‘Ik zie geen reden om te zwijgen’

De wereldberoemde genetica Christine van Broeckhoven is ook parlementslid. Wat zoekt ze in de ‘rotzooi’ van de politiek? „Er hangt in het parlement een hallucinant negatieve sfeer.”

„Op mijn vakgebeid zijn de pioniers op een hand te tellen. Daar hoor ik bij.” Foto Merlin Daleman ==== Belgie, Antwerpen, 14-07-08Christine van Broeckhoven, UvA.© Foto Merlin Daleman
„Op mijn vakgebeid zijn de pioniers op een hand te tellen. Daar hoor ik bij.” Foto Merlin Daleman ==== Belgie, Antwerpen, 14-07-08Christine van Broeckhoven, UvA.© Foto Merlin Daleman

België is maar een zakdoek groot, zegt de Vlaamse hoogleraar moleculaire genetica Christine Van Broeckhoven. Het zou raar zijn om die nog in tweeën te scheuren. Het is ook „van een kleinheid”, vindt ze, dat in België echt zo’n scheuring dreigt, tussen Vlaanderen en Wallonië.

Hoe komt het dat België zo is?

Van Broeckhoven (55), die sinds vorig jaar ook lid is van het federale parlement voor de socialistische SP.A, heeft niet meteen een antwoord. Ze praat over Europa – dat in België, waar de belangrijkste Europese kantoren staan, zo ver weg lijkt. Omdat België in de krant en op televisie vooral met zijn eigen problemen bezig is. En ze praat over zichzelf. Heel vaak heeft ze moeten uitleggen wat zij als topwetenschapper kwam doen in ‘die rotzooi’ van de politiek. Het duurde ook lang voordat andere parlementariërs tegen haar gingen praten. „Het is alsof ze door mij met zichzelf worden geconfronteerd. Ik heb de indruk dat de politici zichzelf niet zo hoog inschatten.”

België is vooral klein, zegt Van Broeckhoven dan, door het gebrekkige vermogen om toe te geven dat anderen excellent zijn. „Ik heb heel vaak de indruk dat Belgen het maar vies vinden als je groots bent.”

Van Broeckhoven onderzoekt de oorzaak van erfelijke Alzheimerdementie en andere ziektes waardoor hersencellen van volwassenen beschadigd raken. In de jaren negentig ontdekte ze dat een fout in de genetische code van het eiwit amyloïde Alzheimer veroorzaakt. Ze won belangrijke internationale prijzen met haar werk, haar foto kwam op een postzegel, volgens de Vlaamse televisiezender VRT hoorde ze bij de honderd ‘Grootste Belgen’, twee jaar geleden kreeg ze een hoge koninklijke onderscheiding.

Maar dat ging allemaal niet vanzelf. „Als ik naar de Verenigde Staten was gegaan”, zegt Van Broeckhoven, „had ik niet zo hoeven vechten voor erkenning. Dan had ik veel eerder de positie bereikt die ik nu heb.”

Ze heeft een man en twee dochters, voor wie ze in België bleef. Spijt? „Ik heb er jaren mee geworsteld, ik ben er ongelukkig mee geweest. Maar het was praktisch erg moeilijk te regelen. Nu heb ik weer een uitdaging, een bliksemafleider. Door de politiek heb ik voor een deel afstand genomen van het beperkte milieu van de universiteit.”

Net voor het zomerreces biedt de christen-democratische premier Yves Leterme zijn ontslag aan. In ruim vier maanden heeft hij nauwelijks kunnen regeren. De coalitiepartijen kunnen het niet eens worden over de staatshervorming die ze aan de kiezers hebben beloofd. De Vlamingen eisen meer bevoegdheden voor hun eigen gewest.

Een dag na Letermes ontslag zegt Van Broeckhoven door de telefoon: „Verdeeldheid is eigen aan België. Die is ingebakken, we zijn nooit een gegroeide federatie geweest. Dat hoeft niet per se slecht te zijn. Het verscherpt de tegenstellingen en daardoor neemt de prestatiedrang toe.”

Maar waarom zou je willen presteren, als er zo weinig waardering is voor excellentie?

„In België moet je jezelf altijd positioneren. Je zegt: ‘Ik ben een Brusselaar’ en dan ben je dus geen Vlaming of Waal. Dat hoort bij het Belg-zijn, je toetst elkaar af binnen België zelf. Het gaat om scoren ten opzichte van de ander. Als het gezonde competitie is, hoeft dat niet slecht te zijn.”

