Het koopkrachtmysterie

Sinds jaar en dag maken de media er een sport van om hoofdzaken uit de rijksbegroting publiek te maken, voordat zij op ‘prinsjesdag’ aan de voorzitter van de Tweede Kamer wordt aangeboden. Doorgaans lukt het journalisten om het door de Rijksvoorlichtingsdienst opgelegde embargo te breken. Dit jaar waren minister van financiën Bos en premier Balkenende de media te vlug af. Nadat de ministerraad de beraadslagingen over de begroting voor 2009 had afgerond, lichtten zij tijdens een persconferentie zelf al een tipje van de sluier op. Belangrijkste nieuwsfeit: niemand gaat er komend jaar in koopkracht op achteruit.

Zo stond het de volgende dag in de krant, maar beide bewindslieden weten duvels goed dat de overheid slechts over beperkte mogelijkheden beschikt om de portemonnee van het publiek op peil te houden. Of een huishouden er volgend jaar op vooruitgaat, hangt van twee zaken af: de groei van het besteedbaar inkomen (wat overblijft van het bruto inkomen, nadat de inkomensheffing en de ziektekostenpremie zijn betaald) en het tempo van de geldontwaarding. Stel dat het besteedbaar inkomen van een huishouden in 2009 vier procent hoger is dan dit jaar. Neem aan dat de kosten van levensonderhoud volgend jaar met drie procent stijgen. Dan is de koopkracht – de hoeveelheid goederen en diensten die dit huishouden kan aanschaffen – per saldo met één procent verbeterd. Het kabinet heeft – uitgezonderd de sociale uitkeringen en de ambtenarensalarissen – geen directe greep op de ontwikkeling van de bruto inkomens. Beheersing van het inflatietempo ligt grotendeels buiten de macht van Haagse beleidsmakers. Gezien hun onmacht, kunnen politici beter de nodige terughoudendheid betrachten wanneer ze het over de vooruitzichten voor de koopkracht hebben.

Zij baseren hun kordate uitspraken op door het Centraal Planbureau aangeleverde koopkrachtplaatjes. Op het planbureau werkzame bureaucraten zijn de eersten om te erkennen dat aan die plaatjes belangrijke tekortkomingen kleven. Ze geven uitsluitend een beeld van de inkomensontwikkeling van werknemers, uitkeringsontvangers en gepensioneerden, niet van de groep van bijna een miljoen ondernemers: zelfstandigen en mensen met een eigen BV. De plaatjes gaan uit van de veronderstelling dat de situatie van een huishouden het hele jaar hetzelfde blijft: mensen veranderen niet van baan, er komt geen gezinsuitbreiding. En bij de opstelling van de plaatjes gaat het CPB eenvoudshalve uit van gemiddelden voor de stijging van de cao-lonen en de kosten van levensonderhoud. Wie promotie maken of door de samenstelling van hun bestedingen minder dan gemiddeld last van de inflatie hebben, gaan er dus meer in koopkracht op vooruit dan het kabinet voorspiegelt. Omgekeerd zien mensen met een minder dan gemiddelde loonstijging hun koopkracht dalen.

De betrekkelijke waarde van door politici nonchalant geciteerde koopkrachtcijfers werd de afgelopen week onderstreept door nieuwe gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Terwijl het planbureau vooruitblikt, legt het CBS in zijn statistieken vast wat er in verstreken jaren werkelijk is gebeurd. De confrontatie van CPB-plaatjes met CBS-cijfers maakt een koopkrachtmysterie zichtbaar. Volgens het CBS is de koopkracht van de Nederlandse huishoudens in 2007 met gemiddeld 3,1 procent verbeterd. Volgens de laatste cijfers van het planbureau nam de koopkracht vorig jaar met slechts 1,5 procent toe, half zoveel. Dit is geen incident. Het blijkt dat de koopkrachtplaatjes jaar-in jaar-uit een (veel) te negatief beeld van de koopkrachtontwikkeling geven. De figuur illustreert dat de werkelijke inkomensverbetering van de Nederlanders in deze eeuw jaarlijks tussen 0,3 en 1,7 procentpunt hoger uitkwam dan de CPB-plaatjes suggereren. Elk najaar, wanneer politici gewoontegetrouw met elkaar in de clinch liggen over de koopkracht van de kiezers, voeren ze dus in hoge mate een schijngevecht. Doordat bij die discussie de plaatjes centraal staan, somberen Nederlanders nodeloos over de inhoud van hun portemonnee.

Het koopkrachtmysterie valt op te lossen door de beperkingen van de koopkrachtplaatjes te resumeren. Het CPB houdt alleen rekening met de geraamde verhoging van de cao-lonen, niet met de stijging van lonen en salarissen door promoties, functieherwaardering en veranderingen in het werknemersbestand. Het planbureau gaat uit van een statische wereld. Door de dynamiek op de arbeidsmarkt gaan velen er daarom meer op vooruit dan het CPB voorrekent. Voor zover zelfstandigen hun winst sneller zien stijgen dan de gemiddeld verdiende salarissen trekt dat de gemidddelde koopkrachtverbetering van de hele bevolking verder omhoog.

Over tien dagen vliegen de koopkrachtcijfers ons weer om de oren. Hopelijk nemen nuchtere huishoudens ze met een flinke korrel zout. Alleen voor mensen die het hele komende jaar op een uitkering zijn aangewezen, geven de koopkrachtplaatjes een redelijk accuraat beeld. De positie van veel gepensioneerden wordt mogelijk te rooskleurig voorgesteld, omdat de indexatie van hun aanvullende pensioen op de tocht staat. De overige Nederlanders zullen er in 2009 in doorsnee weer een half tot anderhalf procent méér op vooruitgaan dan de officiële cijfers aangeven, vooral dankzij salarisverbeteringen en de dynamiek in de economie, die het planbureau uitdrukkelijk buiten beschouwing laat. Wellicht een lichtpunt voor alle consumenten die op dit moment het hoofd laten hangen.