuurlijk leventje kan ik je niet bieden’, zei Frank. ‘Ik ben maar een eenvoudig ambtenaartje.’ Maar Rufino was, volgens zijn zeggen, toe aan een rustig, geordend bestaan. Hij dacht erover medicijnen te gaan studeren, hij had altijd al mensen willen helpen. Voorlopig nam hij genoegen met een baantje voor twee dagen in een kledingwinkel.

Het was nu bijna een jaar geleden dat Rufino Frank van de ene op de andere dag verlaten had en hij in verbijstering achterbleef. Iedere keer als hij een foto van New York zag of zelfs maar de naam van die stad in een krant las kromp zijn hart ineen van verdriet. Als Frank zichzelf iets kwalijk nam dan was het dat hij het niet aan had zien komen. ’s Ochtends hadden ze nog samen ontbeten, daarna was Frank naar zijn werk op het stadhuis gegaan. Niets wees erop dat Rufino besloten had uit Franks leven te verdwijnen en dat de kus die hij op Franks lippen drukte toen die de deur uitging een vaarwelskus was.

Toen Frank die onheilsdag thuiskwam van zijn werk wachtte Rufino hem niet zoals gewoonlijk op met zoutjes en een glas whisky on the rocks. Dat trof Frank niet bijzonder, het gebeurde wel vaker, waarschijnlijk was Rufino naar de supermarkt om inkopen voor het avondeten te doen. Pas toen hij de slaapkamer inging zag hij de brief, die leunde tegen de vaas met judaspenningen op het kleine tafeltje. Het was de brief die Franks wereld ineen deed storten. Er stond niet veel in, maar wat erin stond was afdoende. In Rufino’s ongeoefende handschrift: ‘Tesoro, ik ben naar Jim. Ik schrijf je uit New York om alles uit te leggen. Vergeef me. Rufino.’

Op die uitleg wachtte hij vandaag nog.De eerste weken na Rufino’s op de loop gaan bracht Frank in stomgeslagenheid door. Iedere dag als hij thuiskwam verwachtte hij half Rufino daar weer aan te treffen. Het was allemaal een vergissing, zou Rufino zeggen, en Frank vergaf hem. Maar die gebeurtenis bleef uit en gaandeweg gaf Frank de hoop op. Zijn aanvankelijke verbijstering zette zich om in woede over Rufino’s verraad. Om te vergeten stortte hij zich in het uitgaansleven. Hij dronk meer dan goed voor hem was en gaf zich over aan een lange reeks van onenightstands. Toen hij merkte dat het ontwaken met vreemden bij hem alleen maar tot zelfverachting leidde, ging hij ’s avonds niet meer de hort op, maar keek eindeloos televisie en liet het verdriet in zich toe. Een tijdlang wilde hij het verdriet niet loslaten, het was het enige dat hem aan Rufino herinnerde, op een paar inderhaast achtergelaten kledingstukken na. Op een dag propte hij de kledingstukken in een vuilniszak en zette die ’s avonds op straat. Het verdriet dat hij niet wilde loslaten had hém losgelaten. Op zijn hoogst bleef er nog slechts een beurse plek van over en die zou ook wel verdwijnen.

Voor het eerst sinds lang keek Frank uit naar de volgende dag. In zijn slaapkamer deed hij waar hij maar steeds niet toe gekomen was. Voorzichtig schoof hij de vaas met judaspenningen, die gevaarlijk dicht bij de rand stond, wat meer naar het midden van het het tafeltje toe. Zo bleef hij trouw aan zijn oma, maar ook aan de tijd dat hij Rufino liefhad.

Remco Campert (1929) is dichter en schrijver van verhalen en romans. Zijn meest recente boek is Dagboek van een poes, een serie monologen van zijn poes Poef.