In Elle zei Christine van Broeckhoven twee jaar geleden dat ze zou ophouden met haar werk als er iemand kwam die beter was dan zij en haar werk zou overnemen.

Bent u de beste?

„In mijn vak op de universiteit ben ik de beste. Dat is eenvoudig te bewijzen. Als leider van een onderzoeksgroep en wetenschappelijk directeur van een onderzoeksdepartement word je elk jaar geëvalueerd volgens excellentiecriteria.”

Bent u de beste in Vlaanderen?

„Op mijn vakgebied, de genetica van hersenziekten, zeker.”

In Europa?

„Er is één collega, in Groot-Brittannië, die ook heel goed is. Hij is net terug uit de Verenigde Staten. Eens kijken hoe hij het in Europa gaat doen. In Rotterdam zit ook een goed team.”

Zijn ze in de Verenigde Staten beter?

„Het is maar net wat je als referentiekader neemt. In de VS was er altijd meer geld voor onderzoek, maar door de oorlog tegen het terrorisme zijn daar de prioriteiten verlegd. Die liggen nu vooral bij biologische oorlogsvoering. Alles wat te maken heeft met stamcelonderzoek, prenataal onderzoek, biogenetica, wordt afgebouwd. Amerika is niet meer het paradijs op aarde, Europese collega’s komen terug. Je ziet een reverse brain drain. Op mijn vakgebied heb je in de wereld een aantal pioniers die op een hand zijn te tellen. Daar hoor ik bij.”

Vrouwen zijn niet zo vaak zo zelfverzekerd als u.

„Ik heb vroeger ook altijd de neiging gehad om mezelf te relativeren, te minimaliseren. Niet omdat ik mezelf niet op waarde schatte, maar omdat ik dacht: dit is normaal voor mij. Ik had de aanleg, qua brein, en op de scharniermomenten in mijn leven heb ik de juiste mensen ontmoet. Ik vond: daar moet je niet zo hoog van ophouden.”

Wanneer bent u opgehouden zichzelf te minimaliseren?

„In de jaren negentig, na de vinding van het amyloïde eiwit. Door de interviews met journalisten besefte ik dat mijn prestaties echt wel ongewoon waren. In de politiek wordt dat nog eens op scherp gesteld. In de politiek hebben mensen moeten knokken voor wat ze hebben bereikt. Daar word ik mee geconfronteerd: wat doet een topwetenschapper hier?”

En? Wat doet u daar?

„Door mijn wetenschappelijk werk kwam ik in contact met mensen, patiënten en proefpersonen. Ik heb gezien dat er bij ouderen, nu toch bijna eenderde van de bevolking, veel problemen zijn. Vereenzaming, depressies, zelfmoord. Ouderen zijn de uitgestotenen van de samenleving aan het worden. Mensen zeggen mij: ‘Ach, Christine, wat moet je met zo’n onderwerp in de politiek’. Al het geld voor wetenschappelijk onderzoek gaat naar kankeronderzoek. Maar als je dan gezond blijft en oud wordt, ben je afgeschreven. Ik wil in de politiek mijn kennis en expertise gebruiken.

„Ik geef lezingen over dementie. Na afloop vragen de mensen vaak niks en daarna staan ze in de rij om hun verhaal aan me te vertellen. Er rust zo’n taboe op die ziekte. Het is als partner moeilijk om ermee te leven.”

Is er over twintig jaar een medicijn tegen Alzheimer? In het eerste gesprek voor dit verhaal, begin juli, zegt Christine van Broeckhoven: „O, al veel eerder.”

Een paar weken later is er in Chicago een wetenschappelijk congres over de ziekte van Alzheimer. Dan zal er, zegt Van Broeckhoven, waarschijnlijk een medicijn worden gepresenteerd dat is gebaseerd op de biologische kennis over de ziekte, waar zij door haar werk aan heeft bijgedragen.

In de hersens van Alzheimerpatiënten zijn er twee soorten beschadigingen: ‘plakken’ en ‘kluwen’. De plakken worden veroorzaakt door amyloïde, dat bij Alzheimerpatiënten van eigenschap verandert en dan neerslaat in het hersenweefsel.

Op het congres van eind juli werden de resultaten gepresenteerd van klinische testen: Amerikaanse proefpersonen waren gevaccineerd met amyloïde, waardoor antistoffen zouden worden aangemaakt. Vier van hen overleden daarna aan hersenvliesontsteking. De test is stopgezet. Uit onderzoek van de hersens van de overleden proefpersonen bleek dat de vaccinaties wel effect hadden gehad. Maar het is niet zeker of daarmee ook de dementie zou zijn verminderd. En hoe het kwam dat ze hersenvliesontsteking kregen, was onduidelijk.

Van een ander medicijn, dat op het tau-eiwit werkt, in de ‘kluwen’, waren de eerste resultaten volgens Van Broeckhoven „veelbelovend”, maar dat middel moet nog worden getest met een veel grotere groep patiënten.

Van Broeckhoven, zegt nu, anderhalve maand na het congres: „Ik had meer verwacht. Zelfs als het medicijn dat op het tau-eiwit werkt in de volgende testen goede resultaten heeft, duurt het nog minstens vijf jaar voordat het op de markt is.”

In haar boek ‘Brein en Branie’, uit 2006, schrijft Christine van Broeckhoven dat ze een ‘middenkind’ was. Ze had twee oudere zussen, een tweeling, en twee jongere broers. Ze was een kind zonder problemen. Ze miste, schrijft ze, in die tijd bij haar ouders een „diepe interesse” in haar „bezigheden”.

Van haar achtste tot haar negende woonde ze in een katholiek opvangtehuis, met haar zussen en een van haar broers, omdat haar moeder tuberculose had. De nonnen in het tehuis knipten haar lange haar af. Na familiebezoek pakten ze het snoep en de chocola af die ze had gekregen. Hoe de kinderen in het tehuis heetten, vonden de nonnen niet belangrijk, schrijft Van Broeckhoven in haar boek. De kinderen hadden nummers.

Ze werd gepest, maar ze pestte zelf ook. „Ik vormde een bende met mijn zussen en nog een paar grote meisjes, ik vocht als een jongen. Als je onderdrukt wordt, ga je zelf ook anderen onderdrukken. Dat is niet mooi, maar zo gaat het. Toen we eruit kwamen, werden we bekeken als een stel wilden, anarchisten, we kwamen uit het gesticht. Ik heb daarna nooit meer in een vast ritme kunnen leven. Ik was een vechtersbaas voor het leven geworden.”

Hersenonderzoekers uit Nederland, die u op congressen meemaken, zeggen dat u heel boos kunt worden. Bijvoorbeeld als u niet mag spreken op de belangrijkste dag van het congres.

„Soms is dat gespeeld en doe ik het alleen om te treiteren. Maar ik laat niet met mij doen, het is en blijft zo dat vrouwen vaak vergeten worden. Ik heb geleerd om mijn voorwaarden te stellen, ik verzet me tegen het keurslijf waar vrouwen vaak in zitten. Ik zeg alles, ook als iets positief is. Ik zie geen enkele reden om te zwijgen.”

Collega’s uit Nederland zeggen ook dat haat en nijd overheersen bij de Belgische hersenonderzoekers. ‘Als ze de kans krijgen, branden ze elkaar en elkaars onderzoeken tot de grond toe af.’

„Dat heeft te maken met de manier waarop het geld voor onderzoek wordt verdeeld. Ik denk dat dat in Nederland niet anders is. Je wordt door je eigen collega’s beoordeeld.”

U schrijft in uw boek dat u veel tegenwerking kreeg van collega’s.

„Het is niet altijd een zegen om bij de top te horen. Als je opvalt, krijg je meer tegenwind. Ik heb me er wel eens op betrapt dat ik na wetenschappelijke waardering die ik kreeg, of een wetenschappelijke prijs, dacht: niks over zeggen, hou het low profile. De wetenschapswereld is keihard. Als de politiek dat niveau zou willen halen, moet ze nog een paar tandjes bijzetten.”

De politiek is vriendelijker?

„In de politiek heb je de druk van de samenleving. Elkaar tegenwerken, elkaars resultaten afpakken, dat gebeurt in de wetenschap allemaal achter de schermen. Er is geen controle op.

„Politici hebben vaak twee gezichten. Wat ze in de krant en op televisie zeggen, is heel anders dan wat ze tegen elkaar zeggen in het café. Maar in de wetenschap is er geen debat. Men kan heel vriendelijk tegen je zijn maar wel een spaak in je wielen steken.”

Wat is bedreigender?

„De wetenschap, zeker en vast. Politici worden gemaakt en gebroken door de kiezer. In de wetenschap zijn het de wetenschappers zelf die dat bij elkaar doen. De aanvallen zijn nooit openlijk, maar ze kunnen fataal zijn voor je onderzoeksgroep als je geen geld meer krijgt.

„Als je vraagt wie beter is in mijn vakgebied: wij meten dat af aan de publicaties in wetenschappelijke vakbladen. Van mij zijn er een paar keer resultaten gestolen, waardoor we top papers hebben gemist. Maar ik laat altijd aan collega’s weten dat ik dat weet. Ik maak daar geen vrienden mee.”

U houdt zich daar al heel lang staande. U heeft belangrijke resultaten behaald. Hebben de oude mensen voor wie u in de politiek wilt opkomen, er niet veel meer aan als u voltijds blijft zoeken naar de oorzaak van dementie?

„Ik hoor de bezorgdheid bij mensen. Ze zeggen: blijf alsjeblieft ook onderzoek doen. Maar ik ben niet weg uit de wetenschap. Bij ons hebben professoren drie opdrachten: onderzoek, onderwijs, maatschappelijke dienstverlening. De percentages kun je zelf invullen. Ik ben altijd heel sterk geweest in dienstverlening. Ik vind dat je aan de samenleving moet duidelijk maken wat je doet. Ik geef lezingen, mijn agenda voor heel 2009 staat al vol. Ik werk nu voor 60 procent op de universiteit en daar heb ik goed over onderhandeld: ik besteed bijna al mijn tijd aan onderzoek. Dat is veel meer dan voordat ik in de politiek ging. Met de bureaucratie daar heb ik minder te maken. Ook niet in het parlement. Ik heb geen bestuursfunctie. Ik ben gevraagd om mijn expertise en die wil ik gebruiken. Ik hoef geen puur politieke loopbaan.”

Van Broeckhovens onderwerpen in de politiek zijn vergrijzing, dementie, wetenschap, vrouwen. Maar veel aandacht was er niet voor, het afgelopen jaar. Volgens Van Broeckhoven komt dat vooral doordat het in de Belgische politiek nu alleen nog maar gaat over de staatshervorming.

„Er hangt in het parlement een hallucinant negatieve sfeer. Er is geen geloof in iets. En als je een moment lacht, voel je je al schuldig.”

Waarom?

„Omdat er niets te lachen valt. Alles gaat nu om het communautaire, over de tegenstellingen tussen Vlamingen en Franstaligen. Het is erop of eronder. Maar ook de meest geroutineerde politici weten niet hoe het verder moet.”

Bent u er optimistisch over dat België bij elkaar blijft?

„Niet echt. Er zijn een paar hardliners die heel hardnekkig zijn in hun ideeën. Aan beide zijden van de taalgrens. Ik ben ook wel voor meer autonomie van de gewesten en meer efficiëntie. Ik ben graag een Vlaming. Wij zijn Bourgondiërs, we leven beter dan in Wallonië. Maar als we solidair zijn met Afrika, waarom dan niet met de Walen? En Vlaanderen ligt binnenkort vol beton. Waar halen we dan de lucht nog vandaan? Vlaanderen vergrijst ook veel sneller dan Wallonië, en Wallonië is aan het opbloeien.”

Er wordt al zo lang ruzie gemaakt in de Belgische politiek, er zijn commissies van wijzen, adviseurs, bemiddelaars, maar een oplossing is er nog lang niet. Is het amateurisme?

„Misschien. Ik heb het gevoel dat er in deze regering politici zitten die niet kunnen regeren. Er wordt ook niet echt geregeerd. Maar misschien doen ze wel alsof ze het niet kunnen en zijn er morbide krachten aan het werk. Ik sluit niet uit dat er opzettelijke scenario’s worden uitgevoerd.”

Hoe moet het nu verder?

„Ik denk dat er nieuwe federale verkiezingen komen, die gaan samenvallen met de regionale en Europese verkiezingen in juni 2009.”

En hoe moet het verder met België?

„België moet blijven bestaan. Belgen zouden beter trots zijn op België. Hoeveel medailles zouden we als Vlaanderen halen op de volgende Olympische Spelen?”

Het waren er nu twee. Voor Vlaamse sporters.

„Het waren vijf vrouwen die medailles kregen. Dat vind ik heel belangrijk.”